Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
Lorine Niedecker (1903-1970)
|
DE "SPAARZAME" TAAL VAN LORINE NIEDECKER
door Henri Thijs
Lorine Niedecker bracht het grootste deel van haar leven door in een afgelegen
gebied van Wisconsin (USA) op het Black Hawkeiland bij de turbulente Rockrivier
en in de schaduw van Fort Atkinson. Haar vader kwam aan de kost door de vangst
van karpers in het Koshkonongmeer en het uitbaten van een bar. Zij liep school aan
het Beloit College gedurende twee jaar (1922-24), maar als haar moeder bijna
totaal doof wordt keert zij terug naar huis om te helpen in het huishouden. Een kort
huwelijk met een jongen uit het dorp loopt verkeerd af en eindigt weldra in
echtscheiding. In februari 1931 kwam zij in contact met Zukofsky’s tijdschrift
“Objectivist Issue of Poetry Magazine” waarnaar zij haar meest recente gedichten
begon op te sturen en te publiceren. Aldus werd zij willens nillens geïntroduceerd
bij de zgn. “School van de Objectivisten” van o.m.Virginia Woolf, Katherine
Mansfield, Erza Pound, T.S. Eliot, Wallace Steens, alhoewel zijzelf zich nooit
volledig kon identificeren met deze stroming. Daarvoor was haar poëzie té
surrealistisch en abstract. Wat zij bewonderde in het objectivisme was de
aandacht die deze beweging opbracht voor de niet-referentiële, materiële
eigenschap van de woorden die elke sentimentaliteit resoluut uit de weg gaat.
Niedecker streefde in essentie naar abstractie en probeerde met haar taal de
verschillende lagen van het bewustzijn te exploreren. Zij en Zukofsky
debattteerden van dan af in wekelijkse brieven over poëtische strategieën
gedurende meer dan dertig jaren. (De neerslag hiervan is terug te vinden in druk in
“Niedecker and the Correspondence with Zukofsky 1931-1970” ) Zukofsky waarmee
zij zelfs een kortstondige maar intense relatie had in New York bleef haar mentor
tot aan haar dood. Zij werkte ook als bediende in een openbare bibliotheek en
daarna in een radiostation en van 1944 tot in 1950 als tekstcorrector voor Hoard’s
Dairman, een job die haar moeilijk begon te vallen door het slechte zicht van haar
ogen. In 1951 stief haar dove en blinde moeder en haar vader onderging hetzelfde
lot drie jaren later en liet haar twee huizen achter en zeer weinig geld. Van 1957
tot in 1962 was zij als kuisvrouw tewerkgesteld in het Fort Atkinson Memorial
Hospitaal. In 1963, op de leeftijd van negenenvijftig jaar huwde zij met Albert
Millen, een man die geen flauw idee had van haar schrijfkunst en die het grootste
deel van de dag doorbracht in een lokaal café. Maar hij nam haar ook mee op reis
naar Zuid-Dakota en Lake Superior en scheen blijkbaar de juiste partner te zijn
voor haar in dat stadium van haar leven. Zij zocht zich immers te ontdoen van de
zware huisarbeid en wou meer tijd besteden aan het schrijven van gedichten. In de
laatste twee jaren van haar leven werden haar twee belangrijkste gedichtenbundels
uitgebracht. De eerste “T&G: The Collected Poems (1936–1966)”, voorbereid in
1965 and gepubliceerd in 1969, en de tweede: “My Life by Water: Collected Poems
1936–1968”, een uitgebreide versie voorbereid in 1968 en gepubliceerd in 1970,
het jaar waarin zij een beroerte kreeg en stierf.
Niedeckers gedichten kregen niet de aandacht die zij verdienden. Gedeeltelijk is
dit het resultaat van haar geografische en culturele isolatie waar zijzelf van nature
uit voor koos. Vele familieleden en kennissen waren nauwelijks op de hoogte van
haar schrijfkunst. Haar eerste bundel “New Goose” verscheen in 1946 bij een
kleine uitgeverij en haar tweede bundel “My Friend Tree” in 1962 in Engeland. Zij
schreef meestal over de wereld rondom haar met nadruk op haar omgeving, het
Blackhawk Eiland, over buren en familie, de geschiedenis en de lokale fauna en
flora. In 1968 publiceede zij North Central. Omwille van haar sobere en levendige
verbeelding en “spaarzame” taal waarin geen woord te veel wordt gebruikt, werd zij
vaak vergeleken met dichters zoals William Carlos Williams en de vroege Chinese en
Japanse dichters.
VIER GEDICHTEN VAN LORINE NIEDECKER
vertaald door Henri Thijs
Het wilde en winderige feit
chintz nu aan het raam
was revolutie…
Adams
aan Mej. Abigail Smith:
Je hebt gebreken
Je laat je hoofd hangen
als een bies
je leest, je schrijft, je denkt na
maar ik drink Madeira
op jou
en jij kruist je Benen
als je gaat zitten
(Later:)
Hoe is het met de kinderen?
Bij gevaar ren naar de bossen.
Evergreen o evergreen
hoe trouw zijn jouw bladeren.
* * *
Sommigen vloeien weg op chocoladerepen
en sommigen op drank
Argeloos, gelukkig, zacht van hart
Deze fles kan een
nieuw ras uitbroeden
geen oorlog
en laat vogels leven
Ikzelf, ik grijp mijn smeltende container
de nacht dat ik de wilde natte rat
hoorde, de muskusrat
maalt zijn kikkers en muizen
aan de andere zijde van een dunne deur
in de vloed.
* * *
Hoe afschuwelijk ’s nachts te ontwaken
en in de duisternis het licht te smaken.
Tijd doet verbleken
Muggen steken
Aan niets heb ik mijn leven verspild.
De gedachte die steekt. Hoe is het met jou, Niets,
rondhangend met Iemands vrouw.
In Brommen en branden
zet ik al mijn tanden
Aan niets heb ik mijn leven verspild.
Verpakt en opgevuld, puffend en bleek
versas ik de huishoudspullen in de beek—
schotels, tapijten,
stoelen, mijten
Aan niets heb ik mijn leven verspild.
* * *
Pijn beweegt in brede golven,
hij gaat voorbij, laat ons met rust.
Hij gebruikt ons, wij gebruiken hem,
hij is blind terwijl wij zien
Bewustzijn is onbegrensbaar,
te goed om op te geven
ofschoon wat wij voelen miserie is
en bij ons weten zal breken.
(geplaatst op 28-03-2004)
terug naar boven
