Copyright © 2002/ 2005: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag
worden gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en
Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel.
013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
standaardschermresolutie van 800 x 600.  
De taal van de dichter is maar een klein onderdeel van de totale
eigenheid van de poëzie, die voor het overige bestaat uit stilte.  
Het is uit die eindeloze, onmetelijke stilte dat grote dichters -
Homerus, Dante en Kalidasa - hun tijdloze epen hebben geput en
tot uitdrukking gebracht.  In die oneindige ruimte van de sacrale
stilte ligt de genesis van de lyriek die door geen enkele dichter
ooit werd ontdekt, noch bezongen.  Ik denk dat alleen dichters in
't eeuwige vermogen te schouwen, omdat zij het eeuwige ervaren
met heel hun wezen en zo ook rijkelijk bewust worden van het
tijdelijke der dingen.  Een sprankelende levensvloed rust in hun
blik.  Daarom realiseren zij zich ook zo goed hoe kostbaar en
onvervangbaar elk levensmoment is - ook dit moment nu, dit
eigenste moment waarop wij spreken en schrijven.  En precies
wegens hun respect voor elk levensecht moment kunnen dichters
niet nalaten de innerlijke poëtische bezieling ervan tot uitdrukking
te brengen.  Dichters staan altijd aan de horizon van de tijd waar
geen begin is.  Elke morgen worden zij opnieuw herboren. Voor
dichters is elke dag de allereerste dag.  Zij aanschouwen de
wereld met de prille ogen van het eeuwige kind om te zien hoe
prachtig de dag wel is: het mirakel van het zonlicht gefilterd door
de bladeren van de bomen of de zilveren regendruppels dansend
op het raamkozijn als kostbare juwelen!  Dichters, als ontdekkers
van de onzichtbare wetten van het universum, zien alle dingen als
emanaties van het rasechte, gouden levenswonder.  Daarom
loven zij ook altijd elk bestaan.  Dichters weten dat het eeuwige
zich als een reusachtige mantel spreidt over ons zogenaamd
"gewone bestaan".  Bijgevolg zullen zij de dingen niet taxeren op
hun gebruikswaarde maar veel meer interesse tonen voor de
mate waarin de dingen schitteren vol leven.  Dichters waarderen
van nature uit elk ding an sich.  Zij handelen dus niet volgens de
regels van de vrije markt in een consumptiemaatschappij.  Zij
kiezen eerder voor voor de maatstaf van de geestelijke waarde.  
Zelfs een klein kladje papier, bekrabbeld door iemand met de
hand op het hart, is kostbaarder voor hen dan 1 miljoen dollars.  
Waar wetenschap beweert dat alles vervangbaar is, poneert
poëzie met klem de uniciteit van alles en iedereen.  De inhumane
behandeling van eender welk individu, waar ook ter wereld, is
voor hen geenszins tolereerbaar.  Aangezien ieder van ons een
onmisbare knoop vormt in het immense tapijt van de kosmos, zal
het verlies van ook maar een enkel individu het universum
onvolledig en onvolmaakt maken.  Vandaar dit groot ruimtegevoel
van de dichters.
De wereld van vandaag lijdt aan een ernstige malaise.  De
mensen hebben blijkbaar elke zin verloren en leven in een vacuüm
van spirituele dood.  Alsof het zwarte virus van het materialisme
hun harten heeft besmet en hen heeft omgetoverd tot robots,
kunnen ze geen verdriet, noch vreugde ervaren en proberen ze
hun geestelijke frustraties te verdrinken in vluchtige
ontspanningsriten.  Poëzie bezit de kracht om zulke geestelijke
vereenzaming te overwinnen.  Poëzie is de dynamische kracht die
door de zomerlucht zweeft als een wolk;  zij is een levende,
kloppende geest die elk gevoel en bekommernis voor anderen
weer zin kan geven; en zij is het licht dat schittert in onze ogen.  
Poëzie is daar waar de eeuwigheid is: poëzie is een schaduw van
de eeuwigheid. (*)

vert. Henri Thijs

(*) De gecursiveerde zinsnede komt niet voor in de originele tekst van
Dr. Krishna Srinivas, maar werd "oneerbiedig" door de vertaler
toegevoegd als "didactische synthese".

(geplaatst op 16-03-2005)

terug naar boven
POEZIE IS EEN SCHADUW VAN
DE EEUWIGHEID (*)
door Krishna Srinivas