Copyright © 2002/ 2007: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met
en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
DE STRANDJUTTER

De schaduw, die onder het maanlicht
Lang en bleek van de duinen viel,
Boordde het strand af en kartelde de zee.

Overal in de verte werden de vuurtorens zichtbaar,
Hun gele en groene draailichten
Scheerden over het water.

De oude strandjutter, op zoek naar zeldzame dingen
Doorzoekt het zand, met begerige ogen,
En gaat verder,- zijn schaduw
Rondom zijn langzame passen,
Maakt de duisternis nog somberder.

Zijn stappen zijn zwaar en zijn schouders moe;
De golven verplaatsen zich als witte vleugels,
De meeuwen vluchten krijsend de nacht in;
Hij kijkt ze na, stapt verder, komt koppig
Op zijn stappen terug, stapt weer verder en blijft staan:
Zijn kleine houten pijp
Schiet plots een rode flits van licht
Tussen zijn vingers door.

Vanop de duinen, die de hutten overheersen,
Roept een kustwachter
Hem soms toe van ver,
Maar de gelukszoeker op het strand
Antwoordt niet.

Hij stapt en stapt langs de lange kustlijn,
Met zijn oude beukenhouten stok,
Hij stapt en stapt verder - en zijn hele wezen
Is doortrokken van de stormen en de nijdige wind.

Hij is doodmoe, maar gaat alleen verder,
Een ruwe, koppige avondgast,
En hij zoekt hoopvol, altijd, altijd, altijd opnieuw,
Al zoveel jaren
Vast gelovend dat de golven van het lot,
Ooit, op een dag, in hun doodsgewaad
Van woede en van schuim,
Voor zijn verdwaasde ogen, die in hun kassen branden,
Het reizende goud zullen uitstallen
Dat de honderd handen van de storm
Aan de onbekende, zoekend langs de horizon, zullen
toegooien.


(“Le ramasseur d'épaves” uit de bundel “LA GUIRLANDE
DES DUNES” (1907) )

* * *

HET GEVAAR

Men hoort het gedonder van aanrollend water,
Vanuit de verte, op de donkere zee;
En de golven, en reusachtige massa's water
Slaan neer op het brede strand.

Overal waken de kleine ogen
Van de lichtjes in de hutten,
Ze kijken, van de vooravond af,
Naar de grommende, zwarte zee.

De rossige vissers zijn verdwenen
Achter een muur van mist:
Ze houden hardnekkig stand, God weet waar,
Tussen bergen van schuimende golven.

Met hun lichaam en hun ziel,
Met hun ogen verbrand door het zout,
Met hun stijfgevroren vingers,
Vechten ze tegen de dood.

Ze roepen elkaar toe, maar ze horen het niet.
De storm woedt voort in het westen, het noorden.
De mast kreunt en beeft van boven tot onder,
Als een dier dat in doodsangst verdrinkt.

De boot begeeft het en splijt uiteen,
En graaft zijn graf in de diepe golven;
En de draailichten lijken opeens zo ver weg
Alsof ze aan het eind van de wereld stonden.

En toch blijven de lichtjes
Nog altijd waken in de hutten,
En strooien op het donkere erf
Hun kruimeltjes uit van hoop.

En de vrouwen, met onder hun zwarte mantels
De gebalde vuist aan de mond,
Blijven op post, en kijken verbitterd
En zwijgend de duisternis in.

('Le péril' uit de bundel 'LA GUIRLANDE DES DUNES'
(1907))


Lees nog meer gedichten van deze auteur: klik hier !

(geplaatst op 19-06-2007)

terug naar boven
EMILE VERHAEREN
keuze en vertaling: Christina Guirlande