Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
MEDBH McGUCKIAN (Ierse Poëzie)
|
“IK BEN EEN DICHTER VAN EMOTIES EN SPREEK DE TAAL
VAN HET WOUD” door Henri Thijs
De in 1950 in Belfast geboren Ierse dichteres Medbh McGuckian studeerde aan de Queen’s
University in Belfast en doceert momenteel Engels in haar geboortestad. Ze begon pas op
ernstige wijze poëzie te schrijven vanaf 1979. Sindsdien heeft zij ettelijke prijzen gewonnen en
werd haar werk met de regelmaat van een klok vertaald in tal van vreemde talen. Zij mag
trouwens worden beschouwd als een van de eerste vrouwelijke dichters die in staat is geweest
het mannelijk monopolie in de Ierse dichtkunst te doorbreken, wat op zich al in dit land van
tradities gebakken in “het eeuwige en dwingende verleden” een prestatie van formaat is. Tot voor
kort was zij bovendien de enige vrouwelijke dichteres, samen met Nuala Ni Dhomnail, die
uitsluitend schreef in het Gaelic. Met deze laatste dichteres heeft zij trouwens de eigenschap
gemeen dat zij schrijft voor een select publiek niet in het minst door het mysterieuze karakter van
haar teksten.
De dichteres weigert koppig, zoals vele dichters van haar generatie, elke verwantschap met de
zgn. “Ulster groep” of enige andere categorie van die aard. Daarnaast geeft zij toe dat haar
materiaal praktisch uitsluitend is samengesteld vanuit een feministisch oogpunt en dat haar poëzie
bezwaarlijk kan gerekend worden tot de “publieke kunst”. Toch moet gezegd worden dat in
contradictie met dit standpunt haar thema’s op het eerste gezicht nogal erg tradionalistisch
overkomen als daar zijn: huwelijk, vruchtbaarheid, zwangerschap, geboorte, vrouwelijke
sexualiteit en identiteit.
Haar stijl is dan weer van een gans andere orde. Die wordt getypeerd door een intensief
persoonlijk mysticisme en een symboliek waarvan men ook sporen terugvindt bij een Emily
Dickinson en Silvia Plath. Nooit zal men rijm en rede aantreffen in haar poëzie. Haar uiterst
persoonlijke gesprekssymbolen en figuren zijn haar belangrijkste bron en zij weigert steevast
boute princiepsverklaringen te debiteren. Zelf zegt zij het aldus: “ Ik verken enkel mijn innerlijke
wereld. Ik ben een dichter van de emotie, en een dichter van geestesgesteltenissen en interne
drama’s. Ik refereer nooit naar iets modern.“
Vooral het specifiek idiomatisch gebruik van de taal is wat haar typeert, misschien nog meer dan
elk ander kenmerk van haar poëzie.
Haar twee eerste publicaties nl. “Portraits of Johanna” & “The Flower Master” (1980) moeten
worden gezien als haar manier om het eigen karakter te ontleden. Ze zijn ook een uitgesproken
reactie op de mannelijke “Katholieke” schrijvers als daar zijn Seamus Heany en John Montague
die de vrouwelijke Ierse identiteit opriepen vanuit het perspectief van de
vruchtbaarheidsgodinnen, de moeras-cultuur en de aardse sexuele geaardheid, maar niettemin
ook in sommige van hun werken de vrouwen beschreven als passieve figuren eerder dan als reële
personages. In “Venus and the Rain” (1984) doet haar exploratie van de vrouwelijke identiteit en
sexualiteit het beeld oproepen van zandkorrels in de wind vermits verscheidene samenhangende
gedichten op elkaar inwerken en tevens voortborduren op oudere thema’s. De dichteres vind het
gros van haar inspiratie ook terug in haar eigen ervaringen met depressie. Zij leveren haar niet
alleen de materiële bronnen maar zijn tevens wegwijzers naar gedragscodes nodig bij
crisissituaties. De gedichten worden dan geijkte patronen waaruit zij – en wellicht ook andere
vrouwen – een soort therapeutische kracht kunnen putten. Verschillende gedichten uit “The
Flower Master” bij voorbeeld bevatten virtuele recepten voor scheef gelopen levenssituaties,
terwijl de sexuele symboliek van “Venus and the Rain” metamorfiseert in een duidelijk
therapeutisch concept.
De standaard stijltechniek gebezigd door McGuckian doet veelvuldig beroep op botanische en
zelfs bij gelegenheid zoölogische begrippen. Ze is beslist geen natuurschrijfster zoals John Hewitt
of Seamus Heany, maar haar donkere natuursymboliek fungeert a.h.w. als de sleutel tot het
complex gegeven van haar emotie. In “The seed-picture” bij voorbeeld wordt de botanica
gebruikt om drie soorten vrouwen te beschrijven. De kinderen vooreerst die ten tonele worden
gevoerd als de “de mooie zaadjes” en “de nieuwe spectra van activiteit en leven”, terwijl de
volwassen vrouwen worden beschreven als “schimmels op muren” en “dode bloemkoppen
waarop insecten huizen”, om ten slotte te belanden bij de grootmoeder die de natuurlijke focus is
van de familie, maar vooral wordt beschouwd als een symbool van de onvervulde vrouwelijke
levens. Finaal luidt het als een symbiose in het volgende vers : “ saaiheid die grijpt het licht, is het
die vrouwen hun leeftijd doet ervaren en zuchten naar bevrijding”.
Het moet gezegd dat deze auteur meer openlijk en uitgebreider schrijft over sexualiteit dan
gebruikelijk is in de Ierse poëzie. De bundel “The Flower Master” handelt hoofdzakelijk over de
afstand tussen de seksgenoten, terwijl in “Venus and the Rain” duidelijk wezenlijke interacties
plaatsgrijpen en symbolisch worden beschreven.
Alhoewel tenslotte de schrijfster openlijk en resoluut afstand neemt van de zgn. “Ierse identiteit”
waaraan velen van haar tijdgenoten “lijden”, en die betrokkenheid in sommige van haar verzen
laconisch afwijst daar waar ze stelt: “Ireland/ So like Italy Italians came to film it” , kan ze er toch
niet geheel aan ontsnappen. Ook de Ierse “Troubles” zullen op de een of andere manier haar
poëzie, zij het onrechtstreeks infiltreren, al toont zij samen met anderen een grote aversie om op
een al te directe wijze geëngageerd te zijn. Deze vorm van “schizofrenie” is trouwens een
belangrijke bron van inspiratie in haar poëzie en is het laatste kenmerk dat we willen aanhalen.
Natuurlijk weigert ze categoriek, zoals alweer de meeste dichters van haar generatie, er direct
over te schrijven omdat geweld en godsdiensttribulaties haar poëzie terecht zouden kunnen
overwoekeren en verstikken. Maar dat ze met de godsdiensttwisten intrinsiek te maken heeft,
alhoewel ze ze verwerpt als belachelijke anachronismen van deze tijd, blijkt uit een van haar
interviews waar zij stelt: “ Poëzie is anachronistisch … poëzie is de enige religie. Ze is religie,
weet je, omdat de religies zo corrupt en hypocriet zijn, wenden wij ons tot poëzie, omdat we een
God nodig hebben, en wij het nodig hebben ons te uiten. Poëzie is een soort gebed. Ik zeg nu
niet dat we vroom moeten zijn of preuts, maar ik denk dat het veel te maken heeft met een
mistevredenheid over de vormen die ons worden aangeboden.”
Henri Thijs koos en vertaalde twee gedichten van McGuckian uit de verzameling: “The Penguin
Book of Contemporary British Poetry, edited by Blake Morrison and Andrew Motion” London
1988.
TWEE GEDICHTEN VAN Medbh MCGUCKIAN
HET HOLLYWOOD-BED
We verkleinen ons het huis, de kamer, het bed in,
Waar slaap zijn attributen openvouwt. Je zet
Je masker op, je geleerd schudden met het hoofd,
Blank als schrijfpapier in de je maagdelijke
Omslag van kleren, terwijl ik dwarslig,
Koninklijk als een bevoorrecht kind,
Gekalmeerd door sagen over hoe we als lepels lagen
In een lade, tot jij mijn gesloten knop
Openblies evenals mijn volledig dichtgeknoopte
Kamerjas als een of andere Columbus die de
Zaagtanden van de golven bedwingt,
De rijen letters 'm,s'
Nu is het hoofdeinde omgewoeld
Door je ongemakkelijke tegendraadsheid, je
Handen die als koppige bijwoorden je gezicht
Bezoeken, of je schouder in het pikante van
Je dromen,
Met de grensregel dat als jij waart vertrokken
Ik in jouw plaats zou worden gevonden.
* * *
VERSPREKINGEN
De bestudeerde armoede van een maandak,
Het aardewerk van dagboeken gekoeld door
Appelbomen,
De appelboom die de witste was ...
Maar ik vergeet namen, onthoud ze verkeerd
Wanneer ze grenzen aan een andere naam,
Een stad in Frankrijk zoals de familienaam
Van een vrouw.
Mijn jeugd wordt bewaard als de geschiedenis van
Een natie.
Mijn lievelingssprookjes als de schelpen van de
Koningskrab.
Ik zie mijn grootmoeders dood als een stuk ijs,
Mijn moeders slib teruggebracht naar haar,
Mijn eigen sleutel in het slot van jouw deur -
Kneepjes vermoedelijk ontstaan door deze geopende
Knoop,
Een zoekgeraakte pen, een foutief gelezen woord,
Mijn haar dat uitvalt in het midden van een
Gesprek.
terug naar boven
