Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
Michael AYRES geboren in Chilwell, Nottingham, Engeland in 1958, studeerde
aan de Hulluniversiteit en promoveerde in de Engelse taal in 1982.  Hij is de
auteur van “Poems 1987-1992 “(1994) en twee poëtische pamfletten.  Zijn
tweede poëziebundel “A.M”. verscheen in 2003.


GEWENST

Waarheen ga je
als er geen liefde meer is voor jou?
Als de liefde voorbij is, ten einde,
en de hoop op liefde is opgegeven?
Waarheen ga je
als je niet meer gewenst bent?
Waarheen ga je
als je lichaam je niet meer genoeg is?
Als de tranen en de huid je in de steek hebben gelaten,
en de spiegels de vragen die je hen stelt
niet meer beantwoorden?

Waarheen ga je
als er geen slaap meer huist in jouw vlees,
als jouw eigen gedachten je verwerpen,
en je niet langer geduld wordt?
Waarheen ga je
als de wil om vooruit te gaan
begint te verslappen,
en de wil om te blijven
is gebroken?

Waarheen ga je
als de dagen naderen als golven
en de nachten stromen als golven
en je moet gaan of blijven:
waarheen ga je?
Waar ga je naar toe
als er niets is in jou
en de bestemmingen je niet nodig hebben
en je niet gewenst wordt?
Waarheen ga je
als de stemmen zwijgen
en de wind fragmenten van stemmen blaast over de weg?
Waarheen ga je
als de schemering valt
en de deuren gesloten worden?
Waarheen ga je
als je geen thuis hebt,
als je leven is vergeten
en je niet gewenst bent?
Mist en gemurmel in de straten, en mijn herinnering mist
en in de mist.  We hadden gedanst,
en toen jij je kleed uittrok
en ging neerliggen kuste ik jouw rug
proefde het zout in je nek en tussen
je schouders en borsten;
En we zetten wat muziek aan, en later werd het herfst.
Wij werden rustig dan maar in die eerste dagen
overspoelde je mij en het was al golving en rimpeling
telkens ik bewoog en een mengeling van reflecties
die jij bij mij opwekte, of scheen op te wekken, en deze schijn
leek daarna alles te zijn: mijn blote voeten, langzaam,
de lakens waren als water en de vloer
van mijn gedachten was ook als water,
Ik rukte op in jou
zoals een verzopen veld
rijst in een verdronken hemel.
Dat ging zo verder voor weken – die verbluffende overstroming
van verliefden.  Ik vond het beeld na een hevige regenval,
en zag ons daarin, zoals ik nog steeds doe, staande
op de hoek en jou kussend, de vallei half overstroomd,
vissen zwemmend door de takken van ondergedompelde wilgen:
en ik dacht dan, en voelde ook
dat daar iets was van een tere Apocalyps in deze vorm van liefde,
hoe zij een hele wereld van ons wegveegde
opslokte of enkel leeg onthulde,
en verving door deze overstroomde oppervlakte van een weide
iets zo stil als onze blikken elkaar ontmoetten en zo vloeiend
als onze lichamen samenkwamen
in die glanzende groef waar spiegelende
waters tollende meeuwen loslieten,
meeuwen die boven onze hoofden krijsten
en meeuwen die onder onze voeten
geleidelijk oplosten in een stille hemel…
Mist en gemurmel in de straten, en de straten van het gemurmel
en van mist…In een cirkel van licht vanuit mijn gezichtshoek
ligt een boek open  - is dat de zeemeermin van Seferis? –
op een beeldscherm.  Het is ingekaderd op een muur
vers geschilderd eau-de-nil.  Het is rustig in die opgezette wereld,
afgevlakt met strenge maar subtiele kleuren,
en met vette randen ademt het
De lucht van de klassieken.  De muziek van de allusie speelt,
wij doven het licht nu.  Opengeritst, in het wit,
opent zij de zijden vleugels van haar kleed:
tussen sparrenbomen, in een woudpoel,
straalt een reiger maancirkels,
of  heldere aureolen van rimpels, die de oppervlakte beroeren –
en ons verlicht interieur is ver verwijderd
van het bevroren groevenspoor als de duisternis invalt
die de gouden uienkoepel
van een plaatselijk, wit gewassen kerk in Ukraine in de schaduw zet,
tractoren en kuilvoeder en plastieken zakken
en een verstikkend, hoestend geluid
nu de temperatuur daalt en het daglicht
verglijdt in de vallende sneeuw
en een auto maar niet wil starten.
Wij zetten KRS-Een op, Black Cop en daarna
The Bridge is over.  In de spiegel die we hadden gekocht,
deze met dat forse antieke vergulde kader
die ik ,weet ik veel, mijzelf had wijs gemaakt
van Venetiaanse makelij te zijn, sloop jij
naar de badkamer om de wijn weg te plassen terwijl ik
mijn zenuwen verdoofde met een sigaret, het koud had,
en de rook weg wuifde met een slappe hand.
En ik vroeg mij af of dit niet was alsof
een van Odysseus’ ontevreden roeiers gestopt was met roeien,
De was uit zijn oren plukte,
en keek naar het benig atol en de stille figuren daar –
die hun ledematen en monden bewogen –
maar nog niets hoorde en enkel de kapitein
zag vastgebonden aan de mast, en rukkend in extase
terwijl hij keek naar het eiland waar de Sirenen zongen.
Waarheen ga je
als er nergens nog een plaats is voor jou?
Als de rituelen je niet aanstaan
en je vrienden afdruipen,
wegvallen, uitsterven,
een voor een
en je alleen moet
verdergaan?
Als de winkels alle gesloten zijn
en de straten geplaveid met stenen,
en je niemand meer hebt?
Waarheen ga je
als er geen plek meer over is
om naar toe te gaan
en je niet gewenst ben?
Later werd het herfst.  Wij ontkurkten een nieuwe fles wijn,
bekeken Nosferafu.  Ik dacht weer aan onze liefde.
Hoe jij van mij een zeetrip maakt.
Hoe een van jouw kussen een soort hit is –
zo zeer zelfs dat het me soms zorgen baart.
Hoe ik geen woord van sterren kan prikken in de nachtelijke hemel
zonder naar jou te refereren, zelfs als het licht
op het einde koel aanvoelt en onpersoonlijk –
wat vreemd is, want met jou
voel ik lust en vreugde en een soort van wild genot
dat mij doet ontaarden in een dier
en mij doet huilen,
en als ik niet bij jou ben
voel ik een pijn die zo ondraaglijk is
Dat ik een ander haar gewicht laat dragen-
iemand die ik niet precies kan beschrijven,
iemand die ofwel oud en een goede leugenaar is,
of uiterlijk jong en simpelweg een leugen.
Het was zomer, en wij lagen laat in bed ’s nachts.
De ramen stonden open.  Ik dacht dat jij sliep.
Er kwam een geluid van de straat – het glazig geratel
en de klank van een melkkar en het starten van de motor.

Ik sluimerde in.  Ik ontwaakte, kleedde mij aan,
ging zitten, stak een sigaret op en keek hoe
de rook een spichtige, grillige toren vormde.
Mijn blote voet hing afgehouwen
in een hoek van de spiegel.
Misschien sluimerde ik opnieuw in.  Ik werd wakker bij het open raam,
en dacht dat ik iemand hoorde voorbijgaan.

(WANTED)

* * *

HET GEZANG VAN DE SIRENEN


Weldra zullen we weer kunnen spreken.
De watervloed zal zich terugtrekken, en het wordt april.
Het gewone leven zal, als een soort zegen, hernemen,
en verliefde mensen zullen meer dan ooit verliefd zijn.
Weldra zullen we weer kunnen spreken.
En dan zal de stilte een reële stilte zijn
en niet enkel een vorm van onderbroken geluid.
De treurige, voze leugens die we blijven vertellen zullen intens zijn en opwindend,
en zachtjes de wereld kwetsen.
De folteraars zullen herleven en hun foltertuigen terug opnemen,
en de gefolterden zullen schreeuwen alsof dat geluid
het begin van iets definitiefs kan oproepen.
Ons gehoor zal zeer scherp zijn,
en de akoestiek zal beter en beter worden tot we
ontsteld de heimelijke voetstappen van een wankele God
zullen horen die voor ons uit gaat in de storm
gekroond met witte rozen en bijna doorzichtige sneeuw.
Weldra zullen we weer kunnen spreken.
Ik zal je opbellen, en we zullen urenlang praten,
en onze conversatie zal simpel zijn en ongeremd,
en ik zal het woord “zorg” weer kunnen gebruiken
alsof jij het kon horen, en al horend, ook begrijpen.
En dit vreemd intermezzo, deze periode van verwarring,
zal overgaan, en de watervloed zal zich terugtrekken:
de toppen van de bergen zullen boven de golven komen piepen,
de vogel van het verhaal zal oplichten in de vrijgekomen takken,
en de doden, in plaats van te staren naar elkaar als verlegen kinderen,
zullen geheel dood zijn, en tenslotte hun gedachten aan leven opgeven.
Weldra zullen we weer kunnen ontwaken.
De zon zal weer opkomen, mensen zullen zich verheffen en roepen.
De zee zal weer de zee zijn, en niet deze balkende muilezel van zout water;
de meeuwen, fladderend als gebroken kronen, zullen koninklijk en verlaten zijn.
Het gewone leven zal zijn gang hervatten: er zullen ogenblikken van vrede zijn,
en dit vreemd gebrul, deze furie die zich roert in de straten,
dit geluid van het niets dat brult zonder reden of einde
zal afnemen: de zee zal terugvallen in de zee,
en de meeuwen, fladderend boven ons als gebroken kronen,
zullen terug gewone meeuwen zijn, in het geheel niet koninklijk.
Weldra zullen we weer kunnen spreken.
Maar nu gaat dit vreemd geluid, ver weg en toch intern,
dit gefluister van een gebrul,
als een oceaan die zich terugtrekt in een droog zeebed,
nog door.  Iets, zo lijkt het, komt naderbij.
Maar nu zijn we nog verdwaald, verward en ontaard,
en terwijl deze sissende, wrede magie aanhoudt
vermindert het echt gesprek, en de betekenis groeit eenzaam.
Weldra zullen we weer kunnen spreken.
De storm zal voorbijgaan, de bries zal afnemen;
in de rust, zal het regenwater sijpelen door de takken,
en de wolken zullen langzaam voortbewegen door de lucht,
en dan weer onbeweeglijk lijken.
Weldra kan ik weer zeggen dat ik van je hou,
en menen wat ik zeg:
maar nu, wijkt de storm nog niet.
Weldra zullen we weer kunnen spreken,
en dan zal ik, zal ik zwijgen.

(THE SONG OF SIRENS)

vertaling: Henri Thijs


(geplaatst op 11-06-2004)

terug naar boven
MICHAEL AYRES
gekozen en vertaald door Henri Thijs