Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
DE “DOE DIT EN DOE DAT- GEDICHTEN” VAN FRANK
O’HARA (1926-1966) door Henri Thijs
Frank O’hara werd op 27 maart 1926 geboren als Francis Russell O’Hara in
Baltimore, Maryland als zoon van Russell Joseph O’Hara en Katherine Broderick,
beiden stammend uit strenge Iers-Katholieke families. Pikant detail: de auteur
verkeerde in de waan dat hij op 27 juni 1926 was geboren, maar zijn ouders logen
blijkbaar over zijn exacte geboortedatum om het feit dat hij voor het huwelijk
verwekt was te verzwijgen.
In juni 1944, kort na zijn middelbare schoolopleiding, werd hij opgeroepen om te
dienen bij de zeemacht. Hij zwaaide af in 1946 en studeerde dan verder
“vergelijkende literatuurwetenschap” aan de Universiteit van Michigan, waar hij
zijn M.A. bekwam in 1951.
Daarna verhuisde hij naar New York om zijn vriend-dichter John Ashbery te
vervoegen die hij had ontmoet in Harvard. Met de inkomsten van zijn eerste prijs,
de “Avery Hopwood Majar Award voor Poëzie” die hij had bekomen voor zijn
dichtbundel “A Byzantine Place” en het toneelspel “Try!Try!”, begon hij zich
onledig te houden met het schrijven van poëzie en het verkennen van zijn geliefde
stad. Hier voelde hij zich eindelijk vrij om openlijk te leven als een homoseksueel
en om zijn belangstelling voor de kunsten bot te vieren. Hij werkte korte tijd als
assistent bij de fotograaf Cecil Beaton en keek uit naar een vaste betrekking die
hem kon toelaten zich meer in te laten met het schrijven. In december 1951 vond
hij zo’n job en werkte hij als loketbediende aan het Museum van Moderne Kunst.
Daar schreef hij vaak gedichten tijdens de werkuren. In 1953 begon hij artikels
te schrijven voor Art News en werd hij kort daarna ook assistent-uitgever.
De stroming van het abstract expressionisme kende onder impuls van belangrijke
vertegenwoordigers zoals Willem de Kooning, Franz Kline en Jackson Pollak een
grote bloei in New York in die tijd. En O’Hara, samen met zijn vrienden John
Ashbery en Kenneth Kock, trad toe tot deze beweging. In 1952 publiceerde hij
“A City Winter and other Poems”, een bundel van dertien gedichten geïllustreerd
met twee tekeningen van Larry Rivers. Deze bundel was de eerste in een reeks
van geïllustreerde poëziebundels gepubliceerd door de Kunstgalerij Tibor Nagy.
De eerste bundel van O’Hara die een zekere mate van erkenning kreeg was
“Meditations in an Emergency” van 1957. Alhoewel de eerste recensies niet
onverhoopt enthousiast klonken werd dit werk toch een mijlpaal in zijn oeuvre dat
heel zijn verder leven als dichter zou typeren. In 1960 publiceerde hij twee
bundels nl. “Second Avenue” en “Odes”. Wat hem echter het meest bekendheid
opleverde was de publicatie in 1960 van Donals Allens bloemlezing “The New
American Poetry: 1945-1960” waarin de dichters werden geclassificeerd in
scholen zoals de New York School, de Beatgeneratie, de Renaissance van San
Francisco en Black Mountain. O’Hara werd hierbij ondergebracht bij de New
York School en dit met maar liefst 15 gedichten. Nog twee andere bundels zagen
het licht gedurende zijn leven, nl. “Lunch Poems” (1964), en “Love Poems
(Tentative Title)” (1965). De dichter van de “doe dit en doe dat”-gedichten, zoals
hij algemeen werd bestempeld, is geen lang leven beschoren. In 1966 stierf hij
aan de gevolgen van verwondingen opgelopen bij een aanrijding op het strand van
Fire Island, op Long Island, New York.
*
O’Hara trachtte in zijn poëzie de nabijheid van het leven te vatten omdat hij van
oordeel was dat poëzie “ hoorde te gedijen tussen de mensen in plaats van op
papier”. Hij werd geïnspireerd en tot schrijven aangezet door New York- stad
zoals andere dichters werden geïnspireerd door de natuur. In “Meditations”
schreef hij “ Ik kan niet genieten van een grashalm tenzij ik weet dat er een metro
in de buurt is, of een muziekwinkel of gelijk welk ander teken dat aangeeft dat
mensen het leven niet geheel betreuren”. Eigenlijk achtte hij een gans arsenaal van
alledaagse gebeurtenissen geschikt om te worden opgenomen in een gedicht: het
dagelijkse leven in Manhattan, de jazzmuziek, telefoongesprekken van vrienden,
filmsterren uit de jaren ’20 en ’30, enz. De taal die hij hierbij gebruikt is in het
geheel niet poëtisch, laat staan academisch, maar wel zeer nonchalant, ontspannen
en gelinieerd op het dagelijkse gesprek. Daarom worden veel van zijn gedichten
getaxeerd als zijnde “Ik doe dit, ik doe dat”-gedichten omdat zij in feite uiting
geven aan een hele reeks ervaringsrituelen die ten tonele gevoerd worden met een
zin voor zorgvuldige precisie. Daarbij treedt het fenomeen op van contrast en
onderlinge beïnvloeding van begrippen netjes met woorden in kaart gebracht - een
sleutelconcept van het abstract expressionisme – en tot leven gebracht in een
schijnbaar ordeloos en toevallig gedicht. Zijn gedichten lijken bij nadere lezing
effectief in elkaar over te lopen als de kleuren van een schilder op het doek en
tonen hierbij het complexe scala van O’Hara’s karakter dat afwisselend vrolijk,
humeurig, onbegrijpelijk, vervelend, respectvol is. Zij zijn vooral ontwapenend
door hun directheid en veroorzaken een stroom van emoties die zijn uitbundige
ironie en speelsheid weten te overstijgen en aan zijn stem een specifieke
authenticiteit geven en een universaliteit gebouwd op de onbeperkte en haast
volmaakte toegankelijkheid: een kwaliteit die vele hedendaagse gedichten helaas
onherroepelijk hebben verloren.
VIER GEDICHTEN VAN FRANK O’HARA
vertaald door Henri Thijs
AAN MIJN DODE VADER
Roep niet op mij vader,
waar je ook bent ik ben
nog altijd jouw kleine zoon
die loopt in het duister.
Ik kon niet doen wat je zei.
zelfs als ik je kon horen
jouw rozen groeien niet meer
Mijn hart is even zwart als hun
bed hun tere doornen
zijn storende stoppels
op mijn gezicht geworden
jij moet niet denken aan bloemen
En maak mijn blauwe ogen
niet bang met hazelaarsvlekken
of verdik mijn lippen niet als
ik in mijn spiegel kijk vraag
mij niet iemand anders te zijn
dan jouw vreemde zoon die
kleine mirakels begrijpt niet de dood
vader ik ben levend! vader
vergeef de rozen en mij.
(TO MY DEAD FATHER)
JANE ONTWAAKT
De opalen die jouw oogleden
verbergen als je slaapt, als je in het geheim
paarden berijdt, springen open
als de blauwe bloemen van de herfst
om negen uur stipt. En krullen
vallen langoureus op de geeuwende
rubberen band, geelbruin,
jouw hand die de hele
denderende zwarte slaap perst
in de rustige vorm van het daglicht
en zijn zonnig misprijzen voor
de verlichte krulversieringen, oh!
en de ontluikende walsen
waarin we onderdoken in nachten,
Voor de dageraad, brul jij met
je ogen gesloten, niet lachend,
verbergt jouw vulkanisch vlees
alles voor de bewaker,
en flarden van dromen
wurgen politieagenten die te traag
voorbijsluipen om jou te ontlopen,
de razende duizelingwekkende golven
van jouw murmelende nood. Maar
hij is de heilige bewaker van de dag
die politieagent, en leunend
tegen het open raam vraag jij
hem wat aan te doen en hoe je
haar bescheiden te kammen,
want dat is nu jouw manier.
Slechts door bij toeval te huppelen op de trap
herhaal je de dans, en
dan, in de volmaakte verscheidenheid
van ondergedompelde, nauwkeurig vermomde,
witzwarte roosblauwe saffraan
en een gouden ambiance, vinden wij
de nachtelijke wilde in trance.
(JANE AWAKE)
EEN EERLIJK VERSLAG OVER EEN GESPREK MET DE ZON OP FIRE
ISLAND
De zon wekte mij deze morgen luid
en helder, zeggend: “ Hey! Ik heb
vijftien minuten lang geprobeerd
je wakker te maken. Wees niet zo
onbeleefd, je bent slechts de tweede
poëet die ik heb uitgekozen om
persoonlijk te spreken
waarom
ben jij dan niet aandachtiger? Als ik je
kon verbranden door het raam, zou ik
het doen om je te wekken. Ik kan hier
niet de hele dag blijven rondhangen.”
“Sorry, zon, ik bleef
vorige nacht laat op praten met Hal.”
“ Toen ik Majakovsky wekte was die
veel stipter dan jij” zei de Zon
kregelig. “De meeste mensen zijn
al vroeg op om te zien of ik ga
verschijnen”.
Ik probeerde
mij te verontschuldigen “ Ik miste je gisteren”.
“Dat is beter” zei hij. “ Ik wist niet
dat je zou opkomen”. “ Je zou je kunnen afvragen waarom ik zo kortbij je kom?”
“Ja” zei ik terwijl ik het begon heet te krijgen
en mij afvroeg of hij misschien van plan was
mij echt te verbranden.
“Eerlijk gezegd, wou ik je zeggen
dat ik van je poëzie hou. Ik zie er heel wat op
mijn rondjes en die van jou is oké. Je bent
misschien
niet het grootste ding op aarde, maar je
bent anders. Nu, heb ik gehoord dat sommigen
beweren dat je gek bent, en andere gekke dichters
denken dat je een vervelende reactionair bent. Ik niet.
Ga gewoon verder
zoals ik doe en geef er niet om. Je zult zien
dat sommige mensen altijd te klagen hebben over de atmosfeer,
ofwel te heet
of te koud te helder of te donker, dagen
te lang of te kort.
Als je helemaal niet opdaagt
op een dag denken ze dat je lui of dood bent. Doe dus maar door. Ik hou ervan.
En maak je geen zorgen over je nageslacht
hetzij poëtisch of natuurlijk. De Zon schijnt op
de jungle, weet je, op de toendra
de zee, de getto. Waar je ook
waart
ik wist het en zag je gaan. Ik was
er om voor jou te werken.
En nu dat
je om zo te zeggen je eigen dagen schept,
zelfs als niemand je leest behalve ik
moet je niet gedeprimeerd raken. Niet
iedereen kan omhoog kijken, zelfs naar mij niet. Het
doet pijn aan hun ogen”
“O Zon, ik ben je zo dankbaar!”
“ Dank je en denk eraan dat ik blijf kijken.
Het is
gemakkelijker voor mij jou hier te
spreken. Ik hoef niet neer te strijken
tussen gebouwen om me te laten horen.
Ik weet dat je houdt van Manhattan, maar
je zou wat meer naar boven moeten kijken.
En
altijd de dingen omarmen, mensen aarde
hemel sterren, zoals ik doe, vrij en met
de gepaste zin voor ruimte. Dat is
jouw roeping, gekend in de
hemelen
en je zou die moeten volgen tot in de hel,
als het moet, alhoewel ik daaraan twijfel.
Misschien
spreken we elkaar terug in Afrika, waar ik
ook veel van hou. Ga terug slapen
nu
Frank, en ik zal een klein gedicht
achterlaten in die hersenen van jou als mijn vaarwel.”
“Zon, ga niet” Ik was nu toch
wakker. “Neen, gaan moet ik, zij roepen mij.”
“Wie zijn ze?”
Opstijgend zei hij:” Op een
dag zul je het weten. Zij roepen ook op jou.”
Donker steeg hij op en dan viel ik in slaap.
(A TRUE ACCOUNT OF TALKING TO THE SUN AT FIRE ISLAND)
WAAROM IK GEEN SCHILDER BEN
Ik ben geen schilder, ik ben een dichter.
Waarom? Ik denk dat ik liever een
schilder was, maar ik ben het niet. Neem
bij voorbeeld Mike Goldberg
die een schilderij begint. Ik kom even binnen.
“Ga zitten en drink iets” zegt hij. Ik drink iets;
wij drinken iets, ik kijk op.
“Je hebt SARDINES geschilderd.”
“Ja, iets moest ik schilderen”.
“Oh”. Ik ga weg en de dagen gaan voorbij
en ik kom terug even langs. Het schilderij
is af. “Waar zijn de SARDINES gebleven?”
Alles wat overblijft zijn enkel
letters”. “Ze waren er te veel,” zegt Mike.
Neem nu mijzelf? Op een dag denk ik aan
een kleur: oranje. Ik schrijf een regel
over oranje. Dat wordt weldra een ganse
pagina met woorden, geen regels.
Daarna weer een pagina. Er zou nog
zoveel bij moeten komen, niet over oranje, over
woorden, over hoe vreselijk oranje wel is
en het leven. Dagen gaan voorbij. Zelfs in
proza ben ik een echte dichter. Mijn gedicht
is af en ik heb oranje zelfs niet eens vermeld.
Er ontstaan twaalf gedichten die ik ORANJES
noem. En op een keer zie ik in een galerij
Mike’s schilderijen SARDINES geheten.
(WHY I AM NOT A PAINTER)
terug naar boven
