Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 013/33.55.16. Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600.
ROBERT DUNCAN (USA) keuze en vertaling: Henri Thijs
|
Dat de Amerikaanse dichter Robert Duncan (07-02-1919 / 03-02-1988) zo een
fascinerende belangstelling had voor de mythe als inspiratiebron voor de literatuur, is
eigenlijk niet zo verwonderlijk. De mythe (Gr. Mythos, gesproken woord, verhaal)
heeft zowel godsdiensttheoretisch, politiek, cultureel als psychologisch de
beschavingsgeschiedenis van de mens en maatschappij grondig beïnvloed (*).
In godsdiensthistorisch opzicht vooreerst vertegenwoordigt zij de oudste wijze waarop
de mens zich rekenschap tracht te geven van de hem omringende wereld in de vorm
van een verhaal. Ze behoort dan helemaal niet tot het rijk van de fantasie en de
dichterlijke verbeelding, maar geeft uitdrukking aan een reële beleving van de
werkelijkheid. Doordat de primitieve en goeddeels ook nog de antieke mens de
werkelijkheid beleven als een activiteit van levende machten, heeft zij eerder te doen
met gestalten als met begrippen; zij zegt bijvoorbeeld niet dat het dondert, maar dat
Jupiter dondert, en zij bedoelt dat volkomen reëel. Als verhaal is de mythe de
weergave van wat er in de oertijd is geschied en is vastgesteld en dus gelden blijft.
Waar zij haar volle religieuze betekenis nog heeft behouden, is het vertellen van de
mythe een heilige zaak, die vaak slechts op bepaalde tijden mag plaats hebben. Want
vertellen is eigenlijk verhalen, weer present en actueel maken van wat eenmaal is
gebeurd. Niet zelden wordt bij de grote jaarriten het mythische oergebeuren mimisch
voorgesteld; zo werd dit in Babylonië bv. op het nieuwjaarsfeest gedaan met het
scheppingsepos. De oertijd is het exemplarische: alles wat in de geschiedenis gebeurt
kan niet anders dan herhaling zijn, en ontleent ook alleen daaraan zijn betekenis. Zo is
ook de heilige rite een navolging van wat eenmaal door de goden of de oertijdwezens
is gedaan. Omgekeerd kan de rite ook weer aanleiding zijn tot het ontstaan van een
mythe; beide zijn twee kanten van eenzelfde zaak: een vormgeving, een stilering van de
werkelijkheid (**).
In politiek opzicht vervolgens is de mythe vooral doorgedrongen als fenomeen en
bekend geworden dankzij Sorel (***). Deze verstond onder mythe een idee die niet
waar is, maar wel door haar inspirerend effect een cultuurdienende functie krijgt. Meer
toegespitst betekent dit dat de mythe als een nuttige vorm van volksbedrog kan
worden gehanteerd zoals Mussolini bv. dat heeft in de praktijk gebracht. De mythe
verschilt dan van de ideologie in twee opzichten: een mythe impliceert nl. bij haar
dragers (d.i. de hanteerders) geen bevangenheid in een vooroordeel en zij is geen
gesloten stelsel naar een ideële stimulans. Nazitheoretici als A. Rosenberg en P.E.
Keuchenius beschouwden de mythe als de door het bloed (d.i. voor hen analoog met
geaardheid) gedicteerde wereldbeschouwng van een ras. De twee kenmerkende
verschillen die de fascistische mythe van een ideologie onderscheiden zijn dus bij de
nazistische rassenleer afwezig.
In psychologisch opzicht tenslotte werd de mythe vooral verheven tot geestelijke
geluksbrenger door de bemoeienissen van de Amerikaanse mytholoog Joseph
Campbell (1904-1981) die als docent was verbonden aan het Sarah Lawrence
College te Bronxville, New York (****). Volgens hem is de mythe en de daarmee
verbonden leer gebaseerd op het gegeven van de eis van de held, die onderweg op
allerlei moeilijkheden stuit en deze overwint; en zo uiteindelijk triomferend terugkeert.
Het feit dat mythen en sagen van verschillende culturen soms zo opvallend veel op
elkaar kunnen lijken, werd volgens hem veroorzaakt door het zgn. "collectief
onderbewuste" uitgevonden en ontdekt door Jung. Volgens deze Zwitserse psychiater
hebben alle mensen een deel van hun onderbewuste gemeen met al hun raciale
verwanten. Om precies te verklaren wat hij daarmee bedoelde gebruikte hij graag een
geologische metafoor: individuele mensen varen als afzonderlijke bergen, ieder met zijn
persoonlijke structuur, maar wie dieper groef ontdekte dat iedereen ondergronds op
dezelfde lagen rustte, en dat de individuen op die diepte opgingen in één
gemeenschappelijke "oerlaag", zijnde het collectief onderbewuste.
Campbell trok hiermee de conclusie dat iedereen voor zichzelf die gemeenschappelijke
onderlaag moest proberen te ontdekken, m.a.w. de gemeenschappelijke held van
iedereen in zichzelf moet opsporen om gelukkig te worden. Hij ontpopte zich daarmee
als een van de eerste moderne goeroes die allen hun volgelingen veel geluk en rijkdom
beloven zodra ze ontdekt hebben wat ze nu eigenlijk willen.
In "Roots and Branches" zegt hij zelf hierover: " Altijd stond ik voor een dubbele
wegwijzer: de verticale en de horizontale gezichtsverwarring die later werden
gescheiden in een macro- en een panoramische vergezicht, een beeld rechts en boven
het ander. Reiken en aanraken. En een richten naar het punt dat reëel aanwezig lijkt
en niet. Deze pijnlijke doublure in zijn gezichtsveld staat later symbool in zijn poëzie
voor de duale realiteit van zichtbare en verbeelde werkelijkheid. Vooral deze laatste,
ondersteund door de klassieke mythologie, geniet duidelijk zijn voorkeur. Hij wijdde
er zelfs een volledige studie aan in 1968 met het momumentale werk: "The Truth and
Life of Myth: An Essay in essential Autobiography". En hij dankt er zijn grootste
bekendheid als "major poet" van zijn generatie aan. De mythologische poëtische
verzen die hem beroemd maakten komen trouwens alle uit de verzamelbundels die hij
in de jaren zestig liet verschijnen met de regelmaat van een klok: "The opening of the
field (1960", "Roots and Branches (1964)", en "Bending the Bow (1968)" waaruit het
meesterwerk komt: "A poem beginning with a line by Pindar" dat Henri Thijs vertaalde
en koos uit de intussen welbekende Amerikaanse bloemlezing “Contemporary
American Poetry”. (Contemporary American Poetry, 2nd Edition, Penguin Books,
1988, edited by Donald Hall.)
________________________________________________________________
(*) Zie: H. BARTH, Maske und Mythos. Hamburg 1959 in OOSTHOEKS
ENCYCLOPEDIE, deel 10, p.416 - Utrecht 1962.
(**) G. Van der Leeuw. De Primitieve mens en de religie. 1951.
(***) H. Barth. Ibidem
(****)Marcel Hulspas & Jan Willem Nienhuys. Tussen waarheid en waarzin. De
Geus, Breda 1998, p. 69
Een gedicht beginnend met een regel van Pindarus (*)
1.
"De lichtvoet hoort je en de klaarte zet"
een godenstap op de grens van de gedachten,
een vlugge, kloeke tred op het hart.
Wie is het die daar gaat ?
Waar ik je gezicht zie
hangen noten van een oude muziek
echo's van een Griekse lier in de lucht.
Op Goja's schilderij hebben Cupido en Psyche (ziel)
een pijnlijke, wellustige gratie
bezeerd door verlossing. Het koperen licht
dat op het slanke jongenslichaam valt is het zinnelijk
fatum dat de in blinde onschuld en duisternis
jammerende ziel verbant naar de ontberingen
van het verlangen.
Maar de ogen op het schilderij van Goya zijn zacht
en absorberen met extase de vlam.
Hun lichamen deinen uit van pure kracht.
Golven van visueel genot
hullen hen in een droefenis die hun ongeduld schraagt.
Een brons van verlangen, een roos die
de tippen van hun lichamen, lippen,
vingertoppen, tepels verbrandt. Het is niet gevleugeld.
Zijn dijen zijn van vlees, ze zijn wolken
beschenen door de ondergaande zon,
hete schittering op de lenden van het zichtbare.
Maar zij bevinden zich niet in een landschap
Ze verblijven in een duisternis.
De wind die de zeilen hijst, dient hen.
De twee jaloerse zusters die uit zijn op vernieling
dienen hen.
De duisternis dient hen.
De olie die hun schouders schroeit dient hen, en hun
wedervaren. Het lot, dat spint,
knoopt de draden voor de Liefde.
Jaloezie, onwetendheid, de pijn...dienen hen.
2.
Dit is tovenarij. Het is een passionele verspilling.
En wat als zij verouderen? De goden
zouden het niet dulden.
Psyche blijft behouden.
Mettertijd zien we een tragedie, een verlies van schoonheid
dat de stralende jeugd
van de God behoudt - maar vanop deze drempel
is het de ouderdom
die mooi is. Het is naar de oude dichters
dat we gaan, naar hun stamelen,
hun onveranderlijke eigenzinnigheid die stijl heeft,
hun veranderlijke waarheid,
de oude gezichten,
woorden gestort als tranen uit
een overvloed van krachten opgestapeld in de tijd.
Een beroerte. Deze kleine beroertes. Een kilte.
De oude man, zwak, deinst niet terug.
Rappel. Een fase zo gering,
enkel een deel van het woord gewnd
"De onweermakers dalen neer,"
en beschadigen een nw. Een new... (*)
Het heden ingedeukt door de U
van USA bleef overnacht. States. De zware wol?
Wolk. Treedt het heden binnen. Wat
als lelies 't uithouden in deze verwelkte deurtuin?
Hoover, Roosevelt, Truman, Eisenhower -
waar ligt bij dezen de krachtbron
die het hart beroert? Welke bloem van de natie
gewende bruidzoet aan de volle extase?
Hoover, Coolidge, Harding, Wilson,
horen de fabrieken van menselijke ellende koopwaar produceren.
Voor wie rinkelen de metten van het hart?
Edele mannen horen in de morgenstilte
de Indianen 's lands gewelddadig requiem zingen.
Harding, Wilson, Taft, Roosevelt
idioten, morrelend aan de deur van de bruid,
horen het gehuil van mensen in een zinloze schuld en oorlog.
Waar zat bij dezen de geest
die in het land terug productie en orde bracht?
Mc Kinley, Cleveland, Harrison, Arthur,
Garfield, Hayes, Grant, Johnson,
wonen in de wortels van de rancune van het hart.
Hoe droevig echoot Whitmans affectie voor Lincoln
tussen lanen en door oude bossen!
Er is geen samenhang meer. Enkel een paar
posten van de goederen blijven over. Ook ik
die een natie ben draagt bij tot de schade
vanwaar de rook der onophoudelijke vernieling
verduistert de vlam.
Het is tussen de grote littekens van het
kwaad dat ik mij begeef naar het lied van de verwanten
en de naakte snaar betokkel waarbij de oude Whitman
zong. Glorierijke vergissing! Die schreeuwde:
"Het thema is creatief en biedt uitzicht.
Hij is de president van de regulering."
Ik zie altijd hoe de onderkant keert,
damp die het teder landschap kwetst. Van waaruit
leliebloesems van moed, in hun streven naar een natuurlijke
maatstaf, openbreken in het dagelijks handelen.
3.
(Voor Charles Olson)
De taken van Psyche - het sorteren van zaden
tarwe gerst haver maïs koriander
anijn bonen linzen erwten - elke graansoort
op de juiste plaats
voor de nacht valt;
't verzamelen van de wol van de kannibaalschapen
( want de ziel moet wenen
en naderbij komen tegen de dood)
't plunderen van de hel voor een kistje dat Proserpina bewaart
en dat niet mag
worden geopend... bevat wellicht schoonheid ?
Neen ! Melancholie opgerold als een slang
in een dodelijke slaap
waaraan wij niet mogen
bezwijken.
Dit zijn de vroegere taken.
Jij hebt er reeds van gehoord.
Zij moeten onmogelijk zijn. Psyche
moet wanhopig zijn nu ze gebracht wordt naar haar
insectenleermeester;
nu ze moet luisteren naar de adviezen van het groene riet;
en van zelfmoord gered door een torengesprek
grillige instructies naar de letter moet opvolgen.
In het verhaal helpt de mier. De oude man in Pisa
in wiens geest
( om de soorten te kiezen ) alle zaden liggen
"Als een eenzame mier uit een opengebroken mierenheuvel"
had een deel overgelaten aan een insect, werd
opgehouden door een hagedis
(om de soorten te kweken)
"De wind maakt deel uit van het proces"
bepaalt een natie van de wind -
vader van veel begrippen.
Wie?
Ontstak het licht in het donker ? Begon
de vele rituelen van de passie ?
't Westen
uit het oosten mannen duwen
De eilanden die zwemmen
onder de zon, worden geprezen (vervloekt).
"Man op wie de zon is neergedaald!"
Daar is de held die het oosters
verzet bekampt om de dauw te bevrijden hij moet
de dochter van de Nacht weerstaan,
hekserij, zwarte passionele woede, begerige koninginnen
zodat de wollige zon gaat terugkeren uit Troje,
Colchis, India ...met al die schietende legers
verspild, moet hij alleen vechten tegen de brandstapels
van de Dag.
Het licht dat Liefde heet
rent voorwaarts naar passie. Het neigt naar donkerte.
Rozen en bloed vloeien over de wolken.
Eenzame, eerste ridders betreden de legende
in mijn grootvaders tijd: veedrijvers,
dierenkudden, priesters, goud.
Dit was het Westen. Schilders aanschouwden
zijn vergezichten badend in het licht en de melancholie,
genoten van zijn ravijnen, gehouwen als lege, enorme kloven
door de zon uit de rotsen.
Slangen verscholen
waakzame geheimen. De eerste exemplaren
overleefden de eenzaamheid.
Scientia
die de lamp draagt, gedreven door twijfel;
Eros naakt en wijs
lacht in zijn slaap; en het licht
dat gemorst zijn schouder verbrandt - de schande
die de legende verovert -
passie, verslagenheid, verlangen, zoeken
te vloeien naar waar de Geliefde is verdwenen. Psyche bereist
leven na leven, mijn leven, station na station
om te worden beproefd
Zonder ophouden, zonder
nieuws, enkel wetende dat - maar wat wist zij?
Het Orakel van Milete dat voorzeker
de waarheid gesproken: dat hij de Slang Verlangen
was die vliegt door de lucht,
een monster-echtgenoot. Maar zij vond hem eerlijk
hij die langs het mondstuk van Apollo pijn
uitstrooide
over de genezing van hen
gewond door zijn pijlen.
Rilke gefolterd door een rozendroom
zwartgeblakerd naar Eros toe! cupidaanse dood
staat erop. Je kunt dit niet weigeren.
4.
O ja! Prijs de luide voetstap waar
stap voor stap de grensloper
( in de Maverick Straat de sneeuw plof na plof
van het dak vliegend om 't huis - weer een stap)
die voet geïnformeerd
door het gewicht van al de dingen
die niet moeilijker te snappen zijn
dan de geestelijke verwantschap
van een enkel beeld.
O ja! Dit
allerbeste
de katalysatorkracht die de dagen
van een bestaan in het omringende medium verhelderen!
Ja, mooie, zeldzame wildernis !
Woestheid die de kracht van mijn tamme geest verifieert,
Ontginning beschermt tegen indianen,
welzijn dat, voorbereid op een ontmoeting met de dood,
de hardnekkige hymnen doet opgaan in
de vertakkingen van de vijandige lucht
die wanhopig wijkt.
Wie is daar? O licht het licht!
De Indianen zwichten, de ontginning valt.
De Grote Dood wijkt en laat ons onvoorbereid.
Lust zwicht. Elke minuut vordert de dag.
Zij zag het lichaam van haar geliefde
verbrokkeld van 't waken... of was het
van 't bekijken? Zoekers, bewakers we zongen
toen we nog kinderen waren of hadden geleerd te zingen
vooraleer onze verhalen begonnen en wij
die geliefden waren onze dierlijke levens begonnen
bij de Geliefde, bezworen om bewakers te worden.
Op de heuvel voor de wind opstak
begaf het gras zich naar de ene zee
en liet zijn halmen een voor een dansen in de golven.
Daar draaien de kinderen een Kring naar links
een Kring naar rechts
al Dansend... Dansend....
En de eenzame Psyche gaat door de jongen omhoog
naar de koning
die droomt in de holen van de geschiedenis.
De kinderen draaien rondjes en rondjes
London Bridge dat een Koninkrijk is valt.
Wij zijn zo ver gekomen dat al de oude verhalen
opnieuw worden gefluisterd:
de Segurberg, de Victorieberg, de Tamalpaisberg,
verrijzen om het mysterie van de Liefde te loven.
( Een ode? Het kunstwerk van Pindarus was volgens de uitgevers geen
standbeeld maar een mozaïek van metaforen.
Maar al was hij archaïsch, niet klassiek, een overblijfsel van vergane mode, er kunnen
in hem oude stemmen zijn achtergebleven die het hart beroeren. Zo kwam er een regel
van een hymne terecht in een roman die ik las om te inspireren.
Psyche, balancerend om te springen - en ook Pindarus, schrijft de uitgever, gaat te ver
en tuimelt - luisterde naar een toren die sprak: Hoor mij! Het orakel had gezegd,
Wanhoop maar! De Goden zelf verafschuwen zijn macht. En dan valt de
bloemenmaagd van de duisternis terug in het vlees van ons vlees, vanwaar overal ...)
de informatie stroomt
verlangend. Een regel van Pindarus
loopt uit het gebied van mijn lamp
naar de morgen.
In de dageraad die nergens is
heb ik de koppige kinderen gezien
die met de wijzers van de klok
en omgekeerd rondjes draaien.
________________________________________________________________
(*) Pindarus (Gr. Pindaros) (Cynoscephalae, bij Thebe, 518-Argos 438 c.C),
Grieks dichter, schreef in Dorisch kunstdialect een groot aantal oden voor koor
met instrumentale begeleiding, ten dele gewijd aan de lof der Goden (de genres
hymne, paean, dithyrambe), maar vooral aan die van de overwinnaars van de
Olympische, Pythische, Isthmische en Nemeïsche spelen. Alle 44 bewaard
gebleven gedichten dateren uit de periode 498-446. Voorts zijn ook vele
fragmenten, o.a. op papyrus, bekend. Pindarus was tijdens zijn leven in heel
Griekenland beroemd; zijn gedichten werden er, ondanks de zeer moeilijke vorm
tot in de Byzantijnse tijd als schoollectuur gebruikt en toen Alexander de Grote
in 335 Thebe verwoestte, liet hij alleen Pindarus' huis staan. De stijl van
Pindarus is gedurfd en beeldrijk, vol toespelingen. De metrische vorm is
oneindig gevarieerd. De inhoud getuigt van een diep, naar het monotheïstische
neigend, religieus gevoel. Velen beschouwden hem als de grootste Griekse
lyricus.
(Uit : Pindarus, Encarta (R) Encyclopedie Winkler Prins Editie)
terug naar boven
