Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
Aanhef

In Peter Johnson’s uitstekende verzameling “The Best of Prose Poem: An
International Journal” lezen we dat auteurs van standing en niveau (=wie zijn
dat?), gereputeerde woordkunstenaars overal bemind en erkend in de States
er hooghartig hun artistieke neus voor ophalen en het niet de moeite waard
vinden om er ook maar één woord aan te besteden.  Gewone dichterlijke
stervelingen vinden het de revelatie van hun kunnen, de apotheose van hun
vervoering, de vervulling van hun stoutste droom.  Academische critici doen
het fenomeen dan weer af als een ongekwalificeerde miskleun die de letteren
en vooral de poëzie besmeurt en in het vocabularium van het poëtisch jargon
wordt geschrapt als te mijden onderwerp en "sujet perdu”.  De doorsnee
lezer daarentegen vindt het blijkbaar een fris en ongekend genotverschaffend
middel dat de geesten op hol brengt en een humoristische noot introduceert in
het eentonige dagelijkse leesvoer dat een poëzie ten tonele voert exclusief
bestemd voor ingewijden.  Hoe moet het nu met dit mysterieuze “het”
waarover we het hier constant hebben ? Wel we spreken over het
verschijnsel van het “prozagedicht” dat zoals gezegd vooral in de States veel
furore maakt en als dichtvorm een respectvol plaatsje heeft ingenomen in het
scala van de groten.  Als Europa zoals steeds met meer dan een halve eeuw
vertraging de verworvenheden van dat grote continent over de plas achterna
hinkt, zullen we binnenkort in onze contreien kunnen gewag maken van een
nieuw fenomeen in de dichtkunst: HET PROZAGEDICHT, of
PROZAPOEZIE of nog PROEZIE zoals dichter Bert Schierbeek het begrip
of genre reeds decennia geleden typeerde.  Alhoewel “achterna hinken”
misschien toch een misplaatste uitdrukking is aangezien de oorsprong van het
prozagedicht blijkbaar niet in de States maar in Europa en met name “La
douce France” te zoeken is.  Achterna hinken is dus te verstaan als
“vertraging in de waardering, verspreiding en erkenning” van prozapoëzie.

Wat is een prozagedicht?

De vrije webencyclopedie “WIKIPEDA” geeft een eerste rudimentaire
definitie die laconiek luidt als volgt:  “ een prozagedicht is poëzie die niet in
dichtvorm is opgeschreven.  Het bezit dus het uiterlijk van een ‘gewone’
tekst.  De dichter Bert Schierbeek schreef veel prozagedichten, die hij zelf
proezie noemde, een samentrekking van proza en poëzie.”
Deze definitie vraagt uiteraard om een nadere analyse als we op het fenomeen
dieper willen ingaan.  Zo is het eerst en vooral duidelijk dat het hier een type
poëzie betreft dat gekenmerkt wordt door haar gebrek aan regelpauzes.  
Alhoewel het prozagedicht dus erg veel gelijkenissen vertoont met een kort
stukje proza staat het toch ook een duidelijke alliantie voor met poëzie door
het gebruik van ritmepatronen, stijlfiguren, rijmschema’s, assonanties
(herhaling van gelijkluidende klinkerklanken), consonanties (=gelijkluidende
medeklinkers) en beelden.  De eerste poëzie, zoals deze van de Ilias en
Odysseus geschreven door Homerus zo’n 2.800 jaar geleden, had ook geen
conventionele regelonderbrekingen om de simpele reden dat deze werken
oorspronkelijk niet schriftelijk werden opgesteld maar gedurende honderden
jaren mondeling (en waarschijnlijk aangedikt en verrijkt) overgedragen van
geslacht op geslacht.  Maar eens dat poëzie werd neergeschreven  begonnen
dichters de regelpauzes te beschouwen als een nieuw belangrijk element van
hun kunst.  Met uitzondering van de lichte pauzes en de inherent aanwezige
rijmschema’s in een gedicht is het voor een luisteraar trouwens zeer moeilijk
te achterhalen waar een regel eigenlijk afbreekt.
De lengte van prozagedichten varieert van de gebruikelijke halve pagina tot
drie of meer pagina’s (de langere gedichten worden vaak beschouwd als
experimenteel proza of poëtisch proza).  Aloysius Bertrand die “Gaspard de
la Nuit" publiceerde in 1842 wordt algemeen beschouwd als de vader van het
prozagedicht.  Niettegenstaande de erkenning die Bertrand kreeg alsook
Maurice de Guerin die schreef rond 1835, kwamen de eerste bewust in hun
specifieke vorm geschreven prozagedichten pas te voorschijn in Frankrijk
gedurende de 18e eeuw als gevolg van het feit dat schrijvers meer begonnen
aan te leunen bij het schrijven van proza als reactie op de strenge versregels
opgelegd toentertijd door de Franse Academie.  
Alhoewel meerdere Franse schrijvers in die periode begonnen te
experimenteren met prozagedichten genoot het pas algemene erkenning na de
publicatie van Baudelaire’s werk (Le Spleen de Paris nota bene) in 1855.  
De definitieve doorbraak kwam er echter met het grootste werk van de
Franse auteur Rimbaud “Illuminations” geheten en gepubliceerd in 1886.  

Eigenschappen van het prozagedicht

Het prozagedicht is samengesteld uit twee factoren die elkaars antithese zijn,
en die spanning geeft dit soort gedichten hun unieke kracht.  Proza doet een
uitgesproken narratieve inbreng in de vorm, maar het narratieve is kort, in het
algemeen elliptisch en beheerst door de strenge condenserende
eigenschappen van poëzie: figuratieve taal,  nauwgezette woordkeuze, en heel
de dynamiek van rijm, assonantie en consonantie.  Proza en poëzie oefenen
zulk een druk uit op het prozagedicht dat het scheef trekt en buigt, en
daardoor zich in extreme vormen wringt.   Gedeeltelijk wordt dit ook
veroorzaakt door de voorkeur van dit genre voor het groteske waarbij het
vormen en genres imiteert en verwachtingen van de lezers resoluut
omvergooit.  Het parodieert ook de vertrouwde ideeën, beelden en
uitdrukkingen.  Het groteske is ook verantwoordelijk voor de wildste
gespreksronden , het omkeren van het rationele verwachtingspatroon, de  
ongecontroleerde erupties van nonsens in de ogenschijnlijke gewone,
realistische scènes, kortom : het debiteert een bepaalde soort van het
groteske dat gewoonlijk wordt geassocieerd met dromen.
De achterliggende oorzaak van deze fenomenen en specifiek van de voorkeur
van het prozagedicht voor fantasie, mythes en de donkere zijde van de
psyche moet worden gezocht bij de reeds genoemde oorsprong in de
Westerse cultuur.   We citeerden reeds het beruchte werk van Aloysius
Bertrand en Charles Baudelaire.  Historisch gezien onstonden hun werken die
aan basis lagen van het prozagedicht in het midden van de negentiende eeuw.  
Deze periode wordt algemeen beschouwd als zijnde de late Romantische
periode in de cultuurgeschiedenis.  De werken geproduceerd onder de vlag
van de Romantiek grepen in het algemeen gretig terug naar de Middeleeuwen
met zijn ridders en demonen, gemene dwergen en kasteelheren die allen
gewikkeld waren in een eeuwige strijd tussen het goede en het kwade.  De
Romantiekers waren in wezen meer expliciet geïnteresseerd in intuïtie,
vertrouwen, en het wonderbare dan in de attributen van de rede, meer
geboeid door het miraculeuze dan het gewone, meer door het
bovennatuurlijke dan het natuurlijke, meer door de fantasie dan de
werkelijkheid.  


Waardevolle getuigenissen

“Is there even such a genre as prose poetry ?”
Peter Johnson

Zoals reeds vermeld heeft het prozagedicht vooral veel aanhang in de States
waar het intensief beoefend wordt door eminente auteurs.  Enkelen van hen
laten we hier even aan het woord om het fenomeen van dit soort poëzie op
een ludieke wijze uit de doeken te doen.  
Zo schrijft allereerst Charles Simic over het prozagedicht het volgende:
“ Het schrijven van een prozagedicht is een beetje als proberen een vlieg te
vangen in een donkere kamer.  De vlieg is waarschijnlijk niet eens aanwezig in
de kamer, maar huist in jouw hoofd, toch struikelt men over hindernissen en
strompelt men door de kamer in een wilde achtervolging.  Het prozagedicht is
een uitbarsting van taal die volgt op een zich stoten aan een  stuk meubilair.”
Russell Edson een waar monument van de prozapoëzie, van wie recent ook
een bundel
Metamorfosen is verschenen in de digitale boekenserie van Het
Prieeltje Online, schreef in “Portrait of the Writer as a Fat Man”: “ We zijn
niet geïnteresseerd in de gebruikelijke literaire definities, want we hebben
daarvoor niet de wetenschap in petto noch het luisterend oor.  Wij wensen
vrij van verplichting of schuld te schrijven in gelijk welke literaire vorm of
volgens even welk idee; vrij zelfs van onszelf, vrij van al onze
verwachtingen…  Er ligt meer waarheid besloten in de handeling van het
schrijven dan in wat wordt geschreven…Welke naam men geeft of niet geeft
aan zijn of haar werk is veel minder belangrijk dan het werk zelf.”

En nogmaals Charles Simic citerend:
“Het prozagedicht is een 'literaire hybride', een onmogelijk amalgaam van
lyrische poëzie, anekdotiek, sprookje, allegorie, mop, dagboek en vele
andere soorten proza.  Prozagedichten zijn het culinaire equivalent van
boerenmenu’s zoals paella die een grote variëteit van ingrediënten en kruiden
samenbrengen en die op het einde dankzij de kunst van de kok, op een
mysterieuze manier een smaakvol mengsel vormen.  Toch is deze parallel niet
helemaal juist.  Prozapoëzie volgt nooit een recept.  De maaltijden die zij
bereidt zijn steeds onvoorspelbaar en verschillen vaak van gedicht tot
gedicht.”

Ten slotte nog een kort citaat van Frederich Schlegel:
“Elk gedicht is een genre op zich”

Het zal bij wijze van besluit de (alerte) lezers van onze pagina’s zeker niet
ontgaan zijn dat ook onze redactie zich graag aansluit bij bovenstaande
erudiete getuigenissen wat betreft het prozagedicht. Het onlangs
gepubliceerde NetBook van Russell Edson
“Metamorfosen” in onze digitale
boekenserie is daar zeker niet vreemd aan.   Een gedicht in welke vorm ook
geschreven blijft tenslotte een gedicht, d.w.z. etaleert het ongebreideld “elan
van de schepping”.   En wie schepping zegt denkt in eerste instantie aan de
“vrijheid van handelen, van vormen, van boetseren, van veranderen, etc.”  
Het prozagedicht leent naar onze mening zich uitstekend voor de
ongedwongen uiting van deze vrijheid in al haar geledingen.  Klassieke
vormen zoals sonnetten, strenge rijm- en ritmepatronen, mogen nooit een
keurslijf vormen voor de dichter om zijn ongebreidelde fantasie de vrije loop
te laten.  Het gedicht mag nooit een gevangenis, maar wel een uitlaatklep zijn
voor emoties, gewaarwordingen, ervaringen, dromen.  De waarde van een
gedicht taxeren enkel op zijn uiterlijke vorm is een evaluatiefout die vanuit het
standpunt van de kunst een onvergeeflijke daad van misprijzen inhoudt.  
Misprijzen voor de vrijheidslievende geest die elke vorm of patroon naar zijn
hand zet om het onbegrensd scheppingsritueel onbevangen en los van elke
regelgeving zijn gang te laten gaan in de taal.  Laat het proza- of om het even
welk ander gedicht – maar zijn gang gaan.   In dat verband geven we de
eminente Russell Edson graag het laatste woord waar hij zegt dat het
prozagedicht “vliegt als een speelgoedvliegtuig omdat zijn piloot droomt”.
Wie met dit fenomeen nader wil kennismaken kan surfen naar onze centrale
site van Het Prieeltje Online op de URL www.hetprieeltje.net en kan kiezen
voor NetBooks waar onder
nummer 38 een uitgebreide staalkaart van
prozapoëzie van de hand van een van de prominentste vertegenwoordigers
van dit genre te lezen is.

terug naar boven
HET PROZAGEDICHT: een
poging tot verheldering
door Henri Thijs