Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
"DE ANDERE WERELD" van Mark Jarman, Jesse Iott, e.a., NetBook
nummer 22 van Het Prieeltje Online. Te lezen op de site van Het
Prieeltje Online (www.hetprieeltje.be), klikken op NetBook 22.

Onze digitale bibliotheek werd aangevuld met een tweeëntwintigste nummer
getiteld DE ANDERE WERELD in de bekende serie van onze NetBooks.
19 Amerikaanse dichters van nu komen aan bod in een vertaling van Henri
Thijs. Deze nieuwe verzameling van hedendaagse Amerikaanse dichters is het
vervolg op ons vorig nummer (Epistel van de Schipbreuk met name) dat
eveneens exclusief gewijd was aan de Amerikaanse poëzie van vandaag.
"De andere wereld" bevat gedichten die minder mystisch gekleurd zijn maar
een even pregnante spiegel ophangen van een wereld die verscholen ligt
achter de reële wereld van de "alltag". Voor sommige dichters zoals Mark
Jarman is dit een ineengestorte wereld die even illusoir is als de reële
spitsbroeder ervan. Immers als de "nacht is opgestaan uit zijn brandend bed"
weet men definitief waar men aan toe is. Het ontvluchten van een
ineengestorte wereld kan leiden naar een nieuw oord van duisternis en
onbekendheid waar niet valt aan te ontsnappen. Volgens onze Deborah
Diggers zijn alleen de stervenden daartoe in staat. Alleen wie bereid is te
breken uit het cordon van gewoonten en dagelijkse beslommeringen (=
sterven) kan als een atleet klimmen op de trapeze van de wijsheid om de
zalige hemel van de kennis te verkennen als een getraind acrobaat.
("stervenden zijn zulke acrobaten"). Voor andere dichters (Jesse Iott, Sue
Standing en Musgroove) ligt deze wereld dan weer geankerd in de
anekdotiek waar snel kloppende harten en het flirten met liefjes de
tijdelijkheid van het materiële bestaan extra benadrukken. De liefde en het
onderling begrip zijn voor hen maar heel dubieuze toegangscodes tot "de
andere wereld". Zij laten maar een tijdelijk asiel toe en verdragen niet de
sprong naar de heerlijkheid van het weten. Men kan zich dan wel verwant
voelen met het symbool van de uitdrager van de boodschap, nl. de postbode,
(zoals Laura Newbern doet), maar moet dan alvast constateren dat die
dronken is en dat het bovendien regent. Hem plaatsen in het esthetisch kader
van zijn dromen is dan maar een platvloers doekje voor het bloeden dat niet
helpt om te ontsnappen aan de dagelijkse gang van zaken. Maar het is niet
alleen kommer en kwel geblazen op het platteland van de alledaagse realiteit.
Wie bereid is te sterven hoeft in feite niets te vrezen. Als stervende is men
toch zulk een knappe acrobaat zoals de genoemde Deborah Digges beweert
die schaafwonden trekt in de lucht van de droom. Zo balancerend op het
slappe koord van de gedachte kan men nieuwe hoogten bereiken en fungeren
als een pendule tussen de eeuwigheid en de avond. Gedragen worden naar
die andere wereld doet echter ook pijn. Robert Wrigley, de auteur van het
titelgedicht van deze bundel, voelt zijn ziel getransporteerd worden door een
kolonne mieren die hem "tot op het bot afgekloven" overlaten aan het
"jenseits" van het dagelijks bestaan, waar ook duisternis troef is, duisternis die
wel begint in de kern van de dingen maar ook blijft duren nadat de dingen
reeds verdwenen zijn "zoals kinderen worden hun kreten" (Christian Wiman).
"Slechte mensen", "Oude Mensen", "Spinnen" bewaken de levenswandel die
de mens in het dagelijkse bestaan aflegt. Wij worden geplaagd, bespied,
afgeleid en slechts aanvaard in deze zijnssituatie als toevallige bezoekers die
na hun komen en gaan verrijkt terugkeren naar de cocon van hun eigen
zielsroerselen binnen de contouren van een onbegrepen bestaan. Elk bezoek,
elke handeling, elke daad zijn daarbij stappen op weg naar de
kennisverovering. Robert Bly drukt deze gedachte zeer gevat uit waar hij stelt
dat een achteloze God die weigert ons te laten eten van de "Boom der
Wijsheid " ons aanzet tot het lezen van boeken en dus in contact brengt met
de auteur en de dichter die "gedichten schrijft vol leugens", maar die ten
minste toch een kleine therapeutische waarde hebben: "ze helpen een beetje"
om de kloof naar de andere, innerlijke wereld, het continent van de dromen,
te overbruggen. Voldoende ernst en discipline aan de dag leggen is hierbij de
voornaamste boodschap zodat de "inwendige" en de "uitwendige" wereld
elkaar kunnen ontmoeten (Alison Stone) en finaal taal en verlangen met elkaar
worden geconfronteerd. Ook Margaret Atwood timmert naarstig voort aan
deze weg, maar doet dat wel op een nogal nuchtere en afstandse manier.
"Enkel een dag blijft over: deze waarin je vertoeft" zegt ze in haar gedicht
"Bezoek". Reken daarbij niet op de herinnering want hij is geen vriend en laat
je alleen maar zien wat je bent verloren. Maar geen paniek. De andere
wereld bouw je op met werktuigen die je herkent als zijnde je eigen
bouwstenen. Al herken je daarbij alleen maar het bed als het vertrouwde
instrument waarmee je je dromen kunt begeleiden naar de overzijde. En niet
te vergeten de verbeelding. De fantasie is troef om de weg uit te stippelen
naar de andere zijde van het bestaan. Kijk naar de stroom die vloeit over de
vloer en die gemaakt is van zonlicht. Kijk naar je eigen haard en beschouw
hem als een strand waar het goed is te vertoeven in het bewustzijn van het
weten.
Al de facetten van dit boeiend verhaal en van die tweestrijd tussen droom en
realiteit worden ten tonele gevoerd in een heldere, alledaagse spreektaal die
op het eerste gezicht erg simplistisch overkomt maar een onderkoelde
ondertoon herbergt die het geheel een erg dynamisch en doorleefd karakter
geeft. Men kan bezwaarlijk meer van goede poëzie verlangen.


terug naar boven
ONDER DE LEESLAMP

DE STERVENDEN ZIJN ACROBATEN door Henri Thijs