Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
HANS CAROSSA
keuze en vertaling Francis De Preter
HANS CAROSSA (1878-1956) is buiten de Duitssprekende landen en zeker bij
ons, een illustere onbekende. Hij was een tijdgenoot van Hermann Hesse, de nog
steeds erg populaire romancier die tot de meest vertaalde Duitse auteurs behoort.
Toch groeit het aantal literatuurkenners die vinden dat Hans Carossa als dichter
niet moet onderdoen voor Hermann Hesse. Carossa schreef ook proza, vooral
dagboeken en jeugdherinneringen, maar die zijn voor niet-Duitse lezers niet zo
relevant. Hij blijft evenwel een belangrijke vertegenwoordiger van de Duitse
neoromantiek van de eerste decennia van de 20ste eeuw. Carossa is een
geestverwant van Hermann Hesse en verdient daarom meer aandacht dan
hij tot hiertoe kreeg. Vreemd detail: Carossa is niet opgenomen in het boek Duitse
letterkunde van K.Rothmann in de Atriumreeks van Het Spectrum, maar hij staat wel
in het onvolprezen "Groot encyclopedisch woordenboek van Verschueren"...
Reeds tijdens zijn leven verschenen zijn Gesammelte Gedichte bij lnsel Verlag
(1947) . Niets daarvan en bij mijn weten ook niets van de latere gedichten is in het
Nederlands vertaald. De poëzie van Hans Carossa munt uit in klassieke
vormschoonheid -ook in zijn blanke verzen-; hij hanteert een klare, gepolijste taal,
beeldend en muzikaal, die toch steeds naar een ervaren werkelijkheid teruggrijpt.
Meer dan bij Hesse speelt het idyllische berglandschap rond Passau een grote rol in
de poëzie van Carossa.


DE OUDE FONTEIN

Doof je lamp en slaap!
Het immer wakkere
geklater van de oude fontein weergalmt.
Wie echter gast was onder mijn dak
heeft zich altijd aan dit geluid gewend.
Toch kan het zijn, wanneer je midden
in je droom verwijlt, dat onrust om het huis waart,
dat bij de bron de kiezel knarst van ruwe stappen,
dat het felle pletsen plotseling ophoudt
en je wakker wordt - dan moet je niet schrikken!
De sterren staan voltallig over het land:
het was een zwerver die op het marmeren bekken toetrad;
hij schept van het water in de holte van zijn hand.
Hij loopt zo dadelijk verder. En het ruist weer als voorheen.
O wees blij, je blijft niet eenzaam hier.
Veel trekkers lopen door in het sterrenschijnsel,
en minstens één is onderweg naar jou.

DER ALTE BRUNNEN

Lösch aus dein Licht und schlaf! Das immer wache
Geplätscher nur von alten Brunnen tönt.
Wer aber Gast war unter meinem Dache,
Hat sich stets bald an diesen Ton gewöhnt.
Zwar kann es einmal sein, wenn du schon mitten
Im Traume bist, dasz Unruh geht ums Haus,
Der Kies beim Brunnen knirscht von harten Tritten,
Das helle Plätschern setzt auf einmal aus,
Und du erwachst, - dann muszt du nicht erschrecken!
Die Sterne stehn vollzählig überm Land,
Und nur ein Wandrer trat ans Marmorbecken,
Der schöpft vom Brunnen mit der hohlen Hand.
Er geht gleich weiter, und es rauscht wie immer.
O freue dich, du bleibst nicht einsam hier.
Viel Wandrer gehen fern im Sternenschimmer,
Und mancher noch ist auf dem Weg zu dir.


* * *

AAN EEN KAT

Kat, trotse gevangene,
lange tijd ben je niet meer gekomen.
Nu, over de schemerdonkere tafel
loop je talmend naar mij toe.
Bode van de rust na het werk,
geen vriend van de vlijtige pen,
leg je een voorpoot lichtjes
op het pas geschrevene,
je noopt me opnieuw tot nadenken,
jij die zo beheerst en zo mooi bent!
Zachtjes hoor ik je spinnen
als een heimelijk orgelspel.
Geluidloos gaat een deur open.
Alles wordt bevreemdend.
Als ik je kopje streel
voel ik opeens de maan.
Waaraan denk je? Aan dit ogenblik?
Aan wat je mist of wat je krijgt?
Aan je spel? De jacht? Je prooi?
Of droom je er misschien van,
vrij van verlokkende schimmen
van deze akelige tijd,
goedaardig deel te nemen
aan de menselijke staat,
zalig en in grote berusting
werelden tegemoet te treden,
wandelend in een licht
dat wij beiden niet zien?

AN EINE KATZE

Katze, stolze Gefangene,
Lange kamst du nicht mehr.
Nun, über dämmerverhangene
Tische zögerst du her,
Feierabendbote,
Feindlich dem emsigen Stift,
Legst mir die Vorderpfote
Leicht auf begonnene Schrift,
Mahnst mich zu neuem Besinnen,
Du so gelassen und schön!
Leise schon hör ich dich spinnen
Heimliches Orgelgetön.
Lautlos geht eine Türe.
Alles wird ungewohnt.
Wenn ich die Stirn dir berühre,
Fühl ich auf einmal der Mond.
Woran denkst du nun? An dein Heute?
Was du verfehlt und erreicht?
An dein Spiel? Deine Jagd? Deine Beute?
Oder träumst du vielleicht,
Frei von versuchenden Schemen
Grausamer Gegenwart,
Milde teilzunehmen
an der menschlichen Art,
Selig in groszem Verzichte
Welten entgegenzugehn,
Wandelnd in einem Lichte,
Das wir beide nicht sehn?

Francis De Preter (°1932), publiceerde diverse dichtbundels, o.a.
‘Nachtegaalrecht – gedichten 1980-1992’ waarvoor hij de A. Merghelynckprijs
van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde ontving.
Hij was jarenlang redactielid van Deus ex Machina. Recent verscheen zijn
dichtbundel 'In de schaduw van Mei'.

(Deze tekst verscheen eerder in STROOM, nr.9, 2003 .  Website: http://users.
pandora.be/francois.vermeulen1/Stroom.htm)

(geplaatst op 23-04-2004)

terug naar boven