Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
CHARLES OLSON (USA)
HET OBJECTIVISME EN HET PROJECTIEF VERS IN
DE POEZIE VAN CHARLES OLSON
door Henri Thijs

Dichter en essayist Olson Charles, John (27-12-1910/10-01-1970) werd geboren in
Worcester, Massachusetts als zoon van Karl Joseph Olson, een postbode en Mary
Hines.  Hij was een begenadigd student die zijn talent al vlug liet opmerken in de
Klassieke Hogeschool in Worcester; in zijn laatste jaar werd hij derde in het
Welsprekendheidstornooi wat hem een tiendaagse reis naar Europa opleverde waar hij
de Ierse dichter Butler Yeats ontmoette. Van 1928 tot 1932 studeerde hij aan de
Wesleyan-universiteit in Middletown, Connecticut. Gedurende twee jaren was hij
leraar Engels aan de Clarkuniversiteit in Worcester.  In 1936 vatte hij zijn studie aan
van de Amerikaanse beschaving aan de Harvarduniversiteit maar verliet deze dan weer
in 1939 zonder zijn doctoraal proefschrift over Herman Melville te beëindigen.  Een
jaar later ontving hij een eerste Guggenheimerwerkbeurs (de tweede kreeg hij in 1948)
om een boek voor te bereiden over Melville, werk dat hij voltooide in het huis van zijn
moeder in Worcester.  Zoals de meeste knappe geesten van de depressiejaren, voelde
ook Olson zich aangetrokken tot de politiek en de Franklin Rooseveltrevolutie.  Hij
trad toe tot de American Civil Liberties Union in New York in 1940 en werkte zich op
in de rangen van de Democratische Partij en werd assistent-chef van de sectie vreemde
talen van de Office of War Information (OWI).  In 1941 ging hij samenwonen met
Constance Wilcock waaruit later een kind geboren werd. Aan een veelbelovende
politieke carrière kwam abrupt een einde in 1944.  Na de dood van Roosevelt in 1945
trok hij zich kort terug in Key West om zich te wijden aan de poëzie.
Olson bracht wetenschappelijke en historische accenten in het schrijven van poëzie;  hij
weerde de verouderde opvattingen over vorm en lyrische inhoud en bracht elementen
uit de mythologie, psychologie, geografie, vergelijkende beschavingsgeschiedenis en de
methodische analyse van sociale gebeurtenissen in de poëzie.  Na 1950 toen zijn werk
wat meer bekendheid kreeg had men te doen met een meester in de experimentele
traditie waar menig jong dichter naar op keek.Hij trok als auteur vooreerst de aandacht
op zich door de publicatie in 1947 van zijn studie van Melville, “Call me Ishmael”, die
een uitwerking was van zijn oorspronkelijke thesis aan de Harvarduniversiteit en die
een brede kritische analyse bracht van de Amerikaanse cultuur.   De auteur
vereenzelfvigde zich duidelijk met de hoofdpersoon Ismael die voor hem de ideale
observator was, een figuur die meer geïnteresseerd was in het leven rondom hem dan
in hemzelf en die met zijn kritische blik het bestaan benaderde met een onbaatzuchtige
nieuwsgierigheid. In 1949 publiceerde hij een van zijn mooiste gedichten, nl. “The
Kingfishers”, dat thema’s bij elkaar brengt aangaande de Azteekse religie, modern
Mexico, archeologie en wereldgebeurtenissen waarin de dichter duidelijk afstand
neemt van zijn Europese erfenis en de Indiaanse culturen van de Nieuwe Wereld
behartigt.  Het gedicht was duidelijk een uiting van het postmodernisme door een
radicale nieuwe poëtische stijl aan te kleven die de principes van modernisme,
objectivisme en aanverwante stromingen, retraceerbaar in Whitmans poëzie,
voorstond.  Om deze nieuwe methode van schrijven, zoals gebezigd in “The
Kingfischers”, te verklaren publiceerde Olson een manifest getiteld “Projective Verse”
in 1950.  In dit tractaat omschreef hij de hoofdprincipes van zijn “projectieve stijl”.  In
het kort kwam het hierop neer dat de compositieact van de dichter meer plaats ruimt
voor geluid dan voor betekenis bij de constructie van een zin. Het projectief gedicht
nam een uitdeinend karakter aan op de pagina door te proberen de stroom en de
vermenging van woorden in de geest van de dichter te transponeren op papier.  Hij
prees hierbij de schrijfmachine als de ultieme tool die het proces registreerde waarmee
taal kon worden omgevormd tot verbeelding.Een tweede gedeelte van het essay
verkende de attitude die hij “objectivisme” noemde en die doelde op de rol van de
dichter als simpel object temidden van andere objecten in de natuur vereist voor het
schrijven van zulke poëzie. Hierbij verwierp hij categorisch de humanistische neiging
om de menselijke observator te stellen boven de elementen van de hem omringende
natuur als bronnen en instrumenten.  Objectivisme was Olsons begrip voor het neutrale
onderzoek van het leven door de figuur van Ishmael, analyse die hij nu terugvond in de
Azteekse en Mayacultuur, waar menselijke subjecten deel uitmaken van de fauna en
flora van het dagelijkse leven. Trouwens kort na de publicatie van “Projective Verse”,
ging hij op ontdekkingstocht naar het Schiereiland van Yucatan om de Mayatempels en
artefacten te bestuderen.  Brieven naar de dichter Robert Creeley, verzameld in
“Mayan Letters” (1953), brengen verslag uit van zijn studies van de hiërogliefen van de
Mayas die hij begon te vertalen en geven zijn overtuiging weer dat objectivisme is
gebaseerd op de principes van de klankesthetiek.  Zijn studie van de Mayagedachte
volgt de bevindingen van Ezra Pound in verband met de Chinese woordkarakters, en
beide dichters concluderen dat pictografische talen meer aanleunen bij de natuur dan
de meer abstracte en egocentrische talen van het moderne Westen.  Het Westers
humanisme ignoreert de interactie van de natuur door het bewustzijn te reduceren tot
logica.  Voor Pound, William Carlos Williams, de mindere goden van de beweging van
het objectivisme van de jaren ’30, en Olson en postmoderne schrijvers van de jaren ’
50, was de natuur een actief veld van gebeurtenissen die een meervoud van zielen in de
materie uitdrukken.  Deze reanimatie van de natuur als bezield en samenhangend geheel
was de drijfveer van de experimentele poëzie bij het begin van het modernisme in
Olsons tijd.
Vele korte gedichten volgden op de publicatie van Projective Verse, later verzameld in
“In Cold Hell” (1953), “The Distances”(1960), “Archeologist of Morning”(1970) en
“The Collected Poems of Charles Olson”(1987).  Niet alle droegen het merkteken van
de projectieve stijl die het best functioneerde met grote onderwerpen zoals oorlog,
dood, en de aard van de geschiedenis, want de dichter introduceerde ook vele
afzonderlijke themas die hij dan weer samenreeg in een ketting van samengeklonken
percepties. “Human Universe and Other Essays” gepubliceerd in 1965 bracht een
verzameling van Olsons besprekingen, essays en bedenkingen over objectivisme en zijn
animistische wortels in het niet-westers gedachtegoed.
In 1948 verving Olson Edward Dahlberg aan de faculteit van het Black Mountain
College, een innoverende kunstacademie in het rurale Noord-Carolina, waar hij een
staf van uiterst illustere kunstenaars en denkers zoals Buckminster Fuller, choreograaf
Merce Cunningham, schilders Franz Kline en Josef Albers en dichters zoals Robert
Duncan en Robert Creeley kwam vervoegen.  Van 1951 tot aan de opheffing van de
school in 1956 was hij er rector.  Gedurende deze jaren zette hij een literaire stroming
op gang die bekend bleef als de Beweging van de Black Mountain Poetry.  In deze
periode trokken zijn versexperimenten, zijn onderzoekingen van de Mayakunst en
religie en zijn theorieën over de geschiedenis en de mythologie  vele studenten aan en
gaven hem een grote bekendheid bij collega-dichters.  In 1956 scheidde hij van Connie
Wilcock en begon een nieuwe relatie met een Black Mountainstudente, Augusta
Elizabeth “Betty”Kaiser waarmee hij later een kind kreeg.  
Van in de jaren ’40 was Olson intensief bezig met het schrijven van een lang gedicht
genoemd “The Maximum Poems” over de oorsprong van Amerika en zijn lange
culturele achtergrondsgeschiedenis teruggaande tot Mesopotamië.  Hiertoe koos hij als
zijn spreekbuis de rondtrekkende mysticus en schrijver Maximus, die leefde aan de
Fenicische kust in de 4de eeuw na Christus en waarmee hij een parallel trok met zijn
eigen leven aan de Gloucesterkust van Noord-Amerika.  Zoals in vele lange werken
van de twintigste eeuw, hield Olson zich in zijn werkstuk bezig met het heden dat hij
stoffeerde met het erfgoed van de antieke culturele paradigmas zoals daar zijn: mythen,
culturele morfologieën en de archetypische gebeurtenissen die de beschavingen van de
Westerse afkomst bepaalden. Het project ging traag vooruit, maar tegen 1953 was een
groot gedeelte van het eerste volume afgewerkt en een deel ervan gepubliceerd onder
de titel “The Maximus Poems 1-10”.  Een volgend deel “Maximus 11-22” volgde in
1956, en in 1960 voltooide hij het volledige eerste deel en noemde het “The Maximum
Poems”.  Het tweede volume “Maximus IV,V,VI” werd uitgegeven in 1968, maar het
laatste volume “The Maximus Poems: Volume Three”, verscheen pas postuum in 1975
en was een compilatie van publiceerbare manuscripten samengesteld door een
vroegere student van hem George F. Butterick en door een oud collega van de
Universiteit van Connecticut Charles Boer.  Zoals bij zijn voorgangers, Pounds “The
Cantos” en William’s “Patterson”, bleef Olsons epiek onvoltooid bij zijn dood en liet
hij alleen vele aanzetten tot publiceerbare teksten achter.
De Maximusgedichten vertonen een merkwaardige, soms chaotische structuur. De
auteur gebruikt een stijlprocedé dat hij noemt “veldcompositie” d.w.z. hij gebruikt de
bladzijde als een landschap waarin hij het spel van de krachten in de natuur uitbeeldt.  
Hij noemde zijn methode “herbepaling”: door een waterval van woorden, getallen en
kaarten fases voorstellen van de Westerse migraties, de oorsprongen van Gloucester
en de groei en verval van de Amerikaanse cultuur.  De vorm van de geschiedenis is
organisch. Het beeld van de lotus die de structuur van de kosmos weergeeft in de
Hindumythologie duikt op in het gedicht als een bestaansgrond voor het organische van
al de gebeurtenissen. Olson verliet Black Mountain College in 1957 om zijn dichtwerk
verder te zetten in Gloucester.  Van 1963 tot 1965 doceerde hij moderne literatuur aan
de Staatsuniversiteit van New York te Buffalo.  In januari 1964 stierf zijn tweede
vrouw in een auto-ongeluk wat hem erg schokte en sporen naliet in de poëzie van zijn
latere periode.  Het werken aan de Maximuscyclus schoot nu maar moeizaam op in de
laatste jaren van zijn leven, maar zijn reputatie als innovator en denker bleef overeind
ondanks de talrijke kritische controverses die her en der de kop opstaken omtrent
zijn figuur.  Een feit is zeker dat de Amerikaanse literatuur nooit meer hetzelfde was na
hem.  In 1969 werd hij uitgenodigd om te doceren aan de Universiteit van Connecticut,
maar na enkele sessies werd hij getroffen door leverkanker en gedwongen zich terug te
trekken uit die job.  Hij stierf in New York.

Henri Thijs koos en vertaalde twee gedichten van Charles Olson die representatief zijn
voor zijn gehele oeuvre


TWEE GEDICHTEN VAN CHARLES OLSON
vertaald door Henri Thijs

MAXIMUSBRIEF # WAT DAN OOK

Er was eens een man die reisde door de wouden en
die in de verte hoorde het gedreun van stampende voeten
op de grond.  Hij ging op zoek naar de bron van dat
geluid en het duurde ruim een week voor hij erachter
kwam.  Het ging om een man en vrouw die dansten
rond een boom waarin een wasbeer was gekropen.
Door hun aanhoudend stampen hadden zij een
geul gegraven in de grond waarin zij tot aan
hun middel zakten.  Toen de man hen vroeg naar
de reden van dat vertoon, antwoordden ze dat ze
hongerig waren en probeerden door hun dans de
boom te doen omvallen om aldus de wasbeer te
kunnen vangen.

De man vertelde hun dat er nog een andere, betere
manier bestond om de boom te vellen, en hij toonde
hun hoe dat te doen.  Maar in ruil hiervoor eiste hij
de huid op van de wasbeer en kregen zij het vlees.
En zo gebeurde het en weg waren ze.

Op een andere plaats in het woud kwam hij een
andere man tegen die zijn huis op zijn hoofd droeg.
Hij voelde zich aanvankelijk niet op zijn gemak
bij die aanblik, maar de man zette het huis op
de grond en schudde hem de hand.  En terwijl
zij samen rookten en praatten, zag de man het
wasbeervel en vroeg waar hij dat vandaan had.
Hij vertelde hem alles over het dansende koppel.

Dat was blijkbaar genoeg om de andere op weg
te zetten, want hij bood hem van alles aan voor
de huid en offreerde hem tenslotte zelfs het huis.
Dat vond de eerste wel interessant zeker nadat
hij geconstateerd had dat het huis zoveel kamers
bevatte die alle goed gemeubileerd waren.  Maar,
merkte hij op, ik zal dat huis nooit kunnen dragen
zoals jij doet.  Jawel, zei de man, probeer het maar
gewoon en inderdaad hij ondervond dat hij het
kon daar het blijkbaar zo licht woog als een pluim.
Aldus vertrok hij met het huis op zijn hoofd tot
de nacht viel en hij aankwam bij een houten
richel vlakbij een heldere waterbron waar hij
besloot het huis neer te zetten.  Binnen stond
er een groot bed bedekt met een wit berenvel
en het was zeer zacht en uitgeput viel hij in
een diepe slaap.  ’s Ochtends zag het er nog
beter uit voor hem.  Aan de balken in het huis
hingen stukken hertenvlees, hammen, eenden,
manden met bessen en ahornsuiker, en toen hij
ernaar reikte, begon het vloerkleed zelf te smelten
in witte sneeuw en zijn armen veranderden in
vleugels en hij vloog op naar het voedsel en
het waren berkenbogen waaraan het hing en
hij was een patrijs en het was lente.


“DE IJSVOGELVISSERS”, Deel 1, Sectie 4

Niet een dode maar vele,
geen accumulatie maar verandering, de feed-back verifieert, de feed-back
is
de wet
In dezelfde rivier stapt geen man twee keer
Als het vuur sterft sterft de lucht
Niemand blijft over, noch is, iemand

Rond een verschijnsel, een gemeenschappelijk patroon, telen wij
er vele.  Anders hoe is het,
als we hetzelfde blijven
beleven we nu plezier
aan wat ons niet plezierde in het verleden?  kunnen we van
tegenstrijdige voorwerpen houden? bewonderen en/of  schuld vinden? andere
woorden gebruiken, andere passies hebben, noch
figuur, voorkomen, beschikking, hetzelfde
weefsel hebben?

Zich in verschillende staten bevinden zonder een verandering
is geen optie

Wij kunnen precies zijn.  De factoren zijn
in het dier en/of de machine de factoren zijn
communicaties en /of controle, beide betrekken
de boodschap erbij.  En wat is de boodschap?  De boodschap
is een discrete of doorlopende sequentie van meetbare gebeurtenissen verdeeld
in de tijd

is de geboorte van lucht, is
de geboorte van water, is
een toestand tussen
de oorsprong en
het einde, tussen
geboorte en het begin van
een ander stinkend nest
is verandering, biedt
niets meer dan zichzelf aan

En de te hevige greep erop
door ze samen te persen en te condenseren,
doet haar verliezen
Dit echte wezen dat jij bent

terug naar boven