LJOEBOMIR LEVTSJEV (BULGARIJE)
keuze, inleiding en vertaling: Henri Thijs
I. BIOSCHETS

Ljoebomir Levtsjev werd geboren op 29-04-1935 in de stad Troyan aan de voet van de
Balkanbergketen in Centraal Bulgarije.
Hij deed zijn middelbare studies in Sofia en behaalde  een universitaire graad in de
wijsbegeerte en letteren aan de Kliment Ochirduniversiteit van Sofia.
Hij was achtereenvolgens: uitgever van een dagblad, organisator van radio-programma’s,
uitgever van het weekblad van de beruchte schrijversvereniging “Het Literair Front”,
eerste ondervoorzitter van het Comité voor Cultuur en eerste-minister-afgevaardigde
voor cultuur.
Hij fungeert thans als voorzitter van de Bulgaarse schrijversvereniging.
Herhaalde malen werd hij bekroond voor zijn literair werk, ook in het buitenland en met
name in Frankrijk waar hij de “Gouden Medaille” ontvang van de Franse Academie en de
titel van Ridder in de Orde van de Poëzie in 1985.
Van Levtsjev verschenen in Bulgarije een twintigtal bundels.  Zijn beste gedichten
werden verzameld in Stichotvorenija (Gedichten 1970-1972) en Samosud (Vonnis over
mezelf, 1975).  Zijn werk werd vertaald in het Duits, het Engels, het Frans en diverse
andere talen.  In het Nederlands verschenen gedichten van hem in bloemlezingen Ik
bemin u, mevrouw (Manteau 1974), Caprices en andere gedichten (Manteau 1984), in
Kreatief (1984-2/3) en bij Het Prieeltje in 1990 onder de titel "Taal van Vuur".

II. “VERSCHRIKKELIJK ZIJN DE WOORDEN”

“ Hoe verschrikkelijk
hoe verschrikkelijk
zijn de woorden
die wij
uit gewoonte zeggen:
-Ik hou van jou!
-Ik hou nog meer van jou!
-Ik zweer je!
-Op mijn erewoord!…
Het zijn onze doodvonnissen,
Door onszelf getekend,
Niet vatbaar voor hoger beroep…”

(Uit: Caprices en andere gedichten, Manteau 1984)

Ljoebomir Levtsjev neemt tussen de zgn. Aprildichters in de Bulgaarse literatuur
(dichters die publiceerden na de destalinisatieperiode van 1956) een aparte plaats in
door het feit dat voor hem het woord een ambigue context toegemeten krijgt, waardoor
het een samengesteld of liever samengebald drievoudig idioom wordt van algehele
VERSCHRIKKING: het is
maatschappij, het is liefde, het is dood.
Als MAATSCHAPPIJ  vooreerst ontpopt het zich in eerste instantie in TAAL EN TEKEN van
heerschappij en onderdrukking.  TEKEN omdat het fungeert als een totem in een woestijn
van onmacht waar het symbool staat voor de afgrijselijke vervlakking van alle menselijke
waarden en voor de glans van eenzaamheid voelbaar op de huid.  TAAL omdat het een
levendige wisselwerking op gang brengt tussen de twee polen van innerlijke afwezigheid
en uiterlijke “tegenwoordigheid”, waartussen het idool van het menselijk bewustzijn
ronddraait als een tol en een lyrisch begrip van maatschappij creëert, d.w.z. een syntaxis
van gewaarwordingen, verlangens, mysteries, roepingen. Vanuit dat oogpunt bezien is
het woord een verraderlijke verschrikker die de verrassingen van het leven met een
dodelijke onverschilligheid afreageert en neutraliserend opsluit in de kombuis van het
hermetisch bestaan.
Het woord als gevangeniscel van de maatschappelijke vervlakking en monotonie, als
sociologisch begrip dus, herbergt ook binnenzijn eigenste grenzen een geheime gang
waarlangs een ontsnapping uit de dagelijkse sfeer mogelijk is : DE LIEFDE.
Om er rigoureus voor te zorgen dat het die eigenschap verwerft is een levenslange
betrachting naar oorspronkelijkheid en integriteit nodig.  Naar een ongeschreven en niet
te schrijven verlangen ook dat de tempel van de individuele beleving bewoont en er een
temperament van continuë huiselijkheid aan verleent om te vermijden dat “de dieven
komen”.  
Liefde vormt aldus een bewust transitoord dat zijn opwachting maakt bij het menszijn op
de vlucht voor de maatschappij naar een nieuwe tijd van schepping en oneindigheid, en
naar het rijk van algehele vrijheid voor de geest en de droom.  M.a.w. zij veroorlooft
“een dodensprong met het masker van een clown op”.  Het woord krijgt langs de
toegangskoker van de liefde de finale en sacrale bestemming toegewezen die bestaat in
de mystiek en de oneindigheid van de menselijke psyche.  In de mens voltooit het leven
en zijn affiniteiten zich tot een oneindig wonder van voortdurende schepping en
verandering.  Daarin ligt juist die typische “geheimzinnigheid” van de mens verborgen.  
Hij, de mens, is de duidelijke incarnatie van onduidelijkheid en dat hoort zo te zijn om
een basis van aantrekkelijkheid te kunnen creëren voor datzelfde menszijn.  De mens,
als vergankelijk fenomeen verzoend met zijn aardse vegetatieve oorsprong, en gedoemd
om te worden opgeslokt door de tijd en de vergetelheid uiteraard, wordt aldus een
boeiend leefbaarheidspatroon.
Om dit “onduidelijk” mensbeeld de kracht van een gestalte te geven, duikt er een derde
“verschrikking” op, nl. deze van de DOOD;
Deze laatste, die helaas samenvalt met de fysische, biologische afbraak en vernietiging
van de stoffelijke materie is positief, creatief en vluchtig in al zijn nevenverschijnselen.  
Het gaat dus duidelijk om een andere dood dan deze die we gewend zijn als taboe in
ons dagelijks leefpatroon. De doodsidee is positief in de zin van noodzakelijke
transformatie en permutatie naar een nieuwe bestaansvorm.  Hij fungeert als een
hypnose van het ware leven en behoort dus tot de grote magie of toverkunst van het
woord  als scheppingsidool van de creatieve mens.  Daarom werkt de doodsgedachte ook
niet langer negatief op het menselijk denken, maar verwekt ze zelfs verrukking en
genoegdoening, omdat ze ten eerste even “onduidelijk” is als het bekoorlijk, scheppend
leven zelf en dus ook vol verrassingen.
En ten tweede omdat ze wis en zeker als DREMPEL fungeert naar een nieuwigheid, een
renoverende vorm van leven, een onbekend geschapen droom- en geestesideaal, dat
hoopvol en vol interne creatie is.
De mens is daarom noodzakelijk in die eeuwige wisseling van de levensmozaïek als was
het maar in de hoedanigheid van evolutiebasis voor de nieuwe tijd.
Zijn leven, hoe kleinschalig ook en nietig in de kosmische zin van het bestaan, is er
nodig om precies met zijn sterven een spoor te trekken in de onbestemde lucht naar
nieuwigheid, verandering en creatie.  Zo wordt het leven bestendigd als een eis van
voortzetting en voortbouwen op de verworvenheden die in de tijd een merkteken hebben
geplaatst van bewustvolle creatie.  Daarom mag de mens zich niet beperken tot een
blind staren op de eigen verwezenlijkingen als een finaal credo van voortbestaan, maar
moet hij zich bewust zijn of worden van zijn dienende functie aan het ras van de
eeuwige voortzetting en schepping en moet hij “leren sterven”, want sterven is een
specifiek voorrecht van de levenden (“Wie niet bereid is om te sterven, is al dood”)
Zo kan hij zich finaal overgeven aan het woord dat als verschrikking van maatschappij en
onrecht, met de fakkel van de strijdende, scheppende liefde, de vlam ontsteekt waarin
hij zich opbranden laat tot een “poëtisch levendmakend dodend vuur”.


III. DE SYMBOLIEK VAN DE PARABEL

Om “het levend makend dodend vuur” brandend te houden en zichtbaar te laten oplichten
in zijn verzen gebruikt Levtstjev een specifieke stijlfiguur, nl.  de symboliek van de
parabel. Het feit dat de Bulgaarse literatuur in het algemeen een zeer lange orale
traditie heeft is zeker niet vreemd aan de voorliefde van de auteur om met "gewone
spreektaal" zijn genoemde diepzinnige en morele stellingen te verwoorden.

Gedurende de eeuwen Turkse overheersing bleef de mondelinge overlevering van de
Bulgaarse retoriek, in dialectvorm weliswaar, geduldig overleven. Pas in de 19de eeuw
kreeg dat gebruik een methodische literaire vorm die intrinsiek schatplichtig bleef aan de
aloude gepraktiseerde traditie.

De culturele revolutie, in gang gezet door de Aprildichters met Levtsjev op kop uiteraard,
maakten hen uiterst controversieel, extravert, vernieuwend en revolutionair. Hun poëzie
ging stoelen op een intensief gebruik van de spreektaal, opgevat in een literaire context
van ritme en metrum en gedicteerd door de strenge spelregels van T.S.Eliot. Levtsjev
zelf geeft in verschillende vraaggesprekken grif toe dat hij bij Eliot "heeft leren gedichten
schrijven", zonder ook maar in het minst enige verwantschap te ondervinden met het
katholieke gedachtegoed van deze voormalige reus in de letterkunde.

Een gegeeerd hulpmiddel om die spreektal in poëzie te transformeren is bij hem DE
PARABEL. Vooral zijn drang om de ideeën nogal didactisch en met moralistische strekking
naar buiten te brengen, doet hem vak kiezen voor deze lyrische vorm.

Echte parabeldichters zijn er niet zoveel in onze Europese letterkunde, alhoewel het
genre reeds in de oudheid erg populair was (denken we maar aan de parabel van de
maag en de ledematen van Menenius Agrippa). Ook in de Oosterse letterkunde is deze
dichtvorm wijd verbrijd. In onze contreien is, buiten de mooie gekende parabels van het
Nieuwe Testament natuurlijk, vooral het verhaal van de Japanse steenhouwer uit
Multatuli's Ideeën gekend en dit van de drie Ringen in Lessings Nathan der Weise.

De twee "intieme parabels" die hier werden gekozen en vertaald, zijn fundamenteel even
gelijksoortig als verschillend. En daarin resideert nu precies de paradox in de schrijfkunst
van een avantgardisch auteur als Levtsjev
Ze zijn gelijksoortig omdat ze beide unilateraal een maatschappijkritiek ontwikkelen die
intens en onweerlegbaar is. De kunstenaar komt hier te voorschijn als de "homo
universalis", d.w.z. de wetenschappelijke en morele betweter die de aloude kennis en
moraal op de rooster legt van de bewuste twijfel. Niets is wat het lijkt. Voorvaderlijke
wijsheden en geplogenheden worden getoetst aan de tand des tijds.
De criticus-artiest, die de nieuwe mens vertegenwoordigt, revolteert tegen alle
gevestigde waarden in de maatschappij. De poëzie is een kweekschool voor nieuwe
ideeën die de vrijheid van geest doet zinderen in al zijn geledingen. De dichter is de
profeet van het woord die de ingeslapen gemoederen wakker schudt en het handvest
schrijft van een nieuwe tijdgeest gebaseerd op vrij onderzoek en kritische benadering.

Anderzijds zijn beide parabels ook essentieel verschillend Daar waar de eerste het hoger
niveau van de wetenschap en de gevestigde verroeste maatschappelijke waarden op de
korrel neemt, sterker nog aan de spiesen van de taal rijgt, zet de tweede meer het
persoonlijk emotionele en raltionele patroon van de samenleving met de man/vrouw-
verhouding op het voorplan. Het geloof in de eeuwig scheppende kracht van de liefde
primeert hier. Dit geloof kan echter maar gedijen voor zover de maatschappelijke
gebruiken, zeg maar de ethiek van de moraal, aan een kritisch onderzoek worden
onderworpen; Het verzet tegen het dwangbuis van de aloude zeden moet uitmonden in
een creatief proces van ontmanteling en ontkerstening en schept de nieuwe mens.

Zulke attitude is onbegrensd, maakt het onmogelijk mogelijk en geeft het brandend
startsein aan de alles overrompelende dans "op de meest perfecte dansvloer van de
aarde" waarbij doden (=geschiedenisbeleving) verrijzen, de hemellichamen één worden,
de sterren een storm ontketenen op de zee... en de vrede kan beginnen.

De goeroe van de droom, de jager van de geest heeft in het woud van de vrijheid de
honden van het woord losgelaten op de aloude, versleten passies en gedragingen.


IV. TWEE PARABELS VAN L. LEVTSJEV


DE WERELD VAN HET ONBEKENDE (*)

Een man geboren om te worden gehangen, kan niet verdrinken
(Oosters spreekwoord)

Wij woonden als huurders
in een romantisch, bouwvallig huis,
ik en een nachtvlinder - een zwarte -
die bij mij kwam wonen net nadat
de huur was betaald.
Op de tafel, steeds gedekt oor
een maal, rustte braaf op eenboek
een doodskop.
Ik zou je tot op vandaag
(en niet slechter dan de galante
Valéry zaliger)
erop kunnen
aanduiden
waar de
Sella turcica
zich bevindt,
en de
apertura interna
canaliculi nervi petrosi
superficialis minoris:
woorden die ik mij herinner
van die zinloze
en onbetrouwbare kennis opgedaan
tijdens mijn jeugdjaren.
Voor mij
diende die doodskop-
net zoals bij Hristo Botev
(en Nikola Slavkov
en zijn broer Drasov) -
alleenlijk als symbool...
een symbool van vonnis zonder vrees,
van strijd,
van dood, van onsterfelijkheid,
kortom van een bezwering,
en van nog veel meer, zoals ...

Metterijd
werd hij (de doodskop)
een niet meer weg te denken lid van onze
familiekring.
Wij waren er niet langer bang voor
en hij had ook niets weerzinwekkends meer,
maar lag gewoon op tafel
uitgestald op een voetstuk
van boeken
en keek met een zekere minzaamheid neer
op al onze pijnen, onze zielsperikelen en passies...

Op een dag
in deze kamer,
waar iedereen wel eens kon opduiken
en weer verdwijnen-

voorstedelijke manen
een kale kersenboom
de winden...

Op een dag
de kamer betredend
zag ik,
net voor ik het licht aanknipte,
iets gloeien
in de oogholten van de doodskop.
Mystieke voorvalletjes kregen bij ons nooit een kans,
het bleek
dan ook een vuurvlieg te zijn.

Die was binnengekomen door het venster van
de zomer,
dan door het kamervenster,
dan door het venster van de doodskop
en dan...

Even later greep de doodskop
mij zachtjes vast
met een onzichtbare hand,
en leidde me weg...

En hij begon te vertellen:
- Ik ben, zie je,
een jongen met een uitgeholde meloenlantaarn!
En dan verdween ik, samen met hem, tussen
de vuurvliegen.
Ik loste op in de adem van de zomer
en leefde temidden van
het geratel van de oude kousenfabriek.
Ik aanschouwde de geheimen van de vrouwen die
daar werkten, de weefgetouwen,
de zijde
en de draad -
glanzend in het labyrint
van de Minotaurus.
En hield bijwijlen halt buiten een poort...
onder de heldere elektrische lamp,
die als een kandelaar voor krankzinnige motten,
een eenzaam licht,
een eenzaam feest
in groene en oneindige
velden uitstraalde...

Aan de nachtwaker met zijn militiageweer
vroeg ik:
- Wat bewaak je hier, ouwe ?
En hij antwoordde:
- Hier begint het koninkrijk van het onbekende.

En wij gingen verder,
Wij -
burgers van de eeuwigheid,
subjecten van de oneindigheid,
gezuiverd,
onbekend,
doorlopend,

ikzelf
met de naamloze doodskop
hand in hand...

En zo begint
dan een ander lied,
dat onbekend zal blijven...
zoals de krijgers
voor wie
de eeuwige vlam danst,
zoals de meisjes
voor wie
wij deels met onze zielen
en deels met onze lichamen sterven...

En zo
is nu voor mij
de tijd aangebroken om onbedaarlijk te gaan
lachen, mij hoofdschuddend
om te keren,
en weg te gaan...

Ik verwacht geen pardon
van niemand
om de hemelse paarden te hebben bereden.
Maar U,
beste vrienden,
biechtvaders, predikers, lasteraars,
in welke draden trachten jullie mij te strikken,
in welke verschrikkelijke vernieling...
in welke vernietigende vloed-
in welk kosmisch cataclysme?
Maken jullie zich echter geen zorgen!
Het is misschien naïef wat ik zeg,
maar ik zeg u ik ken de weg...

de weg die leidt
naar het koninkrijk van het
onbekende.

En naar waar een biljoen jongelingen op weg
zijn met uitgeholde meloenlantaarns.

(*) Uit : STOLEN FIRE - Lyubomir Levchev - Selected Poems - translated from the Bulgarian by Ewald
Osers - Forest Books/ Unesco London 1986- vertaling uit het Engels: Henri Thijs.


ROMANTISCHE BALLADE (**)

Maria-
een jonge weduwe,
weduwe van een opzichter-
wandelde
met opgeheven hoofd en neergeslagen
ogen door
de tuin.

En de duisternis viel in en maakte alles
tweemaal zo donker
als haar zwart kleed,
als haar zwarte kousen
en het lint in haar haar...

Onder de populieren
die als ouwe kletstantes
hun groene hoofden
bij elkaar staken
motregende er een gedempt gefluister
in het park:
- Haar borsten zijn nog stevig...
en haar ogen weerspannig blauw,
wat een schoonheid nog!
En de duisternis viel in en maakte alles
tweemaal zo donker
als haar zwart kleed,
als haar zwarte kousen
en het lint in haar haar...

Onder de populieren
die als ouwe kletstantes
hun groene hoofden
bij elkaar staken
motregende er een gedempt gefluister
in het park:
- Haar borsten zijn nog stevig...
en haar ogen weerspannig blauw,
wat een schoonheid nog!

Maria-
de jonge weduwe-
hoorde noch zag iets, bezeten
door een zekere waanzin die
vogels doet ontwaken met een blij getjilp
en paardenbloemen smelten in de wind.
Denk je werkelijk dat deze lente nutteloos is
en de liefde dood en alle strelingen begraven?

- Goeie avond,
Maria...
Zoals de zachte vleugels van een
nachtvlinder
begonnen wimpers te beven van
angst
boven het vlammend licht
van haar gretige ogen.

Goeie avond,
Maria!
Wees niet bang voor mij.
Ik ben
de zoon van de timmerman,
degene die viel in hetzelfde gevecht
als dat van Uw gestorven echtgenoot

-Maria
ik ben volwassen nu.
Misschien is het daarom dat de oorlog voorbij-
ging.
Vannacht vuurden de soldaten
hun laatste kogels
in de lucht...
-Maria,
je bent betrapt door de maan.
De maan is gevallen tussen de klimop hier.
En iemand riep:
-"Ik wil dansen!"

-Maria,
riep ik uit-
ik wil dansen!
ik wil dansen met jou!
En triomfantelijk verscheen de lente.
En van verre slagvelden, die niemand kende,
stelden zich overal de gedode klaroenspelers
op, als reuzen met de benen gespreid en hun
trompetten blinkend tussen het zwart.
Maar zij bliezen niet ten aanval...

Integendeel. Een heerlijke melodie
weerklonk
en strooide stuifmeel op de kerselaars
en riep uit als een vriend:
-" Jullie daar, mensen,
het is meer dan tijd
verstandelijker te gaan leven
en schoner
en menselijker".

En aldus
begonnen allen die nog in
leven waren te dansen
op de meest perfecte dansvloer van de aarde.
Ook hij begon te dansen, de zoon van de
timmerman.
Hij danste met de Zwarte Maria.
Hij danste met haar
en kuste haar.
Alles danste: de sneeuwstorm van de sterren,
de elementen van de zee,
de berken reeds afgeknapt en oud.

Zelfs de volledig ondermijnde straat,
want de oorlog was voorbij

en de vrede ging beginnen.

(**) Ibidem

(geplaatst op 14-03-2005)


terug naar boven
(© 1990 Het Prieeltje v.z.w.)
Copyright © 2002/ 2008 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768