Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
DEREK MAHON
keuze en vertaling: Henri Thijs
“DE VERSCHILLENDE LEVENS van DEREK MAHON ” door Henri
Thijs

De Ierse dichter Derek Mahon (°1941 Belfast) wordt door vele critici vaak op hetzelfde niveau
geplaatst als Nobelprijswinnaar en landgenoot Seamus Heany.  Beide grootmeesters in de poëzie
hebben een diep gewortelde nostalgie gemeen naar het verleden evenals een even grote hang naar
een betere toekomst.  Vooral Derek Mahon zoekt hierbij naar ontsnappingsroutes om uit de
dwingende realiteit van elke dag - die er een is van nietsontziend geweld en politieke machtsdeling
- te ontkomen.  Een van die paden door hem gebezigd heeft veel affiniteiten met de gekende en
wereldberoemde reïncarnatiegedachte (d.w.z. de voorstelling dat de menselijke ziel niet aan één
lichamelijk bestaan gebonden is, maar na korte of lange tijd in een nieuw lichaam haar intrek
neemt). Reden genoeg dus om ons in dat verband wat meer te verdiepen in dit fenomeen van de
"universele verhuizingsgedachte" die zowel het Oosten als het Westen nu en in het verleden in de
ban heeft gehouden en ook in de poëzie van vandaag sporen nalaat.  Volgens prof. Dr. H.W.
Obbink (*) is die verhuizing gericht op een nieuw mensenlichaam, maar het kan ook dat van een
dier zijn.  Met dit gegeven maakt men daarom ook onderscheid tussen reïncarnatie en de zgn.
metempsychose of zielsverhuizing.  Beide termen worden vaak dooreen gebruikt, maar strikt
genomen duiden zij twee verschillende voorstellingen aan, die ook wel eens gemakkelijk in elkaar
kunnen overgaan.  Het verdient daarom aanbeveling de term zielsverhuizing te beperken tot de
voorstelling dat de ziel onmiddellijk na de dood haar intrek neemt in een ander lichaam, hetzij van
mens, dier, plant of een ander object, en bij reïncarnatie alleen te denken aan de gedachte dat de
ziel zich incarneert in een nieuw ontstaan lichaam.  In die zin is reïncarnatie een voorstelling die
tamelijk wijd verbreid is.  Zij heeft vertakkingen in het verleden (de primitieve volkeren), in het
Oosten (vooral India) en natuurlijk ook in het Westen.  
De cyclische opvatting van het leven die bij de primitieven algemeen is, leidt gemakkelijk tot de
gedachte dat een kind dat geboren wordt, een teruggekeerde gestorvene is, en men tracht dan
ook bv. in West-Afrika door een bepaald ritueel er achter te komen "wie" dat kind is.  Toch moet
worden gezegd dat bij de primitieven het aantal reincarnaties doorgaans beperkt is en dat na
verloop van tijd de ziel te gronde gaat.  
Anders is het gesteld in het Oosten en met name in India waar al in 700 v. Ch.(**) het idee leefde
dat het goede van mensen met de rook van de crematie naar de hemel ging, waar het prettig
vertoeven was.  De overblijvende as zou dan het slechte zijn.  Deze opvatting veranderde
geleidelijk in het idee dat naar de hemel gaan alleen aan uitverkorenen was voorbehouden, maar
dat de gewone deugdzamen hun leven nog eens moesten overdoen, en de slechteriken ook, maar
dan als stekend insect.  Aan die eindeloze keten van steeds weer geboren worden en sterven (het
karma)  kan slechts een einde komen wanneer de mens zijn diepste Zelf, zijn "ziel" of zichzelf
erkent als één te zijn met de God Brahman (in het brahmanisme) of wanneer de mens door
geestelijke training zich van de wereld heeft losgemaakt en zijn levenswil heeft gedood, zodat de
lamp bij gebrek aan olie uitgaat (in het Boedhisme).  Dan pas staat het "rad van de geboorte" stil.  
De reïncarnatiegedachte is in het Westen gepopulariseerd en van racistische connotaties voorzien
door Madame Blavatsky en haar "Theosophical Society". (***).  Deze ideeën zijn weer
overgenomen door Rudolf Steiner en worden nog zorgvuldig bewaard door de antroposofie en
andere theosofisch gerichte kringen, zij het dan ook in gewijzigde vorm.  Er blijkt ontegenzeggelijk
een grote aantrekkingskracht van uit te gaan, ook de dag van vandaag nog, waarbij ten dele nog
dezelfde oorzaken werkzaam zijn als reeds in het oude India :
1) de ijzeren wet der vergelding, volgens welke ieder mens de consequenties van zijn daden te
dragen heeft, bevredigt het rechtvaardigheidsgevoel ;
2) de vele en grote verschillen in het lot der mensen schijnen hier een afdoende verklaring te
vinden : zij zijn de vrucht van vroegere levens ;
3) de leer dat dit kortstondige leven niet de enige kans is om zijn bestemming te bereiken, maar
dat hij in een volgend bestaan de gelegenheid heeft om zijn fouten te boeten en te herstellen en tot
een beter leven te komen, is aantrekkelijker en lichter te aanvaarden dan dat het met de dood
onherroepelijk en voor eeuwig is beslist, wat er van hem worden zal.  Vooral gezien tegenover de
aarzelende houding van de christelijke leer t.a.v. hen die hier op aarde het evangelie niet konden
kennen, lijkt de reïncarnatieleer een aanvaardbare oplossing, omdat de billijkheid er beter door
schijnt gewaarborgd ;
4) de christelijke dogmatiek kent na de dood maar twee soorten mensen : de voor eeuwig zaligen
en de voor eeuwig verlorenen ; de reïncarnatiegedachte schijnt meer rekening te houden met de
ook in zedelijk opzicht sterke genuanceerdheid van het leven: de mensen zijn niet zonder meer te
verdelen in absoluut goeden en kwaden ;
5) de gedachte van een, door een reeks existenties heen, geleidelijke opklimming tot volmaking
beantwoordt aan het immanentisme en het evolutionisme die nog steeds een grote plaats in het
moderne denken innemen.

Derek Mahon die de meest literaire dichter is van zijn generatie, heeft Britse en Ierse literaire
tradities verwerkt in zijn gedichten en daarbij internationale tendensen ingevoerd waaronder het
idee van de reïncarnatie hierboven voldoende toegelicht.  Geboren in Belfast (1941) waar hij
opgroeide, studeerde hij daarna in Dublin en woonde bijna twintig jaar in Londen, waar hij o.a.
poëzieredacteur van de New Statesman was en bewerkingen van klassieke schrijvers voor het
toneel en de tv maakte.  Sinds 1986 woont hij in de Ierse republiek in Kinsale, Co. Cork.  Hij
schrijft ook kritieken voor de The Irish Times.  Hij publiceerde o.a. Night Crossing (1968), Lives
(1972), The Snow Party (1975), Poems (1962-1978), The hunt by night (1982), Antarctica
(1985), The Yaddo Letter (1992); Selected Poems (1991).  
Hij gaf ook The Penguin Book of Contemporary Irish Poetry (1990) and Modern Irish Poetry
(1972) uit.  Bovendien heeft hij "Racine's Phaedra (1996)" vertaald, evenals "Selected Poems by
Philip Jaccottet (1987)" waarvoor hij the Scott-Manriet Translation Prize ontving. Hij werd
ettelijke malen bekroond met o.a. de "Irish American Foundation Award", de "Lannan
Foundation Award" , de "Guggenheim Fellowship" , de "American Ireland Fund Literary Award"
, de "Arts Council Bursary" , en de "Eric Gregory Award".
Henri Thijs koos en vertaalde van hem volgende gedichten die duidelijk en onmiskenbaar in het
teken staan van de reïncarnatiegedachte : "Levens" en "Het hiernamaals" (cyclus).(****)
________________________________________________

(*) Dr. H.W. Obbink.  Reïncarnatie in : Oosthoeks Encyclopedie 1963, deel 12, blz. 475
(**) Marcel Hulspas & Jan Willem Nienhuys.  Tussen Waarheid en Waanzin.  De Geus
Breda 1998, blz. 338 e.v.
(***) Dr. H.W. Obbink, ibidem
(****) Uit : ThePenguin Book of Contemporary British Poetry, edited by Blake Morrison
and Andrew Motion, London 1988.


* * *

TWEE GEDICHTEN VAN DEREK MAHON


LEVENS

In het begin
Was ik een toorts van goud
En weende zonnetranen.

Dat was op zichzelf wel leuk
Ware het niet dat ze mij begroeven
In de aarde tweeduizend

Tot een arbeider
Mij opdiepte met zijn houweel
In achttien vierenvijftig

En verkocht
Voor wat thee en suiker
In Newmarket-on-Fergus.

Ooit was ik ook een roeiriem
Geplant op de kust
Om de plaats van een graf aan te wijzen
Nadat het roerloze schip
Was afgedreven.  Ik dacht
Aan Ithaca toen, maar viel weldra
In stukken uiteen.

De tijd die mij het best beviel
Was toen ik een kleiknoop was
Gelegd in een Navajotapijt
Om de al te goddelijke

Suprematie van de menselijke
Artifact tot zijn aardse proporties
Terug te brengen.
Ik diende mijn schepper goed -

Hem werd een lang leven beschoren
Tot hij werd geveld in
Tucson door een elektrische schok

De nacht dat de lichten doofden

In Europa en nimmer meer
Werden aangestoken.

Zovele levens,
Zovele dingen om aan terug te denken !
Ik was een steen in Tibet,

Een tong van bast
In het hart van Afrika
Alsmaar donkerder wordend ...

Het lijkt mij
Allemaal een beetje onwerkelijk nu,
Nu ik

Een antropoloog ben
Met mijn eigen
Kredietkaart, dictafoon,

Nutteloze legerlaarzen,
En een hele scheepslading
Fotografische uitrusting.

Ik weet te veel
Om nog langer iets te zijn;
En mocht iemand in de

Nabije toekomst
Ooit denken dat hij eens
Is geweest wat ik ben
Vandaag

Laat hem dan
Zijn onbeschaamde ontologie
Vlug herzien
Of leer hem hoe te bidden.


HET HIERNAMAALS
voor James Simmons


1

In een donkere flat  word ik gewekt
Door het zacht gebrul van de wereld.
Duiven copuleren op de witte
Daken als ik de gordijnen opentrek
En uitkijk over Londen
regenfris opduikend uit het morgenlicht.

Dit is onze grondstof, de heldere
Regel waarop wij ons baseren
Voor de lange termijnoplossingen.
De redenaars keffen en geweren
Gaan af in in zijstraat ;
Maar het geloof sterft niet

Dat in onze tijd deze dingen
De schoolkinderen zullen verbazen
In hun onsectarische instituten
En de donkere plaatsen doen gloeien
Van liefde en poëzie zodra de macht
Van het goede overheerst.

Kleinburgerlijke naïevelingen zijn wij
Om ons in te beelden met onze
Bevoorrechte idealen de wijsheid in pacht
Te hebben, daar waar we maar vage schimmen
Zijn die 's middags als schaduwen neerstrijken
In de binnenstad.

2

Ik keer terug naar huis over zee
Voor de eerste keer in jaren.
Iemand tokkelt op een gitaar

Op het donkere dek, terwijl een meeuw
Droomt op de hoofdmast,
En maanovergoten golven jubelen.

Bij dageraad trilt het schip, keert
Om in een brede boog en
Doet de grijze zeearm huiveren
Voorbij het lichtschip en de boei,
De sleephelling en het droogdok
Waar een naakte lamp brandt;

En ik stap aan land in een miezerige regen
In een stad zo veranderd
Door vijf jaren oorlog
Dat ik nauwelijks de plaatsen
Herken waar ik ben opgegroeid,
Noch de gezichten die pogen alles te verklaren.

Maar de heuvels zijn nog steeds even
Grijs-blauw boven Belfast.
Misschien als ik was achtergebleven
En het had meebeleefd bom na bom
Zou ik misschien op den duur volwassen geworen
Zijn
En hebben geleerd wat door "thuis" wordt
Bedoeld.

terug naar boven