Gun mij de lichtheid zo op reis te gaan
Joop SCHOLTEN
Joop Scholten is geboren in 1942 en woont
in Amsterdam. Sinds een paar jaar schrijft hij
(opnieuw) gedichten, vooral rond de eeuwige
thema's liefde en dood.

In dit NetBook vindt u zeventien fragmenten
die samen een verbeelding vormen van de reis:
de laatste reis die iemand maakt, alles achter
zich latend, uiteindelijk ook zichzelf.

Wij verwijzen graag naar de website van de auteur:
www.joopscholten.nl.
Gun mij de lichtheid zo op reis te gaan

I.

De dag zal helder zijn, tot op de kern
doorzichtig. Lichtval uit het noorden.

Geen stof dat, zwermend, van de weg opwaait.
Alleen een enkel blad, als er dan toch
iets ritselt, hoog aan de populieren.

Jij die mij achterna kijkt, mij laat gaan.


II.

Verwacht niet dat ik nu nog omzie.

Ik weet hoe je daar staat, kleurrijk
tussen de bloemen die jij altijd wilde.

Het ruisen van je bloed, een lied
dat breekt. Je handgebaar, de vogel
die bij jou vandaan een eindje meevliegt.

Jij, iedere haar rond je gezicht,
ieder pluisje op je rok.

Maar tegen zoveel verder horizon.


III.

Er was de nachtelijke koude. En jij

mijn overkleed, mijn nachtportiek,
mijn schijngestalte om in weg te zinken.
Vergeef mij dat ik niet meer kon verdragen

dan dit: halve behuizing voor elkaar,
veeg omhulsel, nauwelijks
voldoende warmte om niet te verstijven.

Een aanraken. Een samenzwijgen
dat herbergzaam aandeed.


IV.

Nu weggaan, zonder bijgedachten.

Niet langer een aankomst voor ogen,
een plaats waar ik de hand op leg
en zeg: hier ben ik, ik besta.

Slechts open ruimte die ik niet meer vul.

Gun mij de lichtheid zo op reis te gaan.


V.

Dit uitdijend heelal, uiteengerekt als doek
dat rafeldun werd: het kostte mij
een leven om het mij eigen te maken.

Nu is een rimpeling genoeg, een haarscheurtje,
een struikeling in onbestemde richting
en lichtjaren vallen uit elkaar.

Ik kantel buiten de dimensies die ik ken.
Zonder gedachte aan verweer of tegenwicht.


VI.

Geen steun, geen weerstand, niets dat
lijkt op een houvast, hoe virtueel ook.
Oog dat aarzelt. Licht valt door mij heen.

Geen woord houdt zich staande
in deze spiraal van ontkenningen.

Geen rekening die zich nog op laat maken.

Ik stuiter buiten alle coördinaten,
losgemaakt van waar ik aan ontkwam.


VII.

Een zon die op het water
balanceert, moment van drijven,

het wegglijden achter een horizon.

Ontdaan van alles wat mij zwaarte gaf,
mij vasthield, tot nu toe.

Het land daarachter. Leegte.


VIII.

Van lang geleden: er zou tijd als water zijn.

Het stroomt omhoog, over de randen,
verzamelt kracht, uiteindelijk
de sprong, het vallen,

vallen, onstuitbaar, een groteske storm
van schuim die alles tot zijn kern terugbrengt.

Tot niets maakt.

Of het wordt als vanzelf steeds stiller. Stroom
die gewoon ophoudt. Rimpelloze eenvoud.

Of het maakt geen verschil. Alles is tegelijk.


IX.

Tijd die zich mij niet zal herinneren,

die, eenkennig en rechtlijnig, zijn gang
gaat als voorheen, niet bereid
tot enig spel van onderhandelen,

enig gemaskerd ritueel.

Waarom zou ik mij dan verraden voelen,
waarom hopen op respijt.


X.

Wat had ik om mij te verdedigen
tegen het roofdier dat onrustig rondwaart.

Niet eens mijn eigen bloed.

Roestige woorden,
een onleesbaar handschrift,
ijle gebaren, eindeloos herhaald.

Ze hingen om mij heen als
dood gewicht, krachteloos harnas.

Nu zijn er vleugels die, ragfijn, mij dragen.
Optillen. Onderdompelen. Uitwissen.


XI.

Lied dat niet langer in klanken stolt,
in toonhoogten, afgemeten ritmes.
Dat murmelt, alomtegenwoordig.

Stilte. Oever die langsglijdt.

Het neemt mij in zich op, zonder gedachtenis
van daar naar hier en waar het verder ging.

Bezweert wat zich hier loslaat.

Het zou zich om mij heen kunnen bewegen,
als ik een plaats vond. In mij zijn.


XII.

Nihile rimpelingen.

Jaren bijeengebracht, gekoesterd en
bedacht hoezeer het er toe deed.

Wegdrijvend, een herinnering.

Mistige stemmen die vervagen. Bleke vissen
in de diepte. Vuil aan het oppervlak.

Mijn twijfels, tot het laatst van mij.


XIII.

Van ogenblik tot ogenblik verliest
het zijn weerspiegeling,

Aangeraakt. Geprobeerd vast te houden.

De spiegel scherft. Het licht
wordt donker, breekt,
valt uit elkaar in stukken glas.

Geen beeld meer, geen structuur.
Geen hand nadenkend langs de barsten.


XIV.

Leegte die neerhurkt. Geen gestalte
kent, geen ruimte neemt.

Zich buigt, buiten bereik van wat bestaat,
voor wat niet is, wat innig
ongenaakbaar oprijst, overwelvend.

Woorden die hier nog zouden rondcirkelen
vallen dood neer, zwijgend ter aarde.


XV.

Dit is wat overblijft. Mij los te laten.
De leegte koesteren die mij bewaart.

En wat alleen jij van mij wist:
het kind dat zich in mij verschool
vertrouw ik aan je toe.

Wees lief voor hem. Bied hem bescherming.

Verberg onze voetstappen, niets
in het zand dat hem verraden zou.


XVI.

Laat er niets van mij zijn.

Geen laatste schreeuw, splinters
hier en daar, geen licht dat nog verwaait.

Vrieskou, zo transparant dat ze
zich niet doet voelen.

Stilte, gelijkmatig uitgerold.

Niets meer om toe te schrijven.


XVII.

Het is opgehouden te regenen.

Wat ik was zwijgt in mij,
niet langer metafoor voor dit heelal.

Een lied dat wiegt, dat traag
wordt, eindelijk uitsterft.

Er valt niets te vereffenen of kwijt te schelden.

Dit is wat overblijft.


© Joop Scholten 2007.

terug naar boven
NetBook nummer 58
Een uitgave van Het Prieeltje Online - april 2008