Copyright © 2002/ 2004: Het Prieeltje Online.  All rights reserved. Webdesign: Henri Thijs. Niets uit deze uitgave mag worden
gekopieerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. 't (muzen-)Koeriertje, Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn
trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 013/33.55.16.  Deze site kan best worden bekeken
met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
Het is een vaststelling - op het eerste gezicht melancholisch maar nuchter beschouwd
ook verhelderend - dat de vroegste dichters uit onze geschiedenis het meest
idealistisch waren en dat de zgn. primitieve eeuwen de meest uitgekiende heroïsche
karakters leverden en de helderste voorstelling van een “volmaakt leven” hadden.  
Natuurlijk weten wij allen dat de Homerische tijden gevuld waren met onwetendheid
en lijden.  In die miezerige kleine barbaarse steden, in de toenmalige kampen en
hoevetjes, en op de slaafse scheepswerven, vulden onzekerheid en superstitie het leven
van elke dag.  Die eeuwen waren ongemeen arm wat betreft het levenscomfort en de
ontspanning van de geest door kunsten en wetenschap.  Toch hadden zij ook een niet
te miskennen zin voor beschaving.  De levensmachinerie die men beetje bij beetje
begon te ontwikkelen wekte gewis een bepaalde poëtische aantrekkingskracht op; zij
kende haar ultieme rechtvaardiging en bestudeerde haar ontluikende wisselwerking met
vreugde.  De poëzie van die eenvoudige en domme eeuwen vormde
dienovereenkomstig de meest melodieuze en gezondste beleving die de wereld ooit
heeft gekend; de meest accurate ook in smaak en gevuld met de meest doorleefde en
verheven inspiratie ooit.  Zonder afwisseling te schuwen baadden zij alle dingen van het
menselijke in het gouden licht van de morgen; zij bekleedden de pijn met een
majesteitelijke schoonheid, instinct met zowel zelfcontrole als heroïsche eerlijkheid.  
Nergens anders kunnen we zo een edele vertolking van de menselijke natuur vinden,
zó een spontane uitdrukking van het levensgenoegen, zó een compromisloze overgave
aan de schoonheid, en zó een groot vermogen om schoonheid in alles te ontdekken.  
Homerus, de eerste van alle dichters, was daarom ook de beste en de volmaaktste
lyricus uit de geschiedenis van de mensheid.
Vanaf dit beginpunt zien we, als we terugblikken in de geschiedenis van de Westerse
literatuur, de faculteit van het idealiseren steevast afnemen.  Daar waar zij hier en daar
zoals bij Dante nog een meer spirituele basis heeft en een subtiele en rijpe intellectuele
status, betaalt zij anderzijds daarvoor het gelag door een meer dan evenredig verlies
aan diepgang, doorleefdheid en scherpe uitdrukkingskracht.  En als ooit de verbeelding
in onze letteren eens een potentiële climax kende zoals bij Shakespeare (die elke
poëzie-exegeet overtroefde met een nooit geziene analyse van de menselijke passie en
karakterisering doorspekt met geniale Engelse humor) verliest ook die weer zijn
dantesk gevoelen voor smaak, volgehouden inspiratie, toewijding en rationaliteit.  Er
treedt zelfs effenaf nonsens op in zijn grootste werken.  Wanneer we dan opklimmen
naar onze dagen, vinden we dichters met bijna identieke natuurlijke begaafdheden
(want wat talent aangaat zijn alle eeuwen praktisch gelijk) en met nog ruimere en
rijkere inspiratiebronnen, want zij hebben al vele kunstvormen en literatuurtradities
achter zich in een levendige en bewogen maatschappijstructuur, een wereld die een
boeiende microkosmos toont van zijn eigen verleden en op zich een picturaal
amalgaam tekent van vele rassen, kunsten en religies.  Onze dichters hebben een schat
aan prachtige tragedies van de verbeelding ter beschikking, veel meer dan Homerus
had in zijn tijd aangezien zijn leefwereld nog maagdelijk onschuldig was aan elk
wezenlijk verval.  Zelfs meer dan Dante bij voorbeeld die steevast geloofde in de
definitieve vervloeking en ondergang van de wereld.  Hun inspiratie kan voorts putten
uit een rijke oerbron die gevoed werd door de latere pracht en praal van de
Middeleeuwse stijl met zijn pittoreske sculpturen en passievolle fantasieën evenals de
lange traditie van vele moderne sociale revoluties met hun illusievolle idealen en even
zinloze doelstellingen.  Zij hebben bovendien nieuwe en prachtige voorstellingen
gekweekt met de verworvenheden die de natuurwetenschap heeft gegeven aan de
wereld met het oog op de concrete invulling van de menselijke vooruitgang.  
Al die rijke experimenten en lessen ten spijt menen we echter dat onze hedendaagse
dichters volstrekt onbekwaam zijn om enige wijsheid van niveau te brengen, of om
enige poëtische vertolking van betekenis van het menselijk leven uit te beelden.  Onze
dichters zijn producenten van onderdelen en fragmenten; zij geven ons slechts episoden
en studies, brengen sketches van curiositeit, bijwijlen een glimp van de echte
romantiek; het ontbreekt hen duidelijk aan visie waardoor zij hun greep missen op de
algehele werkelijkheid en bijgevolg ook de kansen verspelen om een stevige en
stabiele idealisering tot stand te brengen.  Vergeleken met hen praktiseerden de zgn.
barbaarse eeuwen daarentegen wel een poëzie van het ideële; zij hadden beslist een
visie van de schoonheid, orde, en perfectie.  Ons tijdperk van materiële overvloed
heeft absoluut geen benul van al deze dingen.  Ons verbeeldingsvermogen is
retrospectief, grillig en wispelturig; onze idealen, voor zover die worden nagestreefd,
zijn negatief en partieel; onze morele status is een blinde en gevarieerde eigenheid.  
Onze poëzie is in een woord de poëzie van het barbarisme.
Deze poëzie moet worden gezien in het licht van de algemene morele crisis en
desintegratie van de verbeelding waarvan zij een verbale echo is. Herinneren we eraan
dat het verbeeldingsvermogen van ons ras werd gevormd door een dubbele discipline.  
Eerst en vooral de scholastiek van de klassieke literatuur en politiek en anderzijds de
leer van de Christelijke piëteit.  Deze dualiteit van de inspiratiebronnen, zeg maar deze
letterlijke contradictie tussen de twee rationaliseringsmethoden van de wereld,  is de
belangrijkste oorzaak van de incoherentie, de romantische onduidelijkheid en
onvolmaaktheid die grotendeels de producten van de moderne kunsten kenmerken.  
Een mens kan geen twee meesters dienen; nu zijn de omstandigheden wel zodanig
geweest dat hij onmogelijk de ene volledig kon afwijzen ten voordele van de totale
onderwerping aan de andere.  Totaal heiden zijn was onmogelijk geworden na de
ontbinding van die beschaving die zo universeel leek, en de val van dat keizerrijk dat
zichzelf had voorgesteld om eeuwig te blijven bestaan.  Totaal Christen zijn was
evenmin mogelijk om een gelijkaardige reden vermits de illusie en de cohesie van de
Christelijke Eeuwen verloren zijn gegaan en omdat bovendien het Christendom op
zichzelf fundamenteel eclectisch was.  Voor het erin slaagde de mensen voor een tijd te
domineren, was het verplicht zichzelf aan te passen aan de realiteit door vele elementen
uit het heidendom in zich op te nemen en vele gewoonten en principes in strijd met zijn
eigen identiteit te aanvaarden.  
Latere tijden hebben onder impuls van de onstuimige groei van het materialisme op dat
oud dualisme een nieuw geloof in de absolute macht van de mensheid gebouwd, een
soort retour naar de onervarenheid en zelfverzekerdheid van de jeugd.  Deze nieuwe
mentaliteit heeft vele geesten onverschillig gemaakt t.o.v. de beide genoemde
traditionele disciplines; geen enkele van beide wordt nog ernstig aanvaard om de
eenvoudige reden dat vanuit hun standpunt de mensen van vandaag menen dat geen
enkele discipline nog noodzakelijk is.  De herinnering aan de aloude opgelopen
desillusies is gesmolten met de tijd.  De onwetendheid van het verleden heeft
geringschatting gekweekt voor de lessen die het ons heeft geleerd.  De mensheid
verkiest het oude experiment te herhalen zonder te beseffen dat zij in feite niets anders
doet.
Ik zeg met nadruk ‘onwetendheid van het verleden’ niettegenstaande de nooit
voorheen voorgekomen  historische eruditie van onze tijd; want het leven is een kunst
die niet kan worden geleerd door observaties.  Immers de meest accurate en
begripsvolle studies leren ons niet wat de menselijke geest zou moeten hebben geërfd
van zijn lang bestaan.  Wij bestuderen het verleden als een dood object, als een ruïne,
niet als een autoriteit en een experiment.  Een van de  redenen waarom de geschiedenis
minder boeiend was in vorige eeuwen was dat men zich minder bewust was van de
scheiding met dat verleden.  Het perspectief van de tijd was minder helder omdat de
synthese van de ervaringen completer was.  De geest herkent niet gemakkelijk de
opeenvolgende fasen van een handeling waarin hij nog intens betrokken is.  Hij ordent
niet in tijdelijke intervallen de elementen van een enkele perceptie, maar plaatst ze alle
samen als vormden ze een permanent en reëel object.  De menselijke natuur en het
leven op de wereld waren reële en stabiele objecten in het gedachtepatroon van onze
voorvaderen.  Wel de acteurs wisselden, maar niet de karakters noch het spel.  De
mensen waren minder vatbaar voor afleiding omdat zij een groot bewustzijn
ontwikkelden voor identiteiten.  Zij ervoeren elke realiteit als in essentie hedendaags,
en waren bij het beoordelen van de uitspraken van een filosoof of de stijl van een
dichter, niet in de eerste plaats geïnteresseerd in het vaststellen van zijn ouderdom of  
het beschrijven van zijn omgeving.  De standaard van hun beoordelingsvermogen was
eeuwig; de omgeving waarin de mensen handelden leek hen niet het voorwerp van
enige substantiële verandering.  
Voor ons daarentegen is het picturaal element van de geschiedenis meer cruciaal
omdat wij onszelf aanvoelen als slechts de kinderen van onze eigen eeuw, een eeuw
ervaren als uniek en revolutionair die maar al te graag zijn eigen karakter leest in het
verleden, en alle andere periodes beschouwt als even fragmentair en boeiend als
zichzelf.  De elementen van verandering en permanentie zijn inderdaad overal
aanwezig, en de bias van de observator kan de ene of de andere belichten naar eigen
voorkeur:  de vraag is alleen of wij de zin van de dingen vinden in hun verschillen of in
hun overeenkomsten.
Nu is de gewoonte om het verleden te beschouwen als een stapsteen naar het heden of
de toekomst niet bevorderlijk voor het goed begrip ervan als vitaal en eeuwig
gegeven.  Het is een denkwijze die de zin van de morele identiteit van alle eeuwen
uitroeit daar waar ze de nadruk legt op de mechanische afwijking van een eeuw t.o.v.
de andere.  Bestaanswijzen die elkaar verwekken, sluiten elkander uit; ze zijn
schatplichtig aan de rest in zoverre zij het product vormen van nieuwe en andere
omstandigheden.  Ideeën die niets opwekken verenigen alle dingen door ze een
gemeenschappelijk referentiepunt toe te wijzen en een eenvormige waardenstandaard.  
De klassieke en Christelijke systemen waren beide systemen van ideeën, pogingen om
de eeuwige morfologie van de realiteit te vatten en zijn onveranderlijke constitutie te
beschrijven.  De verbeelding werd hierbij geacht alleen de hoogste objecten in
beschouwing te nemen om de essentie van de dingen te benaderen, zodat
onbeduidende veranderingen ervan slechts weinig aandacht kregen en bijgevolg de
studie ervan overbodig ging lijken.  De mechanische wetenschap, de wetenschap van
de oorzaken, werd aldus verwaarloosd omdat de wetenschap van de waarden, met de
kunsten die deze waarden konden uitdrukken, praktisch uitsluitend werd bestudeerd.  
Het omgekeerde is thans gebeurd. De zin van het leven ontdaan van elke
rationaliserende discipline en van een gezagsvolle en adequate uitdrukkingsmethode,  is
vervallen tot een uiteenlopende en oppervlakkige overvloed.  Religie en kunst werden
gekortwiekt.  Men is de oude stelregel vergeten dat we moeten kopiëren om zelf te
kunnen worden gekopieerd en dat we eerst moeten gedenken om te kunnen worden
herdacht.  Het is waar dat de veelheid van deze onbekwame inspanningen voor velen
een compensatie lijkt voor hun slechte successen, of zelfs een motief om hun absoluut
geachte superioriteit te staven. Onkunde, als het maar voldoende de passies beroert,
kan altijd wel een nog grotere onkunde vinden die haar goedkeurt.  Inderdaad,
sommigen zouden de Toren van Babel hebben beschouwd als de beste academie van
de welsprekendheid omwille van de grote verscheidenheid van oratorische stijlen daar
aanwezig.  
Maar aldus geschiedde het dat de verbeelding van onze tijd is vervallen in barbarisme.  
De poëzie van het barbarisme is niet zonder charme.  Ze kan vrij en gewillig spelen met
zintuig en passie omdat ze deze niet wenst te onderwerpen aan een heldere gedachte
of een aanvaardbare attitude van de wil.  Ze kan de transitieve emoties die ze uitdrukt
onthullen; ze kan vele partiële harmonies van stemmingen en fantasieën ontdekken; ze
kan krachtens haar bloedhete irrationaliteit wilde kreten uiten, zichzelf en ons
overgeven aan een ongebreidelde passie, en een grotere wilde rijkdom van beelden
ophopen dan dichters zouden kunnen met meer beheerste ervaringen of hemelse
inspiraties.  Irrationele stimulansen kunnen na bepaalde tijd vermoeien maar ook
boeien in het begin.  En hoeveel conventionele dichters, tere en breedsprakerige, zijn
er al niet geweest die ons vermoeien nu zonder ooit iemand te hebben verrast?  Het
vermogen om te stimuleren is het allereerste begin van grootsheid, en wanneer een
barbaars dichter al eens een keer talent heeft, zoals er wel zullen zijn, dan stimuleert hij
des te heviger door de grofheid van zijn methoden en de roekeloosheid van zijn
gevoelens.  De gebreken van zulk een kunstuiting  - geen onderscheidingsvermogen,
afwezigheid van schoonheid, verwarring van ideeën, permanente onkunde om te
behagen – zullen nauwelijks worden onderkend  door het hedendaags publiek, want
geen dichter is zo ongedisciplineerd dat hij geen lezers zal vinden - voor zover hij wel
lezers heeft – die nog minder gedisciplineerd zijn dan hemzelf.  


terug naar boven
DE POEZIE VAN HET BARBARISME
door George SANTAYANA
(uit: Interpretations of Poetry and Religion)
(vertaling: Henri Thijs)
(c/r Harry Ramson Humanities Research Center)