Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
Francis Picabia: befaamd kunstschilder
en (toevallig) Poëet
Francis Picabia (22 januari 1879 - 30 november 1953) was een Frans kunstschilder.
Hij wordt gezien als één der bedrijvigste wegbereiders naar de moderne kunst toe,
sedert het Impressionisme, in het begin van de 20ste eeuw.  Picabia is geboren en
gestorven in Parijs. Hij was nauwelijks 15 jaar, toen zijn vader het eerste doek van
zijn zoon Une rue aux Martigues instuurde naar het Parijse Salon des Artistes
Français. Het jaar daarop trok Francis naar de Ecole des Arts Décoratiifs, maar het
was in de Ecole du Louvre en in de Académie Humbert dat hij Georges Braque en
Marie Laurencin ontmoette. In 1897 ontdekte hij het Impressionisme van Alfred
Sisley en in 1898 werd zijn enthousiasme nog groter, toen hij kennismaakte met de
familie Camille Pissarro. Het werd het begin van een uitbundig vruchtbare
werkperiode, die 10 jaar lang zou aanhouden en resulteerde in honderden luministisch
gestemde doeken die het publiek verleidden. Een eerste expositie, in 1905, in de
Galerie Haussmann was meteen een triomf. Toch begon Picabia geleidelijk te twijfelen
aan de esthetische waarden, die tot dan zijn successen hadden bepaald. Vooral de
ontmoeting, in 1908, met Gabrielle Buffet, zijn toekomstige vrouw, zou zijn breuk
met het Impressionisme bespoedigen. Hij werd gefascineerd door de Abstracte
Kunst, maar evengoed het Kubisme als het Fauvisme interesseerden hem. Zijn werken
als Caoutchouc en Les Régattes, uit 1909, getuigen hiervan. De voor zijn carrière wel
beslissende ontmoeting was deze met Marcel Duchamp, in 1911, waarbij hij
opgenomen werd in de Puteaux-groep en zich algauw met hem verzette tegen het
analytische Kubisme van Albert Gleizes en Jean Metzinger. Kort daarop, in october
1912, kwam de eerste expositie van de Section d'Or in de Galerie La Boétie. Van
januari tot mei 1913 verbleef Picabia in New York als woordvoerder van de groep op
de bekende Armory Show. Het New Yorkse Armory-succes en de geestdrift in de
Amerikaanse kunstkringen, samen met de stimulans van de Franse dichter-essayist
Guillaume Apollinaire brachten hem, kort voor het uitbreken van de eerste
wereldoorlog, in de roes van het nieuwe Orphisme met inbreng van de bekende
mécanomorfe elementen. Toen de oorlog uitbrak, werd de te Parijs gemobiliseerde
Picabia, in 1915, naar Cuba op missie gestuurd. Het jaar daarop vond hij Marcel
Duchamp en zijn vroegere vrienden terug en werd hij betrokken bij de uitgave van een
avant-garde tijdschrift 291. Een tijd lang legde hij zelfs het penseel opzij en publiceerde
hij de eerste van zijn Cinquante-Deux Miroirs te Barcelona, in 1917.  In maart 1917
ging hij terug naar New York, nu voor een half jaar, en bracht daar zijn nu 391
geworden tijdschrift opnieuwe uit. Alweer met Marcel Duchamp nam hij er deel aan de
eerste Exposition des Indépendants.  Gezondheidsperikelen brachten hem naar
Zwitserland, waar hij in correspondentie kwam met Tristan Zara, de bekende animator
van het Dadaïsme te Zürich. In maart 1919 kwam Picabia terug naar Parijs, gevolgd
door Tzara. Nauwelijks 6 maand later had Dada Parijs overrompeld met
wansmakelijke manifestaties en een zowel artistieke, als literaire, als politieke revolte.
Mécanomorfe werken volgden elkaar op, met onder andere l'Enfant carburateur in
1919, en Pompe à Combustible in 1920. 391 was aan zijn 14de nummer toe, toen
Picabia zich van Dada verwijderde, in mei 1921. In juli van dat jaar publiceerde hij het
nummer Pilhaou-Thibaou, dat een regelrecht anti-Dada-manifest werd. Terzelfdertijd
benaderde hij André Breton, de paus van het Surrealisme.
Dit Surrealisme ging hij ontwikkelen in Mougis vanaf 1924, waar hij tot in 1940 bleef
wonen. Daar ontstaan onder andere zijn Monstres, Relâche en een film
Entr'acte met René Clair. In 1945 kwam hij definitief terug naar Parijs, samen met Olga
Mohler, met wie hij in 1940 was getrouwd. Zijn jongste werken noemde hij
Sur-irréalisme en hij exposeerde ze, in 1946, bij Denise René. In 1949 organiseerde
de Galerie Drouin een belangrijke retrospectieve van zijn werken. De catalogus ervan
was getiteld 491.Ontmoetingen met jongere schilders als Hans Hartung, Pierre
Soulages of
Jean-Michel Atlan bevestigden zijn ultieme liefde voor de Abstracte Kunst. Na 1951
schilderde hij niet meer. (Bron: Wikipedia, de Vrije Encyclopedie.)
Picabia was ook geen onverdienstelijk dichter.  Henri Thijs vertaalde een paar
gedichten van zijn hand.

EEN STAALKAART (-JE) VAN ZIJN GRAFISCH WERK
(Machine tournez-vous, 1912)
(Cinq femmes, 1942)
(The Procession, Seville, 1912)
VIER GEDICHTEN VAN FRANCIS PICABIA

PLEZIER


Plezier beraadslaagt
met zichzelf
en ignoreert
wat achter zijn rug
gebeurt


* * *


INSTINCT

De moraliteit is een
levenswijze weg van anderen voor
anderen


VERSTEEND LEVEN

Wat een versteend leven
leiden wij toch!
maar mijn intentie
is niet om mij
ziek genoeg te voelen
om mij ziek te voelen.

(Uit: “Who knows” )
.

VOOR-  EN ACHTERWAARTS

Ik had eens een vriend, een Zwitser, Hans Bonkers was
zijn naam.  Hij woonde in Peru op twaalfduizend voet hoog.  Hij
was een paar jaar geleden daar naartoe getrokken op ontdekkingstocht en
was bezweken voor de charmes van een vreemde Indiaanse vrouw die
hem totaal uit zijn lood sloeg met een onbeantwoorde liefde.
Beetje bij beetje was hij begonnen weg te kwijnen
tot hij op het einde nog te week was om zijn hut te verlaten.
Een Peruviaanse dokter behandelde hem voor een dementia praecox,
die hem eerder ongeneeslijk toescheen.
Op een nacht brak een plotse griepepidemie uit in het kleine Indiaanse
dorpje, waar Hans Bonkers werd verzorgd.
In het dorpje kreeg iedereen zonder uitzondering de ziekte.  Na een paar
dagen waren al honderd achtenzeventig mensen van de tweehonderd
gestorven.  In paniek haastte zich de Peruviaanse dokter terug naar Lima…
Mijn vriend, besmet zoals al de anderen, lag weg te kwijnen van de koorts.
Nu was het zo dat al de Indianen een of meer honden hadden, die weldra geen andere
keuze meer hadden om te overleven dan hun dode meesters op te
eten.  En zo begonnen ze hun lijken uiteen te rijten.  Een van hen kwam
de hut van Hans Bonkers binnen gelopen met in zijn muil het hoofd van
de vrouw die hij aanbad… Hij herkende het onmiddellijk.  
De schok, denk ik, was zo intens dat hij  terug bij zijn zinnen kwam, en
tevens genas van zijn koorts en zijn waanzin.  Hij nam het hoofd in zijn
handen en begon met vernieuwde ijver ermee te spelen en gooide het door
de kamer waarbij hij de hond aanspoorde het te gaan halen.  Een, twee,
drie keer…  En het dier ging het plichtsbewust iedere keer ophalen waarbij
hij het met de neus tussen zijn tanden hield.  
Maar de derde keer wierp Hans Bonkers het een beetje te hard en het
hoofd sloeg verbrijzeld tegen de muur.  Toen de hersenen eruit rolde,
merkte hij met vreugde dat ze bestonden uit twee, zachte,
ronde hemisferen die er voor heel de wereld uitzagen als
de twee wangen van een stevige kont…

(Uit: Jésus-Christ Rastaquouère)

(geplaatst op 24-03-2004)

terug naar boven