CARLOS BARBARITO (Argentinië)
keuze en vertaling Stefan BEYST
HET PRIMORDIALE SCHEMATISME  IN DE POËZIE VAN CARLOS
BARBARITO
door Joaquin Ma Aquirre

Als de roman zich beweegt in het spanningsveld tussen taal en wereld, beweegt de
poëzie zich in het spanningsveld met het menselijke. Droevig lot van de dichtkunst:
het doelloos te moeten uitschreeuwen in een kakofonische wereld zonder glans.  
Gedichten maken - ja, gedichten màken!  - staat vandaag gelijk met verzinken in de
wanhoop van sociale stilte. Als de dichtkunst verschijnt, doet ze het op de toppen
van de tenen, en vol schaamte in een wereld van neonlicht en publicitaire fanfares.
Ver van het schandaal van de gebeurtenissen - het domein van de roman - buigt de
poëzie zich over het schandaal van het zijn, en nauw daarmee verbonden, het
schandaal van de taal die getuigt van de kloof. Want er is geen groter schandaal dat
het schandaal te bestaan, en erger nog, het bewust bestaan, waarvan de poëzie
rekenschap geeft.   

Zo, op de tippen van de tenen, verschijnt het werk van een groot dichter of het
grote werk van een dichter, op een hoog niveau in de wereld van de taal. Vanuit
Argentinië bereikt ons een ingebonden geschenk, een weldaad voor wie in staat is
ontroerd te worden door het woord.  Zoals Walt Witman zei over zijn werk: wie
ermee in contact komt, komt in aanraking met een mens, met het vlees.

Veeleer dan een poëzie van antwoorden is de dichtkunst van Carlos Barbarito een
poëzie van vragen gesteld aan de mens, het wezen dat gedoemd is om te sterven.
Bij gebrek aan antwoorden wordt de mens geconfronteerd met het eeuwige lijden
van het vragen en het zich vragen stellen.

Twee aspecten springen in het oog. Om te beginnen is er het spel van afstand
scheppen dat hij realiseert door de tegenstelling van termen van nabijheid en
termen van verte, van een hier en een daar, van een binnen en een buiten, van een
ruimte waarin men zich bevindt in het aanschijn van een andere die werd verlaten of
die werd uitgestoten. In dit verband moet onze aandacht in het bijzonder uitgaan
naar de manier waarop de kinderjaren worden opgevat - het kind verschijnt als
terugkerend element in vele gedichten - de kinderjaren als een ver verwijderde
ruimte, een verloren ruimte. De kinderjaren worden niet zozeer begrepen als de
periode waarin men volwassen wordt, als een stadium, dan wel als een andere
dimensie van het zijn, als een totaal verschillende toestand.

Als we het goed voorhebben, sterkt die dimensie zich uit tot in het moederlichaam
("de warme zak waarin ik werd gedragen"), het voorgeborchte  van de irrationele
wereld vol lijden waarin de mens is geworpen


... onlangs opgedoken
uit een mond van mysterie, waarin
hij hoorde stem en gehuil,
en van waaruit hij vroeg,
in een andere taal, zonder antwoord te krijgen:
wat is toch dit voorgevoel
van naalden, van ogen, van eters?


Uitgestoten, op de wereld geworpen, beweegt de mens zich in een wereld van ruïnes
die hem alleen maar kan doen verlangen naar de terugkeer, met inbegrip van een
omkering van de geschiedenis - "het lot achterstevoren", zoals de dichter schrijft.

Het andere element dat opvalt in de poëzie van Carlos Barbarito is zijn vermogen
om fundamentele, primordiale ruimtes te scheppen. De verscheidenheid wordt
herleid tot de elementaire vormen van alles: vuur, water, aarde. Als voorbeeld moge
dienen volgend gedicht:


Van het lichaam blijft niet veel over,
een echo, een bijna uitgewist spoor,
een schaduw, niet eens de meest bepaalde,
niets eraan heel en vol
om een zekere genade te verkrijgen van het vuur
enige vergiffenis van de wind,
een afglans van verlossing
geblazen uit de monden van het water


Of nog een ander:


                            
 Nog
heeft de wind geen taal,
heeft het vuur geen huis,
vindt het water geen bron,
geen kruik.
                                        Nog
is alles gebroken en verspreid,
gebroken en verspreid.


De aarde, het vlees, de modder van het leven, wij begrijpen dat het hier gaat om
het eigen menszijn, dat van het poëtisch subject, het werkelijke schouwtoneel van
het conflict, dat in het aanschijn van de economie van de middelen, de dimensies
van een eeuwig conflict verkrijgt, wordt opgeheven tot mythisch niveau.

Het is niet gemakkelijk om een eigen poëtisch universum te scheppen, zeker niet als
men zich daarbij wil beperken tot een primordiale schematisme zoals Carlos
Barbarito. Maar dit reductionisme, deze economie van de schets, de afwezigheid van
retoriek ten voordele van de gebroken lijn, verleent zijn dichtkunst een grote
expressieve kracht, een directheid die de lezer in zijn naakhteid aangrijpt.

In een tijd waarin de poëzie zich in zichzelf terugtrekt om zich te verheffen tot
'metapoëzie', verbaast ons de afwezigheid van poëzie als thema. Slechts één van de
gedichten - ¿para qué más, para qué caer en el narcisimo romántico? - concentreert
zich op de figuur van de dichter als zodanig. In het gedicht - een zeer mooi gedicht -
 wordt de figuur van de schrijver gedepersonaliseerd tot op het punt van zich te
verliezen in beelden van het zwarte, in de poëtische kronkels van het onzegbare:


Nathalie Sarraute

als ik schrijft,
                zegt ze,
weet ik niet of het een man is, een vrouw,
of een slang. Of
wat hetzelfde is, zeg ik,
zij en wij allen die schrijven
zijn niemand en al deze dingen
tezelfdertijd.
                En toch andere dingen,
die de rede of de waanzin
kan opnoemen:
                       de aal
in het duistere water, een klomp steenkool,
een heuvel die langzaam inzakt,
het amulet op de borst van de veroordeelde...
En ook deze roeispaan of deze riem
die in het water slaat tot het schuim wordt,
datzelfde schuim dat in het water voortbestaat
of in het water oplost.


Wij gaan doelbewust niet in op het natrekken van invloeden. De dichtkunst van deze
auteur is persoonlijk genoeg om haar eigen authentieke koers te volgen over de
zeeën van de poëzie: antiretorisch, uitgezuiverd, direct, en in laatste instantie
humaan, herinnert deze dichtkunst ons aan de waarachtige kwaliteit van de
dichtkunst, aan de alchimie van het woord: het vermogen om de modder, het
menselijk leed, de menselijke breekbaarheid ("Wat/ aan mij, vraag ik mij af, is niet
breekbaar,/blijkt niet kwetsbaar, verdeelbaar, breekbaar?") om te zetten in het goud
van de taal.

Maar we krijgen niet de indruk dat er iets is als een verlossing door de taal in de
poëzie van deze auteur. De poëzie is geen Prometeïsch woord, want er zal geen
genezing zijn voor de wonden. Veeleer een gebroken kreet, de getuigenis van een
nederlaag.

Hoe te leven als alles afstevent op de dood?

Als voorbeeld voor dit existentieel karakter, van het wezen geworpen in het absurde,
het niets, de paradox, volgend gedicht:


We graven allen met de handen
tot vanwaar een wenen te horen is.
                        Vandaag
weten we niets van de zee,
van de golven, van het licht van de verre schepen,
niets weten we van de hemel,
van de wolken en van de zwermen,
van het kwijl van de duivel meegevoerd op de wind.
We weten alleen te graven.
Voor de rest
               (de nagels gebroken,
de vingers bebloed,
de adem stokkend,
dringende en angstige monosyllaben)
van de rest weten we vandaag niets,
niets


Een oeuvre dat iemand de waarde van een dichter verleent, is een poëtisch eiland in
een zee van saaie windstiltes. In een landschap van creatieve droogte is het altijd
een vreugde om te stuiten op bladzijden die ons voeren naar de duistere uithoeken
van de menselijke ziel, die ons ertoe aanzetten om onszelf te hervinden in het
diepste van ons wezen.

© Joaquín Mª Aguirre Dpto. Filología Española III -UCM 4/01/99


VIJF GEDICHTEN uit "AMSTERDAM"

1

Assen van de middag, onder
een verkeerde berekening,
een onzekere mogelijkheid.
De pijler onder de enige brug begeeft het.
Blijft over een steen,
een stuk verwrongen staal,
een verbrijzelde baksteen
waarop vliegen paren.
De brug stort in, valt
naar de nacht,
het dichte net waarin wij allen vissen zijn,
plat, nauwelijks lichtgevend.
Lege vruchten van de deemstering,
waarom geen toeval zijn van het bloed,
de gecodeerde indruk van licht
op een fijn, gevoelig papier?
Het medelijden brandt op in zijn middelpunt,
het geheugen smeult op een plein van steen.
Er gaat een deur open en niemand komt binnen.
De echo wantrouwt de schaduw.

2

Ik geef de schuld aan het water, aan het naakt,
aan de voet die wegzinkt,
aan de verre rook die in de schijndood verdwijnt
Wie vergrendelde de tuin,
besliep tot as werd   
wat zou moeten stromen,
van gedaante veranderen, spreken in tongen?
Elk dagdier of nachtdier,
wordt zich bewust van het breekbare gewicht van zijn verlangen,
van de macht van de pest,
van het nutteloze van zich te wassen
in legers gebouwd op slijk.
En hij tokkelt maar, de heidense god, stof.

3

Uit het leven vloeit de wonde voort,
geen zee weet van dit voortgaan
onder ver verwijderde sferen
na de liefdeloosheid en de stilte.
Waarachtig is alleen het grazen,
de dag treedt ruggelings de nacht in
en de nacht is een mond
waaruit elk woord ontaardt en vergaat.
In de slapeloosheid, de weerspiegeling van het laatste en vreemde.
Waar wordt het geheim bewaard? Wanneer
zal de snaar zich spannen in de rustige lucht?
Elk huis herbergt tekort en onverschilligheid,
de spiegel en de dood, een getal zonder verband.
Waar worden bewaard het geld,
de vleugel, het teken van de vervoering,
de stem en de sintel, de snede, het medelijden, het mos?
Uit het leven vloeit de wonde voort,
geen zee weet van de prooi in de netten,
van de tak die brandt, alleen, ver.

4

I

Wat zal mij rechthouden
nu het leven wegloopt
als water uit de gootstenen,
vuil en  troebel?

II

Welke wereld laten we achter  
als onze obsessie de horizon is?
Niets ligt onder de grond, alles blijft onbegraven.
De splinters vliegen op
van het licht van de bliksem tot de donder.
Welke punt doorklieft de wind
als de volmaaktheid zich ontbloot voor de spiegel?
Wat begint en wat houdt op,
welke vonk zal taal verwekken, vlees?

III

Is dat verraad, de lucht die bezinkt in het bloed?
Is dat schuld, de vis gewikkeld in krantenpapier
en het hoopje gras dat het dier in de mond neemt?
Nu vloeit er uit de diepte operamuziek
die meteen verroest in de vochtigheid van de muren,          
nu vergaat het metaal van de begeerte,
het licht verliest zijn oog, het oog zijn licht.
Wie heeft handen, bijt met zijn eigen tanden,
prikt zich met splinters om wakker te worden,  
grift het gewicht van zijn leed in de harde pees van de nacht?
Wie verstaat het getal, het water,
de glans tussen de bladeren,
de leegte die over de liefde valt, over de liefde
en het lijk, over de schaduw op het lange pad,
over elke golf die beukt, over elk wind over het bewegingloze?


5

(Duchamp)                                         

Met een flessenrek, drie
veiligheidsspelden en een moer
kan men een wereld scheppen.
En met fietswielen,
dozen, letters van een typmachine,
kapstokken, glazen lampen,
stof, parfumflesjes,
karton, vet, nagels, jodium, gouden sterren.
Een wereld niet minder mooi dan deze,
niet minder verschrikkelijk.


De tekst over en de gedichten van CARLOS BARBARITO in een vertaling van Stefan
BEYST werden eerst gepubliceerd op de website in voorbereiding  geheel gewijd aan
deze dichter, nl:
http://d-sites.net/barbarito/nederlands/gedicht.htm
Op deze website worden alle gedichten van en teksten over deze Argentijnse dichter
rechtstreeks uit het Spaans vertaald door Stefan Beyst.  Beslist een aanrader voor
elke poëzieliefhebber!!

(geplaatst op 17-09-2004)

terug naar boven
foto: Marité Malaspina
Copyright © 2002/ 2009 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs.  Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd zonder
uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje,
Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
schermresolutie van 1024 x 768