HET GELAAT VAN DE ZEE vertaald naar 't Engels van Kamal Abu-Deeb door Henri Thijs
NetBook nummer 61 - uitgave Het Prieeltje Online
SPIEGELS
EEN SPIEGEL VOOR KHALIDA
1 DE GOLF
Khalida een pijn waarrond bladeren verschrompelen Khalida een reis die de dag onderdompelt in de wateren van de ogen, een golf die mij heeft geleerd dat het licht van de sterren, dat het gelaat van wolken en het gekreun van stof alle een bloem vormen.
2 ONDER WATER
Wij sliepen in een gewaad geweven met kersen van de nacht. De nacht een en al stof en de ingewanden het feest van het bloed, het ritme van de castagnetten en de stralen van de zon zonken in het water. En zwanger werd de nacht.
3 VERLOREN
Eens, op de dool in jouw handen, werd mijn lip een burcht verlangend naar een belegering, smekend om een wilde verovering. En jij kwam naderbij. Jouw pols was een sultan, jouw handen de voorhoede van het leger, jouw ogen een schuilplaats en een vriend. Wij smolten samen, verloren samen onszelf, betraden het woud van vlammen,- ik zette de eerste stap, en jij toonde de weg...
4 MOEHEID
De oude moeheid rond het huis heeft nu haar urnen en haar balkon. Zij sluimert in haar hutten, zinkt weg in afwezigheid. Hoe wij bezorgd waren over haar dwalingen; wij renden rond het huis, vroegen naar haar aan elke grasspriet, baden, huilden toen wij haar ontwaarden: Hoe, wat en waar? Elke wind heeft bestaan, elke tak heeft bestaan, maar jij hebt niet...
5 DOOD
Na deze momenten, zal de kleine tijd komen, En zullen de begane stappen en wegen terugkeren. Na deze momenten, zullen de huizen verouderen, en het bed zal de vlammen van zijn dagen blussen en sterven. En ook de hoofdkussens zullen sterven.
EEN SPIEGEL VOOR HET LIJK VAN DE HERFST
Heb jij een vrouw gezien die het lijk van de herfst draagt, haar gezicht vermengt met het trottoir en haar kleed weeft met de stralen van de regen terwijl mensen in de assen van het trottoir dode sintels zijn?
EEN SPIEGEL VOOR ABU AL-‘ALA’
Ik herinner mij het bezoek aan jouw ogen in al-Ma’arra, en het horen van jouw voetstappen. Ik herinner mij het bewegen van het graf dat jouw voetstappen nabootste. En rond jouw graf, sluimerde jouw stem als een beving in het lichaam van dagen of het lichaam van woorden op het bed van poëzie.
Jouw ouders waren er niet, noch al-Ma’arra.
EEN SPIEGEL VOOR DE WOLKEN
Vleugels; maar die zijn van lijm. En de watervallen van de regens zijn geen regens maar schepen voor tranen.
EEN SPIEGEL VOOR DE 20STE EEUW
Het gezicht van een kind. Een boek gekerfd in de ingewanden van een kraai. Een monster dat nadert met een bloem. Een rots ademend in de longen van een gek. Dit is, dit is de twintigste eeuw.
EEN SPIEGEL VOOR HET VEREERDE LICHAAM
Elke dag smelt het vereerde lichaam in de lucht, wordt een geur. Het revolteert, beveelt elke geur te komen naar zijn bed, verhult zijn dromen, lost op als wierook en keert terug als wierook.
Zijn eerste verzen zijn een kwelling van een kind verloren in de draaikolk van bruggen, niet wetend hoe te blijven noch over te steken in het water.
EEN SPIEGEL VOOR DE GETUIGE
Toen de speren tot rust kwamen in de laatste ademtocht van Husain, en zichzelf versierden met het lichaam van Hussain, en de paarden vertrappelden elke porie in het lichaam van Husain, en de gewaden van Husain werden geplunderd en bevuild,
zag ik elke steen zachtjes leunen over Husain, zag ik elke bloem slapen op de schouder van Husain, zag ik elke rivier stromen in de begrafenis van Husain.
EEN SPIEGEL VAN DE ORBIT
Na het vuur van de orbit, na de nectar van de wonde en de droom in het bed van de fruitoogst, lichtte de passie van de dominantie op. Ik beklom mijn smeken en zijn vuur, waarna we weg trokken van een sijpelend eiland van schuim over het tapijt van het transparant universum.
En vandaag ben ik een astraal aroma. Ik aanschouw mijn beeld in een spiegel en smelt Tijd in een spiegel van gevangen licht voor mijn goddelijk gezicht, voor de dag zo scherp als het hart, voor de verovering, voor de magie van oneindigheden en dimensies.
EEN SPIEGEL VOOR ORFEUS
Jouw pijnlijke lier, Orfeus, kan de zuurdesem niet veranderen, weet niet hoe zich op te smukken voor de geliefde, gevangene in de kooi van de dood, een smekend bed van liefde, een lok en twee armen. Wie ook sterft is dood, Orfeus, en Tijd galopperend in jouw ogen struikelt. En in jouw handen breekt de lier.
Ik vang nu een glimp van je op: staande op de oevers.
HET GELAAT VAN DE ZEE
1. De alchemie van Narcissus (Een droom)
De spiegels verzoenen middag en nacht; achter de spiegels een lichaam dat de weg toont naar zijn maagdelijke streken in de ruïnes van de eeuwen en de ster van de weg uitwist tussen zijn ritme en het gedicht en de laatste bruggen oversteekt.
En ik vermoordde de spiegels en mengde hun narcistische straling met de zonnen. Ik vond de spiegels uit als een dagdroom die de zonnen omhelsde en hun hemelse grandeur.
2. BERG SINNIN (Een droom)
Sinnin, in zijn lege kamer reciteert voor de nacht, voor de bomen, en voor hen die de middernachtsolie aansteken, zijn meest verheven pijnen.
3. EEN JASMIJN (Een droom)
Mohammed reisde in een brood om nooit meer terug te keren. En Sarah daalde af in een grot en vroeg aan de spleten en de stenen naar haar vriend en loste op in een sjaal. En Ahmad zingt het lied van een immigrant verloren in een land dat zelfs de lijken van de slachtoffers verslindt. En Salih draait rond in een wolk wiens trouwe winden hem leiden naar de top van een tuin zonder vlinders, noch lijken. En ik rees op in mijn gedicht, rees op in mijn kinderachtig volk, even buigzaam als een jasmijn.
4. DE SCHIL EN DE DAGEN (Een Droom)
Een schil. De stad is verdwenen; zand rond mijn ogen. Mijn handen, mijn lenden... twee speren, en de aarde is een krater, De zon heeft jou gepeld, de storm heeft jouw gezicht vernield, en het licht is uitgedoofd. Dit is het lijk van de wereld, dit is zijn wandelende tombe. Mijn hand is een vuist van aarde die niets dan kiemen en dromen omklemt. Mijn ogen hebben hem gewassen; noch de bladeren van de geschiedenis, noch het pad van de woorden zijn er te vinden.
Hij is mijn thuis, mijn groene brug gespannen over de dagen en de dagen.
5. HET GEDICHT (Een Droom)
Ik hoor de stem van de Tijd: het gedicht is her en der een hand. Het gedicht dat zijn twee zoekende ogen. Hebben de waterlelies de deur gesloten van hun hut? Heeft men een nieuwe poort geopend? Her en der een hand; en de verte weifelt tussen het kind en het slachtoffer zodat de verborgen ster kan rijzen en de wereld zijn transparantie herwint.
6. DE STENEN
1.
Een steen droop en iets ontlook in de muren en de ruimte werd zachter en verleidelijker. Een steen droop, en iets veranderde in de mensen.
2.
Lang geleden werd ik smoorverliefd op een steen. wij smolten samen, scheidden daarna weer. Lang geleden stelde ik mij een steen voor als een navel, en de spiegels waren onze rendez-vous; wij ontmoetten elkaar, werden samen gewond, sliepen en ontwaakten, scheidden van elkaar- keerden daarna weer terug. En vandaag ben ik verder en meer doortastend dan wat de spiegels mij vertellen. Want ik ben het eerste brokstuk, en ik ben het laatste brokstuk.
3.
Een steen beschermt de borsten van een zwangere vrouw. Een steen raakt vergiftigd, wankelt in de wenkbrauwen van de dichter wordt een wilde duif die in de wenkbrauwen van een dichter nestelt.
Een steen blijft heel de nacht wakker, wordt een gordijn dat over het voorhoofd van de dichter hangt en verandert in een witte wolk.
4.
Leid hem, o witte wolk Hij kent zijn weg niet in de spiraal van de duisternis.
En wanneer hij zich begeeft naar het licht naar de verborgen uitgestrektheid in het thuisland van de woorden nog onschuldiger dan een vogel, knalt een geweer hem af,
Leid hem, o witte wolk. Neem hem mee en reinig hem van de nacht van zijn moordenaars.
In godsnaam ik smeek U o witte wolk.
7. HET BROOD
Het brood keert terug naar zijn deeg, schuilend in een gedicht, zoals ik. Wij zwierven blootsvoets rond heel de nacht. Heb jij gegeten? Neen. Afscheid genomen? Neen. Weerstaan aan je stem als hij zijn koninklijke wonde opende? Neen. Wij zwierven heel de nacht op de bodem van een lied, kijkend naar de zeilende schepen van de letters. Ik veegde mijn letters van mijn gezicht en zette de hoed van de herfst op om de drijvende tombe te kunnen vastgrijpen. En wij bogen het hoofd. De treurige populier rees omhoog, zeggend – ik kan het hem horen zeggen – het brood en ik zijn twee tekens. Elk lied is een boodschapper, en het water is een ver gehinnik.
Het brood en ik zijn het bloed. Wij zwierven heel de nacht rond. De straten snikten. De knieën van de minaretten bogen. En wij bogen...
8. DE MARTELAAR (een droom)
Toen ik de nacht zag in zijn vlammende oogleden en geen palmen vond in zijn gezicht en evenmin sterren ontwaarde, wervelde ik rond zijn hoofd als een storm, en scheurde als een riet.
9. HET GELAAT VAN DE ZEE (een droom)
Ik hoor in Mihyar een gedicht dat weet hoe de nacht van het graf te verwonden met de zon, en weet hoe te komen in de voet van de zon en het gelaat van de zee...
10. DOOD (een droom)
Toen ik de dood ontmoette op mijn pad zag ik mijn gedachten zag ik mijn gezicht een karavaan uitgestrekt als nevel. En ik zocht een asiel in de bliksem gegrift in de aarde
11. EEN DIALOOG
Zeg niet dat mijn liefde een ring is of een armband. Mijn liefde is een belegering. Mijn liefde zijn deze woestelingen zeilend naar hun doodsspoor. Zeg niet dat mijn liefde een maan is. Mijn liefde is een vonk.
12. SPUITEND BLOED (een droom)
Ik droom. Deze stem zal de mijne niet zijn. Jij bent het uitgespreide lijk, ik het spuitend bloed van een geslachte beschaving, die het vuur van de dood ontsteekt en ook weer dooft.
13. DE ROOS
Neem een roos, en leg ze neer als een hoofdkussen. Na een tijdje zal de klucht je ontbinden in modder en slijk, een bom je opslorpen in het rijk van zijn bezittingen.
Neem wat later een roos, noem haar een lied dat je zingt voor alle schepsels.
14. DE VOGEL (een droom)
Ik luisterde: een vogel op Sinnin schreeuwt om de rust te doen heersen en het zingen te doen klinken als het lemmet van een mes dat snijdt de vrieskou van de stad met zijn schorheid en tranen.
15. DE MINARET (een droom)
De minaret weende toen een vreemdeling kwam en haar verwierf en een schouw bouwde op haar dak.
16. DE DROOM (dagdromend)
Ging je weg? Verdween je? Ik wist dat je rondwaarde als vonken en parels en golven van verleiding komend en gaand met de seizoenen. Ik zag jouw vuren in de velden, jouw ogen waren vleugels, jouw gelaat kwam op als de horizon koesterend de zonnen en wassend de wanhopige Aarde.
Ging je weg? Verdween je? Ik zag jouw gelaat in de velden, water reizend door de wortels naar zijn geheime steden in het gras, in de rivier van de seizoenen.
17. DE GOLVEN (Een Droom)
Golven: op hun stappen richt ik mijn eilanden op en laat ik mijn geschiedenis aanvangen, door ze te verkruimelen, te verzamelen, te zuiveren. In mijn taal doet de ruimte van de dood mij herleven, en in mijn papieren de ruimte van de wonde
Golven met gebiedende beelden, golven die samensmelten met de wegen van de zon en hun haltes openen in mijn borst.
Golven die mij leren dat het hiernamaals de orbit is van de droom en het reizen.
18. DE STAD (Een Droom)
Ik sliep met de stad aan de oorsprong van de takken en het opengaan van de wonden. Op mijn bed was het rustelozer dan op een boot op bulderende zeeën, als de bevruchting haar wiegde, en al haar aderen opende...
En de stad ontwaakte. Het bed was een rivier van liefde en de bevruchting een verhaal van twee verliefden.
En haar borsten waren twee steden.
19, EEN VOORSPELLING (Een Droom)
Aan het thuisland gegraveerd in ons leven als een graf, aan het gedrogeerde, vermoorde thuisland verschijnt een goddeloze zon uit onze sluimer van duizend jaren, uit ons verlamd verleden, om de sjeik van zand te doden en de sprinkhanen en de tijd te doden die groeien op zijn weilanden en verwelken op zijn velden als paddenstoelen.
Een zon die houdt van verscheuren en vernietigen rijst achter deze brug...
20. WEST EN OOST (Een Droom)
Iets om uit te rekken in de tunnel van de geschiedenis, iets opgesmukt en explosief, dat zijn petroleumkind draagt, vergiftigd en bezongen door een vergiftigde handelaar. Een Oosten als een zuigeling dat aangepord werd tot smeken, en het Westen was zijn onfeilbare Heer.
Die kaart is hertekend. Het universum is nu in lichterlaaie, en Oost en West zijn samen een enkel graf verrezen uit hun as.
21. EEN OOR VAN KOREN (Een Droom)
Een oor van koren schommelde tussen de vagebond en zijn dagen; een oor van koren schommelde en wenkte, en ik zag het daglicht als een klok die de ramen en de gesloten steden opende.
Een oor van koren schommelde in de melkweg van de lentes, in de lust van het stof. En ik zag de vogels nestelen. De regens waren schepen die het ijs veegden van het gaanpad van knoppen en gras. De bomen waren schepen die de steden droegen en de maan keerde naar de loef van de maagdelijke ruimte.
22. EEN MAGIËR
Eerder of later is het universum geboren gebonden aan de hoorns van een behekst hert, terwijl het zijn schaduwen borstelde op de bomen: een tak in zijn beeld, een andere bloeiend tussen de nagel en de nagel, en een derde bewapend met de tederheid van vuur –
ik, trekkend door de wouden van visioenen en honger, ben de oorsprong van deze tak. Mijn gelaat vertoefde in de koepel van de dood en bracht de magie terug die haar verlichtte, om haar dan weer te verliezen. Dan vroeg ik aan de bevriende sintels om wierook op te wekken voor haar omgeving, haar golven en haar zeilen. En ik droeg het kinderlijke gras, als mijn wimpers, en reisde in het verlangen van de zuigeling, in vreemde winden gewijd aan mijn gewond bloed, aan mijn liefde gebonden aan de hoorns van een behekst hert.
24. DE NAMEN (Een Droom)
Ik zal de kapitein van jouw toekomstige dagen transformatie noemen, O, land van de Caliphs en zijn Volgelingen. En jouw begraven, ondoorgrondelijk gezicht zal ik een planeet noemen, en het gedicht het halo van de vervreemde ridder, rond jouw toekomstige dagen.
25. DE PAREL (De Droom – De Spiegel)
Hoe begeef ik mij naar mijn volk, naar mijzelf? Hoe begeef ik mij naar mijn passie en mijn stem? Hoe verhef ik mij? Wanneer ik enkel een rivier ben die de parel van de poëzie draagt, enkel een droom een licht ben verblijvend in het lichaam van de nacht, onstuimig ben, en de Aarde omhelst als een vrouw en in slaap val en mijn liefde in haar ontwaakt als een veroverende vlam die zich in haar lichaam opent of een teken naar haar brengt, of een boek ben en mijn lichaam uit inkt bestaat en mijn ledematen woorden zijn.
Hoe begeef ik mij naar mijzelf, naar mijn volk? Wanneer mijn bloed vuur is, mijn verleden een hoop afval opgestapeld in mijn borst. In mijn borst is er vuur, zijn er ruimtes, en lichamen van eeuwen die zichzelf voortslepen. Het verleden is een spiegel en de beschavingen zijn spiegels
die verbrijzelen.
Oh, neen. Laat mij, ik kan stemmen horen zingen in mijn assen, en zie ze aan mij voorbijgaan zoals de kinderen van mijn thuisland.