Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
"TRANEN VAN LICHT " van Alden Nowlan.    NetBook nummer 1 van
Het Prieeltje Online. Te lezen op de site van Het Prieeltje Online
(www.hetprieeltje.net), klikken op NetBooks en kiezen voor nummer 1.

INLEIDING

Alden Nowlan, geboren in januari 1933 te Stanley, Novia Cotia, dichtbij
Windsor (Canada), kende een moeilijke jeugd.  Hij liep weinig school en
verwierf als autodidact een enorme eruditie door zelfstudie en lectuur.  In
1952 begon hij een journalistieke loopbaan bij een kleine dagbladuitgever in
Harland, New Brunswick.  Hij zal daar elf jaar blijven, trouwen en zijn eerste
gedichtenbundels publiceren.  Tegen de tijd dat hij Harland verliet in 1963 om
te gaan werken voor de Telegraph Journal, had hij al vijf dichtbundels
gepubliceerd en kon hij bogen op een algemene erkenning van zijn poëtisch
talent.  Dit resulteerde trouwens in de toekenning van de grootste literaire  
onderscheiding van het land, nl. The Governor General's Award.  Vanaf
1968 tot aan zijn dood bekleedde hij een leerstoel aan de universiteit van
New Brunswick.  Toen hij in 1983 aan kanker stierf had hij een literair werk
op zijn naam staan dat niet minder dan 14 dichtbundels, 7 romans en 2
toneelspelen bevatte. De grote literaire verdienste van deze auteur stoelt op
het intensief en functioneel gebruik van de spreektaal in de poëzie.  Een
Nowlangedicht is zo eenvoudig en direct dat het haast de indruk geeft geen
poëzie te zijn ( in de zin van verdichting) maar een kroniek over alledaagse
onderwerpen.
Toch zal de aandachtige lezer in deze gespreksronden meer ontdekken dan in
het ingenieus en vaak erg complex  taalexperiment dat de moderne poëzie in
onze contreien zo vaak teistert. Omdat de grote literaire verdienste van deze
auteur nu precies verband houdt met de gesproken taal, het dagelijks gesprek
in de poëzie, heeft Het Prieeltje Online het opportuun geacht een vertaling van
een selectie van deze Canadese gedichten op te nemen in onze serie
NetBooks (onder nummer 1).  In het raam van de huidige discussie en
polemieken over het introverte versus extraverte karakter van de poëzie en
de moderne tendens "de vorm van het gedicht te doen primeren" op de
inhoud, komt deze collectie naar onze mening goed op tijd.

HET RELAAS VAN ROBERT GIBBS

Robert Gibbs die postuum een opmerkelijke bloemlezing uitbracht van
de gedichten van Alden Nowlan (*) geeft in de volgende pagina's een
gedetailleerde beschrijving van leven en werk van deze merkwaardige
auteur.  Als vriend en collega aan de universiteit waar ze beiden
jarenlang les gaven, kent hij het talent en de levensgeschiedenis van
Nowlan beter als geen ander.  Bovendien weet hij het werk te situeren
en te documenteren met de nodige herinneringen en omstandigheden die
vaak menig gedicht een ontstaansbron hebben gegeven.

In de lente van 1982 vergezelde ik Alden Nowlan op een tournee van
schoollezingen in het zuidoosten van New Brunswick.  Wij gaven om beurten
rond de vier lezingen per dag  waarbij elke sessie gevolgd werd door een
vraag-antwoorduurtje.  De twee vragen die het meest frekwent werden
gesteld waren: "Wanneer ben je met dichten begonnen?" en "Waar haal je al
die inspiratie vandaan?", - vragen omtrent de kwestie van genesis en creatie
die bij de meeste toehoorders - wat ook hun opleidingsniveau was - aan bod
kwamen.Alden Nowlan behoorde niet tot die categorie van dichters die zulke
vragen liefst van al van tafel vegen met het argument dat poëzie voor zichzelf
moet spreken.  Met veel geduld, en ik zou daar nog aan toevoegen, een grote
dosis sympathie, kwam hij zijn jonge toehoorders gul tegemoet en legde hij
breedvoerig uit hoe voor hem als jonge man het maken van gedichten niet
zozeer een geheime hobby als een persoonlijke noodzaak betekende.  Terwijl
we reden van de ene school naar de andere, vertelde hij me over de
verwachting die hij koesterde dat ten minste een of meerdere leerlingen
uiteindelijk zouden begrijpen wat hij bedoelde en door zijn antwoorden
misschien van die vreselijke eenzaamheid konden worden bevrijd die hijzelf
had ondergaan in een omgeving die vijandig stond tegen elke verbeelding en
het maken van gedichten eerder beschouwde als een vrome bedoening
beoefend door reeds lang gestorven dichters in schoolboeken. De vijandige
omstandigheden van zijn jeugdjaren hebben essentieel het geheime, verborgen
leven dat hij leidde gestalte gegeven.  Het heeft hem ertoe aangezet voor
hemzelf een eigen wereld uit te vinden, wetende dat hij nooit zou kunnen
gedijen in de gangbare commune voor opgroeiende jongens van zijn
omgeving. Het is niet ongebruikelijk voor een verbeeldingsrijk kind zulk een
territorium uit te bouwen zelfs als het schijnbaar probleemloos integreert  -
uiterlijk althans - in het bestaand maatschappelijk patroon.  Het instinct om
voor zichzelf schatten van dromen en woordspelingen op te sparen in de
innerlijke kelders van het zijn, blijkt een natuurlijk verschijnsel te zijn dat altijd
optreedt of de ouders en/of naaste familie akkoord gaan of niet.  De
omstandigheden bepalen de mate waarin dit gebeurt.  In het geval van
Nowlan was dit bijna mateloos.  Ik zeg wel bijna omdat er toch sporadisch
vlagen van sympathie en waardering zijn voortgekomen in zijn jeugdjaren
vooral naar de Ierse grootouders toe.Alden Nowlan het levenslicht zag in
januari 1933 was zeer arm en werd dubbelarm door de toen heersende
depressie.  Zijn moeder, amper 15 jaar oud bij zijn geboorte, liet hem en zijn
zusje achter bij zijn vader en grootouders.Zijn schoolloopbaan was uitermate
kort, maar hij had zichzelf al op eigen kracht leren lezen en verslond weldra al
de beschikbare lectuur voorradig buiten de school.    Het gebrek aan begrip
en respect waaraan hij al zo vroeg werd blootgesteld, vindt men terug in twee
specifieke verhalen opgenomen in de posthuum verschenen verzameling "Will
Ye let the Mummers in?".Het eerste verhaal "The Fall of a City" vertelt over
een jongen die belachelijk gemaakt wordt door zijn oom omdat hij zo graag
speelt met papieren poppen, figuren die hij heeft gesneden uit papier en
waarmede hij een ingebeeld keizerrijk bevolkt.De jongen ontdekt dat hij zo
zijn eigen innerlijke wereld kan behouden nadat hij de papieren uiterlijkheden
ervan heeft vernietigd.  Hij kan de aantijgingen van zijn oom de baas door een
ontdubbeling van zijn persoonlijkheid door te voeren: de ene die perfect
harmonieert met de codes en geplogenheden van de oom; de andere die de
gehelmde en bereden keizer is en blijft van zijn koninkrijk der dromen.  
Weliswaar ondervindt hij aldus het nadeel van een gespleten persoonlijkheid,
maar dat weegt niet op tegen het voordeel  een verborgen leven te kunnen
aanhouden dat  reëel is en geen zinsbedrog. In het tweede verhaal
"Nightmare", komt de vijandschap van buiten de familiekring.  Davie's vader,
alhoewel weinig bekommerd om de diepe zielsroerselen van het kind, is al bij
al een sympathieke figuur, die duidelijk doet wat hij kan voor zijn zoon.  De
echte vijanden zijn de schoolkameraden die hem pesten met de echtscheiding
van zijn moeder.  De verdediging van de jongen is opnieuw te vinden bij zijn
eenzaamheid, maar hier is ze verbaal en krijgt ze een stem.  Davie roept
zichzelf uit tot "David, de profeet van God" en in woorden die hij overvloedig
heeft ontleend aan de grondige en herhaalde lectuur van de Heilige Schrift,
begint hij banvloeken en bezweringen uit te spreken over zijn belagers.  De
jongen Davie, fysisch hulpeloos tegenover zijn pesters, heeft de kracht
ontdekt van het woord. Deze twee verhalen portretteren twee aspecten van
Nowlans eigen verbeelding en wijzen naar thema's en karaktertrekken
ontplooid in zijn gedichten gedurende zijn hele leven.  In "The Fall of the City"
wijst de scheiding van fysisch persoon en het innerlijke eigene, het uiterlijke
masker gedragen om te behagen aan de buitenwereld en het innerlijke leven
van de geest, op een duidelijk aanwezige "dualiteit".  Naarmate de schrijver
rijper wordt, worden zijn maskers veelvuldiger zoals de titel weergeeft van
zijn autobiografische roman "Various Persons Named Kevin O'Brien". In zijn
eerste gedichten is de voelbare complexiteit duidelijk herkenbaar als een
dualiteit:  de ironische registraie van de tegenstrijdigheid tussen uiterlijkheid en
essentie, aspiraties en verwezenlijkingen, sierlijke uitdrukking en inwendige
beschouwing.  Deze dualiteit wordt vorm gegeven in strenge, formele
versvormen die in het algemeen kort maar rethorisch welluidend overkomen.
De vormelijke eigenschappen staan in functie van de waarneming en het
gevoelen.  Het tweede verhaal," Nightmare" wijst naar Nowlans vroeger
ontdekking van de macht van woorden over onszelf, onze pijnen en
onvolmaaktheden, en over onze belagers.  Het wijst ook op het vroeg
ervaren van het "koningschap van de dichter" die als een profeet en zegsman
aankondigt en/of ontkent en toont wie wij zijn.  De taal gebruikt door Davie is
bijbels, ritmisch en rethorisch, en voor de jongen, magisch en heilig.  Het is de
taal die hoort bij zijn persoonlijkheid en niet bij de persoon of personen die
hij hoort te zijn om in de gemeenschap te overleven.
Een derde verhaal uit de roman heet "There Was an Old Woman from
Wexford".  Hierin beschrijft Nowlan de nauwe banden tussen een jongen en
zijn grootmoeder, en door haar, tussen de nabije en verre voorouders.  De
rijpere Kevin O'Brien ziet zijn gezangen en verhalen als verlengstukken van
zijn eigen ik in het verleden, waarbij zijn vroege jeugd een mythische genesis
krijgt toebedeeld.  De jongen en zijn grootmoeder zijn partners, en de
innerlijke wereld van de jongen krijgt een legitimiteit vanwege de tolerantie
die de familiecode oplegt jegens zijn aardse oudere.  Zo wordt de dualiteit
tussen het eigen ik en de familiepersoon opgeheven, en zelfs in de vroege
gedichten die handelen over familiebanden wordt de ironie meer losgelaten
dan de stem van het gerijpte en bevrijde innerlijke.  Getuige hiervan is een
gedicht als "Zwakheid" (Weakness) dat verscheen in zijn eerste bundel.
Op twaalfjarige leeftijd verliet Nowlan de school en begon hij te werken als
pulpsnijder en molenhelper, zoals zijn vader deed.  Zeven jaren hield hij dit
werk vol niettegenstaande de groeiende afschuw die het bij hem opriep.   
Toch bleef hij ook intellectueel niet passief, gezien zijn talrijke bezoeken aan
de plaatselijke bibliotheek waar hij alles las "van Tolstoï tot Herben",
maagdelijke boeken waarvan de bladzijden vaak nog niet opengesneden
waren.  Deze periode bracht hij in herinnering in zijn verhaal "About
Memorials", het laatste van zijn posthume verzameling.  De verteller ervaart
zijn adolescentie met gemengde gevoelens van verwerping en geamuseerde
tolerantie.  Naarmate het verhaal vordert en de begrensde perspectieven van
de gemeenschap met zijn valse zelfingenomenheid meer en meer worden
getoond, heeft de verteller een zichtbare neiging samen te smelten met haar.  
In de zelfbegoocheling en de absolute nood om zichzelf op het voorplan te
plaatsen, ziet de verteller niet alleen de stedelingen van zijn jeugd maar ook
de mensheid in het algemeen, inclusief hemzelf.  Een verhaal dat sardonisch
begint, en teder eindigt.  Zulk een proces van bewustwording, van zelfachting
en zelfvertwijfeling, van zinloosheid en begrensdheid van onszelf en anderen,
toegepast op een breder forum dat uitmondt in een mild medeleven, is niet
alleen kenschetsend voor de latere, rijpere poëzie van Nowlan, maar ook
voor de wijze waarop hij blijft evolueren als dichter.  Cruciaal voor die
evolutie was zijn beslissing om in 1952 Nova Scotia te verlaten voor een job
bij een kleinstedelijk dagblad in Harland, New Brunswick.  Ofschoon zijn
nieuwe leefgemeenschap niet zo erg veel kon verschillen van die van Windsor
die hij had gekend als adolescent, opende het nieuwe perspectieven die zijn
vroegere leven resoluut een andere wending zou geven.  Hij was nu
geworden voor de buitenwereld wat hij reeds lang inwendig had ervaren en
geweten: een schrijver.  De scheiding in het kind tussen het eigen  ik en het
publieke ik was niet langer relevant.  Zo begon hij nu steevast zijn gedichten
op te sturen naar vooral Amerikaanse literaire tijdschriften, kleine en grote.  
De elf jaren doorgebracht in Harland, waar hij zijn vak als journalist leerde,
trouwde en publieke functies waarnam, waren  productief geweest voor zijn
poëtische ontplooiing zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht.  Hij
begon nu te winnen in aanzien en betrekkingen aan te knopen met andere
schrijvers, in bijzonder met Fred Cogswell, die samen met hem publiceerde in
een van die onbekende, kleine periodiekjes en die later ook de publicatie zou
verzorgen van zijn eerste gedichtenbundel, The Rose and the Puritan. Tegen
de tijd dat Nowlan Harland verliet in 1963 had hij maar liefst vijf boeken
gepubliceerd en kon hij bogen op een erkenning als een van de beste dichters
van zijn generatie.  Hij genoot nog steeds intenser dan ooit van wat hij als
kleine jongen profetisch had ervaren, nl. dat woorden geplaatst in een
muzikale rangorde een grote macht hebben over de spreek- en werktaal.  
Gaandeweg kwam hij tot een ander besef dat de werkelijke waarde van de
poëtische uitdrukkingswijze resideert in de "dagelijkse omgangstaal". Dit
axioma had hij  verworven niet alleen door zijn intensieve beoefening van de
verskunst, maar vooral ook door zijn dagelijks werk als journalist en de
kennismaking met het werk van zijn tijdgenoten.  Zijn drang naar directheid,
eenvoud van uitdrukking en vormen van dagelijks gesprek, was niet terug te
brengen tot een tijdsgebonden modetendens, maar tot het aanvoelen van een
onweerstaanbare behoefte om de diepste gevoelens en verbeeldingen een
uitweg te verschaffen in taal om duidelijk te zeggen waar het op staat, zoals
de titel van zijn laatste boek in deze periode het meer dan expliciet aangeeft:
"TheThings Which Are".  In 1963 verhuisde Nowlan naar Saint John voor
een job bij de Telegraph-Journal.  In 1966 onderging hij zijn eerste therapie
voor kanker.  In 1967 publiceerde hij Bread, Wine and Salt, het boek
waarvoor hij de Governor General's Award voor poëzie ontving.  De
verruiming van zijn ervaringen als journalist, de verandering van omgeving van
rurale naar stedelijke middens, en zijn pathetische ontmoeting met de
doodservaring, beinvoedden fundamenteel zijn poëzie, niet alleen op
subjectieve wijze maar ook op gebied van intensiteit en dieptegevoelen.  Zijn
voorliefde voor het scheppen van veelvuldige identiteiten werd er alleen maar
groter op. Zo is de reporter-spreker in het gedicht "The Execution" niet alleen
het slachtoffer van een gigantische grap maar ondergaat hij ook de onderlinge
vermenging en pijnlijke subsitutie van de identiteit van de verschillende
hoofdrolspelers in het verhaal gaande van de beul naar de veroordeelde en
omgekeerd.  Zoals in Keat's kameleongedicht wordt ook de poëtische
eigenheid van Nowlan slechts waarneembaar door een mix van identiteiten
(de multi-identiteit) aan te nemen.  Menselijke tekorten  domineren het
menselijk gedrag; onze illusies zijn niet slechts gebreken maar noodzakelijke
ficties.
In 1968 brak zijn laatste levensfase aan toen hij Writer-in-Residence werd
aan de universiteit van New Brunswick (UNB) in Fredericton.  Door deze
functie kwam hij in direct contact met professoren, studenten en
collega-schrijvers, alhoewel zijn kring van vrienden en collega's veel ruimer
was dan die van de academische gemeenschap.  Zijn huis in de Windsor
Straat werd een waar ontmoetingsoord voor fervente aanhangers van de
gemoedelijke gezelligheid en het aangenaam gesprek.  Terzelfdertijd bracht
het stopzetten van een "nine to five"-job hem kansen te over om zijn
uitstappen  uit te breiden in de provincie en ver daarbuiten, vooral sedert hij
het aantal publieke lezingen sterk had opgevoerd.  Hij begon nu ook te
werken voor radio en televisie, en zijn samenwerking met theaterdirecteur
Walter Learning resulteerde in de creatie van drie succesvolle toneelstukken,
nl. Frankenstein, The Dollar Woman en The Incredible Murder of Cardinal
Tosca.  Een avondje gesprekken bij hem thuis leidde, mede onder impuls van
de filosoof Leo Ferrari, tot de oprichting van The Flat Earth Society die
uitgroeide tot een internationale organisatie.
Hij bleef verder ook zijn wekelijkes columns verzorgen voor de Telegraph
Journal, teksten waarin hij de locale, provinciale en nationale gebeurtenissen
versloeg vanuit het standpunt van een modale burger of een ironisch classicus
die soms naïef en dan weer geamuseerd alles haarfijn observeert.  Deze
columns bevatten vaak zijn grappigste teksten en meest gevatte satires.
Een Nowlangedicht kan op het eerste gezicht echt speels overkomen als een
droge observatie van kleine menselijke fouten en misstappen, maar bij
herhaalde lectuur brengt het een mix van gedragingen aan het licht die
betekenisvoller en zinvoller overkomen dan de bedrieglijke oppervlakte laat
vermoeden.  Dit wordt duidelijk geïllustreerd in het gedicht "On being
detested by a friend", dat werkt als een geheel van geestigheden die met de
nodige zin voor humor tegen mekaar worden uitgspeeld.  Het zijn dit soort
gedichten die de auteur zo populair hebben gemaakt bij zijn talrijk
toehoorderspubliek omdat het rijpe verzen zijn van een pure poëzie die
volledig geaffilieerd is met het "dagelijks gesprek" : de echte, ware taal van
elke mens.


terug naar boven
ONDER DE LEESLAMP

“SPREEKTAAL” IN DE POEZIE VAN ALDEN
NOWLAN door Robert GIBBS
vertaald door Henri Thijs