Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
DIONISIO D. MARTINEZ keuze en vertaling: Henri Thijs
|
Dionisio D. Martinez is een Amerikaans dichter van Cubaanse afkomst (geboren in Cuba
in 1956). Hij is de auteur van “Climbing Back” (2001) geselecteerd door
Pulitzerwinnaar Jorie Graham voor de National Poetry Series in 1999. Verder schreef
hij ook “Bad Alchemy” (1995) en “History as a Second Language” (1993) waarmee hij
de Ohio State University Press Award for Poetry ontving. Zijn eersteling, verschenen in
1992, was” Dancing at the Chesea’. Zijn werk verschijnt regelmatig in verschillende
bloemlezingen en tijdschriften.
DRIE GEDICHTEN VAN DIONISIO D. MARTINEZ
vertaald door Henri Thijs
Bij het lezen bijt ik altijd op mijn onderlip, een gewoonte
die de plastische chirurg waarschijnlijk als
cosmetische ketterij zou bestempelen want zij versnelt het verouderings-
proces. Ik denk aan Carl Sandburg en de Witte Sox;
Ik denk aan de wind op het Tiannanmenplein, hoe een land
beroofd van een glimlach onzichtbaar veroudert; ik denk
aan de Grote Muren van Noord-Amerika, elk van hen
een greep op een zeker buitenveld zoals de handen van
een baseballgroentje rond de knuppel bij tegenwind; ik bijt
opnieuw in mijn onderlip; ik wil leren Amerikaans
te denken, en geloven dat een krantenkop
een feit is en dat alle verhalen verdacht zijn
* * *
Ravel : La Valse
—Ida Rubenstein in Paris
Beloof mij alles
beloof mij de regen
het kleed dat valt als regen
de wijn die het kleed bevlekt dat valt als regen
de schoenen die overal mijn komst aankondigen
de zwarte koets
het paard dat trekt de koets op de Champs Elysées
Beloof mij de Champs Elysées
een bloem van de man die Frans spreekt
die water sprenkelt op zijn rozen
beloof me/bomen die vallen als parasols op een leeg huis
de leegheid van de kamer die jij voor goed verliet
de sleutel die geen slot heeft
de roest van het mes dat je nooit gebruikt
rook van een kandelaar die uitdooft in een café
de was van de kandelaar
smeltend als een naam die ik altijd blijf vergeten
beloof mij de koffie bij de kandelaar
de koffie die koud wordt
de koude die door Europa raasde vorige winter
vogels in de winter/bevroren bruggen
de mist in de verte
beloof mij afstand en wind
beloof mij verhalen/boeken die beginnen met het verkeerde woord
een werkwoord dat geen verleden heeft
wierook van de kerk die geen gebeden hoort
gebeden van de kerk die geen wierook heeft
het leven van de vrouw die een andere vrouw wil zijn
die wijn wil drinken jouw wijn en het kleed wil dragen dat valt als regen
die een bloem wenst en een koets
en de sleutel die geen slot heeft
de vrouw die verlangt naar het lege huis
rook van een kandelaar/vogels in de winter
verhalen en een werkwoord dat geen verleden heeft
beloof mij haar leven of om het even welk ander leven
maar geef mij niets als je deze nacht niet dagenlang kunt laten duren
* * *
DE VERLOREN ZOON: AMNESTIE
Op een van de foto’s van Gizeh, rijdt hij op de
obligate kameel wiens bulten door de generositeit van
het perspectief, zo hoog lijken als de piramiden die
oprijzen op de achtergrond. Zo veel ontbreekt. In deze roekeloze
vroege dagen net nadat het Westen de streek had ontdekt, werd
de eeuwigheid verstoord door dieven. Hij vraagt zich af, in de brief
die de foto’s begeleidt, hoe het met de plundering over de jaren heen
is gesteld. Hij schrijft over de Nijl, over de tijd dat hij op het punt
stond om de Asoewanstuwdam op te blazen, en hoe het hem soms nog spijt
dat niet te hebben gedaan. Hij zegt dat je nu de vorm van de
geschiedenis kan zien zoals die bepaald en vervormd is door de rivier
en zijn overstromingen. Er liggen nu ruïnes die nog mooier zijn in
hun verval als sommige menselijke gezichten in hun prille jeugd. De ultieme
gerechtigheid, zegt hij, moet iets zijn zoals de Olympus of Valhalla (zo ver hij
nu weet moeten de Egyptenaren de plaats gaan benoemen) binnenstebuiten gekeerd
door het eeuwige spectrum, een leeg veld waar elke dode piraat,
elke vandaal van mummies en canopeevazen, iets van het gestolene
teruggeeft, en de stapel groeit tot een spontaan monument voor onszelf.
(THE PRODIGAL SON: AMNESTY)
(geplaatst op 29-03-2004)
terug naar boven
