In Nieuw-Zeeland, het paradijselijk eiland vlakbij Australië,  is er met poëzie iets
bijzonders aan de hand ten minste als wij het programma van  Linda Clarke’s “Nine to
noon” op de nationale radiozender van dat land mogen geloven.  Volgens haar  kopen
Nieuw-Zeelanders met plezier en in grote aantallen poëzie.  Iets waarvan wij aan
deze kant van de Stille Oceaan alleen maar kunnen dromen.  En niet alleen wij.  Ook
in de USA, Groot-Brittannië en andere Europese landen debatteren literaire bladen
regelmatig over de kwestie hoe de mensen over  hun zgn. “poemophobia” heen te
helpen.  Die onverschilligheid t.o.v. dat medium is aan de andere zijde van de grote
plassen nog relatief beperkt vergeleken met de hoge vlucht die ze in onze contreien
aanneemt.  Immers de interesse voor de producten van de Muze is bij ons haast tot
nul herleid.  Het zoeken naar de oorzaak hiervan neemt soms wel groteske en burleske
vormen aan. En zoals steeds in dergelijke gevallen worden de redenen daarvoor
(drogredenen dus) steeds op de verkeerde plaatsen gezocht.   Zo voert men
regelmatig en mettertijd steeds intensiever de schoolopvoeding aan als de grote
boosdoener omdat poëzie aldaar zeer saai en onvoldoende boeiend zou worden
onderwezen.  Anderzijds beweren sommige literatoren of zeg maar
literatuurwetenschappers (en die kunnen het weten) in ronkende theorieën  dat het
een kwestie van perceptie is bij het intellectuele publiek.  Want over Jan Modaal  
moeten wij al lang niet meer spreken wat de belangstelling voor poëzie betreft.  Die
heeft reeds jaren definitief zijn rug gekeerd naar dat onverstaanbare en té complexe
literatuurfenomeen.  Voor hem/haar is het al decennia lang een uitgemaakte zaak:
poëzie is gewoonweg niet meer te verstaan en totaal ontoegankelijk.  Bij de
intellectuele laag van de bevolking liggen de zaken iets subtieler;  De perceptie
waarover hierboven sprake zit hem hierin dat men zich schroomt om voor dom of
onverstandig te worden aanzien bij het niet snappen van de geheimtaal en inhoud
(voor zover die er al is) van poëzie.   Niet kopen dus, zo kan men zich dan ook niet
bezeren aan beschamende vernederingen.  En toch is er nog een andere wel erg
bizarre kant aan deze medaille.  Er werden in onze contreien, mede door de opkomst
van het internet, nooit zoveel dichtbundels geschreven en/of gepubliceerd als nu,
weliswaar in kleine oplagen gaande van 50 tot maximaal 500.  Ook verschijnen er op
het internet dagelijks onnoemelijk veel zogenaamde blogs waarin praktisch iedereen
zijn (poëtisch) ei kwijt kan.  Eerst en vooral omdat die blogs meestal GRATIS zijn
(reden van de explosieve groei in Nederland?) en eenvoudig en zonder kennis van html-
technieken of wat dan ook kunnen worden tot stand gebracht.  Een andere
verbluffende vaststelling hierbij is ook dat die veelheid van bundels ook nog vaak aan
de man of vrouw gebracht worden en blijkbaar vlot hun weg naar een publiek vinden.  
In het licht van bovenstaande overpeinzing kan men zich afvragen : wie mag dat
publiek dan wel zijn, gezien de alomtegenwoordige en spreekwoordelijke afkeer voor
de poëzie vanwege de man in de straat?   Het antwoord is niet ver te zoeken : het
schrijvend volkje (of moeten we spreken van ‘massa’) zelf natuurlijk.  Dichters lezen
dichters wordt nu het parool en aangezien hun aantal gaandeweg exponentieel
toeneemt is het allicht meer dan aannemelijk dat de verkochte dichtbundels niet
verder geraken dan in de goed gevulde boekenkasten van collega-dichters.  Die collega’
s worden dan ook weldra vrienden en bespreken naarstig elkaars schrijfsels in de
genoemde blogs en andere sites op het net en elders.  Ze bewieroken elkaar dat het
een aard heeft en maken hierbij gebruik van de meest wetenschappelijke analyses en
interpreteercodes die maar denkbaar zijn.   Want om al die ingewikkelde en moeilijke
schrijfsels van vandaag de baas te kunnen moet je van wanten weten en heel wat
literatuurwetenschap in je bagage hebben.  Maar of dat elitair en speudo-
wetenschappelijk spelletjes-spelen nog lang zal doorgaan is zeker wel de vraag.  
Immers zoals in de biologie en de natuur zal er na een tijd een “incrowdfenomeen” de
kop opsteken.  En iedereen weet nu al wel duidelijk wat daar de gevolgen kunnen van
zijn.  Gezond is het alleszins niet.  Om nog niet te spreken van de destructieve
krachten die erdoor kunnen worden opgewekt.  Maar laat ons het verschijnsel even
achterwege en terugkeren naar onze dichter over de plas: GLENN COLQUHOUN.
Ook hij is begonnen met verstrikt te raken in de hierboven geschetste carrousel bij het
begin van zijn prille carrière als dichter (Glenn Colquhoun is nog maar 29).   Hij heeft
resoluut het poëtisch roer omgegooid en zo eenvoudig en simpel beginnen te schrijven
dat hij blijkbaar de link met het gewone publiek heeft teruggevonden.   Glenn is
dokter van beroep en zijn laatste bundel PLAYING GOD: Poems about Medicine kreeg
al kort na de publicatie de onderscheiding “platinum” toegewezen omdat er niet
minder dan 6.000 exemplaren van verkocht werden.   In een interview met Linda
Clarke in het genoemde radioprogramma “Nine to Noon” schetst de auteur in het kort
de weg die hij afgelegd heeft om te komen tot dit weergaloos succes.  De auteur
analyseert de hedendaagse poëzie met kennis van zaken en weet blijkbaar pertinent
goed waarover hij het heeft.  Spreken over poëzie, zegt hij, is spreken over een enorm
gevarieerd literair medium dat zich moeilijk laat vatten in een collectief begrip.  
Poëzie bestaat in tal van vormen en kenmerken. Zo bestaat er poëzie die prozaïsch is
en verhalend wat haar natuurlijk heel toegankelijk maakt voor een publiek.   
Anderzijds komt poëzie voor als een kunstvorm die speelt met het medium taal en die
een verhaal vertelt dat de taal zelf is, op dezelfde manier als schilders spelen met
verf en textuur.  En deze gedichten hebben natuurlijk ook hun recht op bestaan maar
eens dat je begint met het spelen van de taal en de aard van de betekenissen zullen
bepaalde mensen dat misschien interessant vinden maar voor de meerderheid van de
lezers trekt dit spel een zinloos gordijn op voor hun ogen waardoor elke zin ervan
verloren gaat en zij de betekenis van het gedicht niet langer meer onderkennen.  En
het is net die betekenis, dat begrijpen dat blijkbaar belangrijk is voor hen.
Want om poëzie te begrijpen en vooral te waarderen heb je een soort “code” nodig,
een sleutel die de deur opent naar het interne, intieme verhaal dat achter de woorden
schuilt.   Poëzie, hoe eenvoudig ook, zegt nooit werkelijk waar het om gaat.  Als daar
geen code of sleutel bestond waarachter betekenissen verborgen zitten en zich slechts
langzaam laten stelen, zou er waarschijnlijk nooit poëzie bestaan. Maar de sleutel
moet handelbaar blijven en na een paar keer in het slot van het gedicht te zijn
gedraaid de essentie openen waar het om gaat: de vreugde van de ontdekking, het
geluk van het herkenbare.  Het mag geen geheim codegetal zijn dat wereldvreemd is
en alleen maar door andere dichters kan worden ontsluierd.  Daarom dat de zgn.
“obtuse” (=moeilijke begrijpbare) poëzie de mensen afstoot in plaats van aantrekt
zoals dat hoort te zijn.  Glen Colquhoun houdt eraan dat mensen toegang krijgen tot
zijn poëzie.  Hiervoor hanteert hij een paar beginselen die voor elke dichter die
publieke aandacht wenst op te eisen van belang zijn.  Het eerste is dat hij wil precies
uitdrukken wat hij wenst te zeggen, m.a.w. een boodschap meegeven die duidelijk en
niet mis te verstaan is.  Ten tweede moet het gedicht aansluiting vinden bij de lezer,
het moet een band kunnen leggen en aanslaan.  En dan heeft het niet zozeer veel
belang of er duistere passages in de verzen schuilen die niet onmiddellijk en bij eerste
lezing worden opgehelderd.  Toch kan de boodschap, het verhaal dat wordt herschept
aanslaan.  Poëzie moet voor hem aanslaan bij het publiek.  Hij zegt het als volgt:
“Ik
ben begonnen indertijd met het schrijven van hermetische poëzie waarvan mijn
partner zei: ik versta daar geen woord van, schrijf eens iets dat de mensen kunnen
verstaan.  Toen ben ik beginnen te schrijven in een heel gewone, dagelijkse taal.  
Mijn credo is : ik schrijf voor mijn zusters en broers, mijn ouders en mijn vrienden;  als
die mijn boodschap begrijpen dan is mijn concept geslaagd en zullen andere mensen
dat ook wel kunnen.  Deze manier van aanpak heeft zich bewaarheid.  Taal is
tenslotte een middel van communicatie.  En als er niet wordt gecommuniceerd, krijg
je geen aansluiting met het publiek en gaan je gedichten de mist der vergetelheid in.”


Laat dit gezegd wezen door een van de best verkopende dichters van Nieuw-Zeeland.
Henri Thijs laat jullie in deze bijdrage proeven van die illustere eenvoud van de
gedichten van
Dokter Colquhoun en vertaalde vijf gedichten uit de recent
gepubliceerde bundel
PLAYING GOD: Poems about Medicine.  Oordeel zelf maar.
GRENZELOZE EENVOUD
tekst en vertaling: Henri Thijs
VIJF GEDICHTEN VAN GLENN COLQUHOUN
ALS IK TWIJFEL
een gedicht voor chirurgen

Als ik twijfel wend ik mij tot chirurgen.
Ik weet dat zij weten wat te doen.
Zij lijken zo zeker.

Ik sprak eens met een chirurg.
Hij zei als hij twijfelt
wendt hij zich tot priesters.
Priesters weten wat te doen.
Priesters lijken zo zeker.

Ik sprak eens met een priester.
Hij zei als hij twijfelt
wendt hij zich tot God
God weet wat te doen.
God lijkt zo zeker.

Ik sprak eens met God.
Hij zei als hij twijfelt
wendt hij zich tot mij.
Hij zegt dat ik weet wat te doen.
Ik lijk zo zeker.

(When I am in doubt)


* * *


VANDAAG WIL IK GEEN DOKTER ZIJN

Vandaag wil ik geen dokter zijn.
Niemand wordt beter.
Zij die gezond waren worden terug ziek
en zij die ziek waren nog zieker.
De stervenden denken dat ze in leven blijven.
De gezonden denken dat ze gaan sterven.
Iemand slikte te veel pillen.
Een andere nam er geen genoeg.
Een vrouw verliest haar echtgenoot.
Een echtgenoot verliest zijn vrouw.
De lammen willen terug gaan.
De blinden willen rijden.
De doven maken te veel lawaai.
De onderdrukten maken er niet genoeg.
De astmalijders roken.
De alcoholisten drinken.
De diabetici eten chocolade.
De gekken beginnen terug normaal te worden.
Ieder’s cholesterol is hoog.
De ziekte luistert niet naar mij
zelfs niet als ik een vuist maak.

(TODAY I DO NOT WANT TO BE A DOCTOR)

* * *


MET ANDERE WOORDEN

Met andere woorden
een gedicht is een manier
om te weten dat je leeft
even schokkend als een vis springend uit diep water
even scherp als
licht striemend
door een rij bomen
even brutaal als
het openen van je ogen tijdens een gebed
even simpel als
het wakker liggen in het holst van de nacht
luisterend naar het geluid van snurkende mensen.
Elke minuut
van elke dag
van elk leven
is een ganse bibliotheek.

(IN OTHER WORDS)

* * *


AAN HET MEISJE DAT NAAST MIJ STOND
AAN DE KASSA VAN WHITCOULL’S
BOEKHANDEL IN HAMILTON OP DINSDAG

Tien seconden lang was ik
verliefd op jou.

De eerste seconde ontmoetten wij elkaar.
Jij kocht een kookboek.

De tweede seconde bekeken wij elkaar,
stukjes van ons beiden uit onze ogen plukkend.

De derde seconde hielden wij elkaar lieflijk vast.
Jouw huid was een poesje spelend met een gordijn.

De vierde seconde kusten wij elkaar.
Voorpoorten sloegen tegen ons hek.

Tijdens de vijfde seconde huwden wij.
Jouw kleed was gemaakt van nikaupalm.

De zesde seconde bouwden wij een huis naast een meer.
Het was nooit proper en het gras groeide er tot aan onze knieën.

De zevende seconde waren we aan het ruziën:
over tandpasta en poëzie
en over wie het afval ging buitenzetten.

De achtste seconde werden wij dik en gelukkig
en lagen op de grond na het eten.
Jouw buik wriemelde met een rond kind.

Tijdens de negende seconde waren wij oud in dezelfde tuin
van hetzelfde huis naast hetzelfde meer in dezelfde liefdesroes.

De tiende seconde namen wij afscheid.
Jouw hand gleed uit de mijne maar
geleek voor mij op iets dat ik kon voelen.
Wij passeerden elkaar opnieuw zonder omkijken
alsof wij elkaar zomaar hadden ontmoet aan de kassa
van Whitcoull’s boekhandel in Hamilton
op een lichtblauwe dinsdag van september.

(TO THE GIRL WHO STOOD BESIDE ME
AT THE CHECK-OUT COUNTER OF WHITCOULL'S
BOOKSTORE IN HAMILTON ON TUESDAY)

* * *


EEN VERKLARING VAN POËZIE AAN MIJN VADER

Aan mijn Ma
En aan mijn Pa
Die mij goed maakten
En mij slecht maakten
Een excuus

Ik was niet een zoon om het Woord
van God te brengen naar de hele wereld.

Ik was niet een zoon die een mooie koe
kon uitkiezen op de markt

Ik was niet een zoon die bekwaam was
om aan smerige machines te sleutelen.

Ik won het spel niet
als het uit was.

Ik was niet een zoon om de hele dag te zweten
met een schop.

Ik was niet een zoon die koelbloedig kon blijven
bij het zien van zijn eigen bloed.

Ik was niet een zoon die de harten
van mooie vrouwen kon veroveren.

Ik spaarde niet voor slechtere dagen.

Ik was niet een zoon om geneesmiddelen uit te vinden
om vreemde ziekten te genezen.

Ik was niet een zoon die jou
een nageslacht van toffe kinderen kon bezorgen.

Ik was een zoon die geloofde
in het maken van poëzie,
wat, vermoed ik, is ten slotte
gewis hetzelfde.

(AN EXPLANATION OF POETRY TO MY FATHER)


(geplaatst op 18-06-2007)

terug naar boven
Copyright © 2002/ 2009 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768