Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
GEDICHTEN VAN MAX WINTER
        (N.-Amerikaanse Poëzie)
keuze en vertaling: Henri Thijs
De gedichten van Max Winter (°1970) zijn onvoorspelbaar.  Zij klinken alsof ze
worden geleid door een vanzelfsprekende logica die de lezer bij het lezen regel na regel
op het verkeerde been zet en brengt naar onbekende en onverwachte werelden.  Zij
muteren a.h.w. naadloos en worden overspoeld door de metafoor.  Krachtige
statements vloeien over in elkander en wijzigen constant de regels van hun spel.  Dit
brengt een lezer ertoe zich vragen te stellen in de zin van: Is hier niet een complete gek
aan het woord?  Maar nee, bij nader onderzoek blijkt alras hoe het redeneringsproces
zich ontvouwt en idee na idee zich aandient als een ontsnappingscode uit het keurslijf
van het alledaagse.  Het zijn gedichten die een groot avontuur en een ontdekkingstocht
weerspiegelen niet alleen voor de lezer als derde persoon maar ook en niet in het minst
voor de auteur zelf.  Henri Thijs vertaalde drie gedichten van deze hedendaagse
Amerikaanse prozadichter.  


DRIE GEDICHTEN VAN MAX WINTER

LOFPRIJZING

Ik kon dingen eens ignoreren.  Maar.  Zij houdt van haar achtervolger als een
komeet houdt van een lens.  Zij kijkt naar mij alsof ik een mijlpaal was.  Zij wil
weten wat ik zelf niet weet.  Als ik kon bewegen, zou ik het verklaren.  Maar
de laatste keer dat ik nog bewoog was toen ik was gemaakt.  Ik liet mijn maker
deze preutse positie kiezen.  Omdat ik zou gaan sterven binnen uren, deed de
manier waarop ik ze beleefde niet meer terzake.  De consumerende ©-eters
kunnen niet vatten dat een verschuiving in de zetel het teken is van een koning.  
Ik verlang naar om het even wat dat lijkt op leven.  Ik zou willen rennen en de
grote kandelaar dimmen.  Het juiste gebaar op het gepaste moment zou de
viering kunnen onderbreken of beëindigen.  De gasten konden naar huis trekken
door de hand geschudde hemel.   Sluip in mijn blinde plek, sluip in de foyer,
maar lach nog niet.  Plaats een hand op mijn haarlijn, een hand op mijn kaak.  
Neem wat overblijft van mij, plaats mij in een emmer.  Wij kunnen nog steeds
ontsnappen naar wat niet is.  Nu zal ik smelten en ik zal vloeien langs de heuvel
maar de wind en de lucht kunnen daar voor zorgen.  Breng mij naar de
achterzijde van de wereld.  Of laat mij vallen.  Aan dit tempo zal ik nooit het
verschil kennen.

(EULOGY)

***

EEN DEUR VALT OPEN IN DE WOESTIJN


Ik dineer op de stille lijn van de sterren.

Als ik zou stoppen hier,
zou mijn leven uit zichzelf
neerrollen op het asfalt.

Een cactus dubbel geplooid.
Een bot ingevreten door muskieten.

Het rood op de klapdeur
gespleten door toevallig wit.

Ik ben niet in het centrum
noch aan het einde.   

Ik spreek minder
dan het zand doet
als de wind blaast.

Een slang zonder kop.
Een verlamde rivier.

Ik bewaar mijn Bijbel in een doos,
mijn waarheden in een stam.

Een mesa neemt de vorm aan
van een gekreukte
hoed.

(A Door Falls Open in the Desert)

***

MIJN BLAUWE HEMEL

Ik zou mijzelf moeten helpen. Mijn geesten slapen nog. Mijn eieren zijn al
gekookt.  Niet in het zonlicht maar in stoom.  Als jij mij herinnert, noteer dan
zeker mijn hoog, intelligent voorhoofd.  Mijn gedachten rennen van oost naar
west.  Van wang naar wang.  Ik ben beginnen denken dat zichtbaarheid een goed
idee kon zijn.  Dit van iemand wiens tevredenheid alleen maar door de omvang
en de donkere schaduw van zijn oogkleppen wordt
overschreden.  Geef mij nog een toast.  Geef mij een servet.  Mijn gewoonten op
dit uur neigen naar slordigheid. Vier van de vijf
psychologen, die zichzelf krabben door hun kribbig ondergoed, geïrriteerd
door de wake voor slechts een menselijke kwestie, rapporteren dat slaapgebrek
leidt naar ongeluk.  
Maar het is niet waar, dokters, dat ongeluk en vermoeidheid een en hetzelfde
zijn: vermoeidheid van treinen, vermoeidheid van hardhout, vermoeidheid van
oktober, vermoeidheid van windstoten, vermoeidheid van gebakken appelen,
vermoeidheid van iemands eigen seksuele organen, vermoeidheid van Laan A,
vermoeidheid van het bed, vermoeidheid van het spreken met een altijd
afstandelijk persoon?  Maar ik ben geen ongelukkig mens.
Ik sliep alleen maar te weinig en ontwaakte te vroeg.  De reden was niet jij of
ik of hen of wij of mij of hem of hun. Alice hield mij wakker,
drijvend boven mij, een berispende straal in mijn herfstig woud.  Ik zong,
“Wij leven om lief te hebben en houden van het leven en houden van het leven en
leven om lief te
hebben”, maar ik kon de stagnatie niet voltooien die ik
nodig had.  Die ik nodig had.  Maar dat is bruisend in de bovengrond.  Laat het
bruisen.  Geef mij nog een kop koffie, nu dat je hebt geplast.  Jouw volle dijen
en zelfgenoegzaam lachje zijn bijna begerenswaardig. Bijna. Ik start mijn
heliport niet zo gemakkelijk dezer dagen. Je ziet, ik heb andere zorgen.  Ik
ben bedekt met kruipende en onuitroeibare groene wandluizen.
Of ik moet zijn.  Niet te klagen.  Niemand houdt van een zeurder.  Maar ik ben
begonnen met te spreken met de sterren.  Zij lopen niet zoveel rond.  Zij zijn
optimisten. En zijn al vele jaren standvastig opgetreden.  Venus geniet mijn
voorkeur.  Venus, zoals de nacht, is altijd beschikbaar.  En jullie allen die mij
kennen, jullie allen die denken mij te kennen, ik kom hier nooit meer langs, nooit
meer, nooit.  Brando?  En daar gaat de tram naar Roosevelt Isle.  Toen ik nog
onzichtbaar was, dacht ik dat kijken naar de trein geluk bracht.  Maar op het
punt waar ik nu sta betekent het dat de ambassadeurs naar huis gaan.  De
ambassadeurs zijn weg.  De ambassadeurs
zijn er niet meer.  Alice bracht mij hier en zei me dat ze mij niet kende.  Dat ik
niets voor haar voelde.  Ik zei haar dat ze niet goed  opgelet had, ik voelde iets
voor haar bij elk kruispunt, voor elke denkbare en ondenkbare reden. En dan
haar tong in mijn oor.  Waar is die tong?  Maar nog belangrijker, waar is dat
oor?  Ik moet dat oor vinden. Ik denk dat ik het definitief moet regelen.  
Minder dan een fooi dan een dwarsbalk waardoor mijn Generositeit klopt op de
toog als een brief die zegt:  “Dit moet het einde betekenen van alles,” en als je
wakker wordt huilend in een koud waterbad, wie zal daar ooit
achterkomen?  Negentig cents zou voldoende moeten zijn.  Oké een dollar dan.  
En ik verlaat jullie, Grieken, die eieren rapen uit mijn kies.  En ik wandel naar
buiten.  Oh, het is nog donker.  
Ik ga naar rechts en een klein wit licht zal mij leiden naar mijn blauwe hemel.

(MY BLUE HEAVEN)


(geplaatst op 15-02-2004)

terug naar boven