DE KOPPIGAARD

In juni achtervolgen
de seksuele vloeistoffen
de lichamen van de goede meisjes,
hun rebelse amberkleurige huid,
hun bloesems gedrenkt in bloed,
al deze niet altijd begrepen
aromatische mengsels.
Sommigen slapen ingetogen met hun baby’s,
met de vonk van het Heilige zo duidelijk merkbaar.
Zelfs met sluiers over hun gezichten
baden zij het landschap
in een glanzend licht.

(The Wayward)

* * *

DE REDEN WAAAROM JIJ JEZELF HIER AANTREFT

Wat mij betreft, hoop ik dat niemand opdaagt.
Laat deze vlammende wereld maar over aan de buizerds en vuren.

Denk eraan dat we van stof zijn,
en hoe broos onze tengere halzen,
onze porseleinen beenderen.
Wie overleeft deze waanzinnige bovennatuurlijke wals?

Op elk ogenblik kan een god zijn verminkte vleugels verheffen van de
grond,
en jou wegvoeren in een ademtocht
en te pletter gooien tegen de maan.

Jij verkoopt regenzwepen op de drempels van jouw dromen,
tere antennes gedeukt en geplooid door het lastig gewicht
van machtige consequenties.
Ik eet je op, mijn lief,
ik ben verlegen en op mijn hoede,
rijp van lavendel en plat geklopte vliegen.

Waarom beschaamd zijn voor zedige naaktheid
van de huid?
Waarom vervuld zijn van angst
omwille van de schaamteloze creaties
van de tong?
Zeg hem dat, vurige zuster,
zelfs als je je ogen niet durft te openen
zelfs als je sterft van angst.

Kijk naar de rode tak,
de metalen flamenco van de regen
de natte zijden autosnelweg
die onmiddellijk leidt
naar beide richtingen.

(The Reason You Find Yourself Here)

* * *

DE HOND UITLATEN

In de stad
voelen wij de druk
van duizend lichamen.
Wij gaan
naar een mooiere plaats.
Kan jij het licht niet zien
dat uit hun vensterramen stroomt?
Achter de volmaakte ruiten,
een familiediner,
een piano
de keurige soepele bewegingen
van een opgefleurd katje.
Waarom ben jij blind
voor het heilig beeld
gedrukt op jouw gezicht?
Jij hoeft mij niet te antwoorden.
Laat deze licht glimmende nacht
jouw pijnen opzuigen.
Laat de tonen en texturen
gedoopt in de veranderende nacht
jou onderrichten.  Loop.  Loop niet.
Stop.
Ga.

(Walk the Dog)

* * *

LUISTER

De ziel woont in de mond van de duisternis,
zingend in gebroken talen.
Er bestaat geen geheime wijsheid.
De ziel kan anders haar
ervaring hier niet verklaren;
zo vele verschrikkingen
en illusies.
Er is slechts de intieme doorn.
Het voedsel van de ziel:
praal, onkruid,
Birmaanse Jezabel,
glasvleugel.
Bruuske vervoering
in een asiel van kraaien.
Er bestaat geen geheime wijsheid.
Er is slechts de intieme doorn.

(Listen)

* * *

RAVEN CREEK

In dromen glijd ik
boven jouw kronkelend bed
waar magnoliabloesems
bleek en groot als manen.
worden weerspiegeld.
De zachte Chinese muziek
van jouw reis
over fossiele slakken
van oude zeeën
sluipt door de stilte,
als jadezijde die zich ontvouwt
uit jouw behaaglijke handen
om de schaduwen van
mijn gezicht te vegen.
Hartstochtelijke vloeibare engel
jij glijdt teder
in het dromerige ritme
van mijn adem
verrast
door jouw eigen
groene adem.

(Raven Creek)

* * *

MARTELING

Jij wil je blik afwenden
van waar ze liggen –
versneden door glas,
geplet door houtblokken-
kinderen gedragen uit de zee.
Jij wil zo niet worden gevild,
met jouw wijde ogen meer opengesperd
dan zij ooit waren.
Maar bekijk hen.
Kleine verloren prinsen, met hun hoofden achterover
en hun armen zo hevig gespreid als gekruisigden;
zie de donkere rand van hun mooie wimpers
op die gevoelloze wangen, niet warmer
dan de golven die hen keer op keer
met veel verdriet terugwerpen
in de armen van moeders en vaders.
Zie hoe verlies ontweit.
Opnieuw slenter jij de hele nacht
langs de ijzeren poorten, de gekochte
aroma’s van lust, op zoek naar een huis
in een vreemde stad.  Maar alles is weggespoeld.
Zacht, teder opent en sluit
de nacht haar vleugels,
etend en scheppend, tot de ramen
genoeg dageraad doorlaten
om jou te wekken.

(Excruciata)

* * *

DE SCHADUWTUIN

Hier is de ingang,
afgezoomd met rijke
anjerzijde, en een akelei van het hart.
Deze medicijn
heeft haar verdoofd,
en haar geest herleid
tot die van een slak.
Een slak kan
drie jaar lang slapen,
en een versteend zilveren spoor
etsen van bevroren tranen.
Zij proeft zijn melk
op haar tong.
O liefje,
wees geurig als viooltjes,
of gemeen als bloedlelies
terwijl haar benen
beven onder haar,
fluister – bemin, beef
niet, beef
niet – slaap opnieuw
terwijl tranen over
haar anjerwangen
lopen.

(The Shadow Garden)

* * *

SAMHAIN

Een kind in een rood kleed
zweeft door de kille avondlucht;
licht
dat de winterschaduwen verjaagt
kaarslicht
dat knielt op de stoel
weerlicht die de duisternis klieft
als de kreet van een reiger.
Schemer die zijn wijnglas ledigt
over verlaten velden droomt en verder zwerft.
Zij denkt dat het levende haar niet opmerkt
als zij lang genoeg staart kan zij het toch zien
in de behoedzame kathedraal van het oog van de merel.
Stoffige kleine zwerver, verbonden met de aarde;
straatlichten knipperen aan, terwijl het verkeer aarzelt.

(Samhain)

* * *

SATER

Broeder, veeg de oude pijn weg
met de punten van je stijve, zwarte vleugels.
De vroege duisternis is daar
terwijl wij elkaar naar bed leiden
om onze verwachtingen in deze machinerie in te lossen.
Want eens verliefd, eens gezien door het oog van de ander,
bengelen wij tussen religieus zelfbedrog
en misdaad.  Dit is hoe wij de realiteit
beleven.  Het aanzien van de geliefde
vloeit in het hart van droefheid
net zoals de regen gutst over
jouw lenige schouders naar die zwart omrande hoeven.
We kunnen worden gezien door het oog van de ander,
falingen en fouten, onze verwachtingen in deze machinerie.
Geen zwaardere beschuldiging is denkbaar,
als wij de realiteit beleven en elkander
naar het bed leiden.  Om onze verwachting in te lossen, broeder,
om de oude pijn weg te vegen.
Jouw zwart omrande hoeven jagen een mist van sneeuw omhoog;
de vroege duisternis is daar.
Jij kunt toch niet jouw schaduw afschudden
terwijl je staat in de duisternis,
hij mengt zich
met de punten van je stijve, zwarte vleugels.

(Satyr)

* * *

HET DROOMHUIS

Tijdens het eerste jaar was de droom als volgt –
dwalend door dat huis, met nooit eens zonlicht,
enkel diepten van stof en regels over de dingen
die niet mochten worden verplaatst; terechtwijzingen
die ik droeg als zware kleren.
In mijn slaap hield ik mij aan de oude afspraak –
ik zou jou nooit verlaten, zou
jouw pijnen maar al te goed dragen.
In dat huis kon mijn huid nooit ademen;
jouw afkeuring pakte mij in
in haar jeukend gewicht en droeg mij weg
naar wat ik dacht
vleugels te zijn. Zovele lagen, een kleerkast
grijs op grijs op grijs, een lijkwade,
een net, een snaar die mij opving
voor elke deur.
Lange maanden en dagen na de schaduwen
van dat huis, veranderde de droom.  Ik wierp
mijn rouwmantel af en ging naar buiten,
maar de weg lag gehuld in de mist,
ik was mijn schoenen kwijt en de sneeuw lag dik; de weinige
wantrouwige buren hielden zich stom
achter hun gesloten deuren.
Drie jaren waren er nodig om wat zon te stelen
in de hoek van deze droom
En toen ik vluchtte naar dat licht, ontdekte ik dat jij niet
kon volgen.  Ik wou huilend ontwaken
want was niet meer verdoemd.  Ik wist dat geen betovering
mij nog kon dwingen om terug te keren.  Vorige nacht,
toen ik na maanden van
zoetvleiende slaap terugging,
was het huis verdwenen, en stroomde er in de plaats een rivier,
kristalhelder, vloeiend over stenen.  Ofschoon
jij riep en riep om mij eraan te herinneren
dat ik lam was, dat ik blind was, dat ik
nooit mijn weg zou vinden,
schudde ik die ellendige kleren van mijn lijf en stapte in die stroom,
jouw schelden werd een kraaiengezang.
Toen ik ontwaakte, naakt uitgestrekt langs de warme rots
van de rug van mijn geliefde, wist ik dat het huis een schande was;
ik wist dat het huis was ingestort.

(The Dream House)

* * *

FONKELING

Niets blijft lang bestaan;
Kijk – de tijd maakt de veters van je huid los.
Hoe lang denk jij nog samen gehouden te worden
door je gebalde spierdraden?
Aanschouw deze plek van herschikking;
de buizen van chroom en plastic,
perfect, puur.
Heb jij je nooit eens afgevraagd wie we zijn?
Dit is slechts het begin; waar wij
een voor een ons eigen lam zijn, geslacht voor de tocht.
Zeg ze alle maar vaarwel: jouw thuis gesponnen hemden,
jouw karnen van de boter, jouw hakken van balken
en jouw roken van het vlees, jouw beitelen van tapgaten,
jouw uitrusting en garelen, jouw vuren in de smidse,
jouw gehamer en jouw lederen voorschoot,
jouw turbines en je gerief,
jouw industrieën en agrarische utopieën.
Te oud geworden om te boeren, te fabriceren, te theoretiseren,
te jagen op brommende sterren die verzamelen als heldere wespen
in hun nestholen.  Even onwaarschijnlijk als het nu lijkt,
zal jouw lichaam weldra worden weggesleept,
als een puur gevolg van zijn functie,
in het winterlicht
samen met al jouw overige bezittingen.

(Twinkle)

* * *

CONVOCATIE

Kom, door velden van thimothee en wintertarwe,
door de vurige sympathieën van leeuwenbekken de kleuren van de vlam.
Als de zon beeft in gouden gewaden
net op de rand van de verblekende hemel, kom.
Met jouw naakt lichaam gewit door stof,
met jouw pijnlijke vingers bezoedeld door het geroeste fruit van jouw
laatste daden, kom.
Met een zekere graad van ongedwongenheid,
niettegenstaande de herinnering die je bespot,
in weerwil van de heersende ontevredenheid van onze tijden,
kom.  Voorbij de marktplaatsen, de trafikanten van nostalgische prullen,
doorheen de brandwonden van jouw eigen binnenste hel,
uit deze goddeloze rotzooi waarin je jezelf hebt gewerkt,
kom je, in dit sanctuarium; vervoeg dit verloren
onbedwingbaar
menselijk ras.

(Convocation)

* * *

IN HET TEMPELHOF

Elegant als de dageraad op de rivier
rust de monnik in de schaduw,
speurend naar tekens van oneindigheid in het roze poederzand.
De herboren hemel loost honderd betoveringen;
natte stoom van kleren, poeder,
alledaagse geuren van de aarde,
wijn voor de trekkers.
Langs straten van vernielde kennis
leunen jonge mannen in de deuropeningen als goden,
oude mannen bidden met blote hoofden
de hemel behagend
met hun kaalheid.
Wandel met mij
in het groene land,
met de vlammen van de stad in ons,
terwijl de kraaien terugkeren naar de oude bomen
gehurkt tegen elkander met het zwarte fruit;
tot de zachte regens van de schemering vallen op de rivier
tot de maan van de herfst op duizend steden neerdaalt
tot de bloeiende pruimenbomen gloeien van de bloesems.

(In the Temple Court)

* * *

KEET

Zoek naar een boom met ruwe schors,
een struik met doornen
om het buitenste vlees te schrapen,
en te ontdoen
van tedere vleugels
in een snelle, kleurrijke
wenteling.
Onderga het zingen van de ruwe zenuw,
jouw vochtige huid
vers geboren, lichte engel
drogend in de rusteloze bries
van de dageraad.
Ga nu het pijnpunt
ontwijken,
en rijzen op de thermiek
uitgeademd door het hart van de aarde,
zweef over de purperen woestijn
en bronzen heuvels,
en vergeet de worm
die je waart.

(Shed)

* * *

ACHTERGELATEN FOTOALBUM

De eerste geniet mijn voorkeur:
de oude man liggend in bed,
terwijl sneeuw druppelt in zijn aderen
uit kristallen buisjes,
die zijn spijt genadig sussen.

De stapels oranje lakens wekken hem.
Opgeschrikt door hun roekeloosheid,
weent hij, achter zijn hoofdkussens,
de vogelvoeder kan hij zien
als hij maar even zijn hoofd omdraait.

Blijf.  De buisjes zijn stabiel
in hun draadnesten.  Laat
broosheid je niet verontrusten.
Houd de deur vast voor hem.
Dit is zijn laatste foto
genomen terwijl zachtjes de sneeuw valt.

Enkele vrienden wachten stil buiten.
Zij vullen de trechter met oliezaden
voor de laatste overgebleven kardinalen
in dit bisdom van verlies.

(Abandoned Photograph Album)

* * *

ONDERZOEK

Ik ben hier voor een vrouw –
soms in een schort, met bloemen die haar lippen openvouwen;
soms in een hemdjurk het uitgehongerd geel van de dageraad,
haar winterdijen suikerwit;
soms met sandalen aan haar voeten
op oorkussens,
terwijl ze haar teennagels met zilver lakt.

Er is iets dat zij mij onverwijld wenst te vertellen,
met haar gezicht gebogen op zijde in het blauwe zelf gemaakte licht
opgehangen tussen schemering en dageraad.

Niemand is op deze plaats zonder reden.
Ik zal je inwijden in jouw rechten.
Het eerste is
stilte.
.
(Investigation)

* * *

EN NOG WOU JE WEG ZIJN

Nachtenlang kan ik niet slapen
steekt uit wrok sigaretten aan
voor de wind en het stof van duizend mijlen
voor de verouderende weduwen in smoorhete kamers
voor de vogels hopeloos verloren in de straling.
Ja, nog goed herinner ik mij de tijd dat je bij mij waart,
een mooie hand
die de blauwe lakens openvouwde, twee kinderen
verscholen in de met mos bedekte hoeken van steen,
die de nauwelijks waarneembare rotaties van deze wereld
observeerden.
Ten zuiden van de rivier
zaten wij onze twijfels te verdromen;
bijen die hun morgengebeden opzegden boven het lange gras,
kandelaars brandend op de grafstenen.
Als ik die momenten kon terugschroeven
uit die laatste parelspleet van de nacht,
dan, mijn zuster, zou ik van op de rand van ons hoog vensterraam
de bataljons vinken aanschouwen
op de schouders van de blozende bomen
allemaal gevlucht voor de akelige regens van september
als goden gevallen uit de hemel.

(And You Would Still Be Gone)
.
* * *

LILIANA SOUTH STREET RESCUE MISSION

Jij ziet een hoop volk op de rivieroever;
zeg tegen jezelf:”zo ziet de Hemel er uit.”

Vorige nacht sliep jij onder het gaafste karton
dat je kon vinden,
de warme veders van zijn adem streelde je hals.

Gegeven al die droefheden in de wereld, waarom zou jij je
niet opstandig gevoeld hebben
door deze vreugde, slenterend, de stad terug innemend en de
kleine verschrikkingen trotserend?

In de ontmoetingshal zingen zij voor jou en jij blaast de
kaarsen uit.

Jouw enige wens is nog zo een morgen zoals vandaag.

(Liliana, South Street Rescue Mission)

* * *

IN DE RUÏNES

In de tuin van de officiële histories
vind jouw geest je met motten bezaaid.
In de blauwe rook van de dood die niemand durft te beroeren
krijgt  het lichaam een lichte blos.
Een windvlaag zoeft voorbij
de doortocht van haar paard,
de zijden nek van de merrie, alle verstrengeld in vuur.
Kniel neer nu om de verleidelijke leugens te zingen
al ben je echt
zo moe, al beletten knotten van takken en wingerds het je,
al janken wilgenhonden in de striemende, groene regen.
Het verhaal begint met de schade.
De spleet ontstaat in jouw muren en gaat hier verder,
elke barst een flits van goud.
Op grootvaders boerderij
kroop zij
van zodra de bries van de eerste koele nacht haar raakte
op het opkomend licht
om de vreemdste voorspelling te offeren.
Zij was even verrast als jij
van iemand haar naam te horen fluisteren.

(In the Ruins)

* * *

SCHRIJF WELDRA

Als ik mijn pen opneem tegen jouw afwezigheid,
als mijn hart taal uitstraalt,
als mijn waanzin noest als bijen is opgetuigd,
stellen mijn cipiers mij geen vragen.
De hele namiddag roeren de geesten van woorden
in de espen langs de weg
in hun illusoire schuilplaats van bladeren.
’s Nachts luister ik naar de bloeiende visioenen,
en de tandeloze mond van het hart
stelt te veel vragen; een onbescheiden spier,
die zijn zoutwitte vuisten opheft
naar die onverschillige sterren.
Bijna had ik deze bladzijde uitgeveegd.
De kleur groen is eindelijk verdwenen.
Ze vliegt weg uit het verbeelde gras; een insect
dat tot de lente niet meer zal verschijnen.

(Write Soon)

* * *

ANGELUS

Maart draagt jou
op witte schouders
naar de lente
waar de vervlochten doornboom
opnieuw in wonden bloeit
een kalf loeit tussen
gele weidebloemen
jij kijkt hoe bij jouw zuster
de bleke vellen deinen
uit haar hand,
gratie gul geschonken aan de aarde
als regen.

(Angelus)

* * *

HOL

Nu verlaat je deze wereld van stof,
de sombere kreet van wind en regen.
Dromen scheiden je van de dageraad
tot de vogels je in gezangen doen ontploffen
terug naar de wereld van de wekker,
de verwarde arsenalen van rode bladeren
die de kille aarde aanvallen.
Hoeveel bloemen zijn er nu al afgevallen,
denk je?
Je schopt je erdoor op jouw manier,
met voetstappen die rijke brokaten scheuren.
Het zwakke theelicht van de namiddag
flakkert met luchtbellen, echoot zwakjes
om dan te worden gedoofd in de lege hemel.

(Haunt)

* * *

OVERLEVERING

Hier komen enkele mythes over het licht;
het obscene, heersende staal,
alle mogelijke antwoorden
gepuurd uit de oorlog,
de vunzige stank van de nacht.
Hier zijn wij allen bewoners
van de duistere ontmoetingsoorden
van de ziel;
verroeste schuttingen ineengezakt door gevallen bomen,
struikgewas gevuld met
’t schorre gekrijs van die zielloze vogels
de goden van ons volk
in hun hongerige strakke blikken,
deze scherpe muziek van onze heilige psalmen.
Rustige vissers
werpen nu hun netten in de kalme getijden:
kom toch a.u.b.
Tussen de bleke nieuwkomers,
verscheidene deiningen van zand en zo blauw water,
tussen de champagnegroeven van kolkend blauw en groen,
temidden van de avonddans van reigers,
doorheen
de hemels gevuld met serafijn en technisch
afval,
binnen de haveloze maanden van steen en bloemen –
is wat vergeten werd van zijn woorden gebleken waar te zijn.
Hun talen achtergelaten vervoegen verlegen
slanke meisjes de dans. Varens, lianen, gedrongen bomen
alle in elkaar verstrengeld; donderende trommels, generaties
rijk en verzadigd, zij verlieten de holen;
vergaten de dieren die zij aanbaden, de irrationele
betovering van verlangen.
Wat met de stervende, gepolijste glans van de zon?
Wat met het keurfruit rottend aan de bomen?
De schemering voedt zich met kruimels van gebroken glas;
zilveren regendruppels kloppen tegen de rotsen in de storm;
het hek verzakt, bezwaard met
stukken glans geregen om de zilveren draden.
Als het maanlicht valt op het onyx oppervlak van de
nacht, schittert het mijlenver in de ontelbare en
raadselachtige
werelden van sterren.

(Lore)

* * *

BELEGERING

I.

Voor elk levend wezen geboren uit de verschillende goden
bestaan er verticale tralies die ons beletten
op te stijgen naar de hemel.
Jij wil een wilde leeuw zijn in de vallei,
maar wij zijn gebroken stukken schelp
uitgehongerd en leeg geschuurd door zand.
Bijna kun je de stilte zien,
de geluiden van geleegde schepen.
Vergrendel ongemerkt de poort achter hen.
Vermijd van gek te worden door isolement.
Dit is gevaarlijk.

II.

Zuster, ontwaak jij in de nacht
van de herinnering aan het paradijs?
Het patroon van aders op een kroonblad,
de maan als een scherf van been,
zoete anjer, zilveren lelie in de sloot langs de weg.
Afgemat en lusteloos in jouw dromen
vind jij het geluk waar het blad
groeit aan de stengel.
Toen je een kind waart,
gaf jouw moeder je een zilveren ketting
om je te beschermen tegen jouw dompeling
in de geest.
Er bestaat geen geheel nieuw verhaal;
het antwoord is altijd ja of neen.
Wij dopperen op een wereld
die weldra de sluiers van ons allen zal meesleuren.

III.

Mensen, stof, sterren, oceanen ontstaan,
vergaan.  Mijn haar waait naar achter, mijn toekomst voorspelt:
vermijd winderige dagen, het spiritueel leven,
het wegvliegend as.
De diepten zijn helder door de zielen van de brand;
omwille van hen, verspreidt het licht zich over de aarde.
Onze snavels zijn geheiligd door de bloeiende olijf.
Zullen wij blijven openstaan voor dit alles, of simpelweg stoppen?
Ik ben in vervoering geraakt door de vorm van de rivier,
oneindigheid aan de kant geschoven.  Er is niets dat ik kan
kopen voor jou.
Ik bekijk een foto van dit alles om het niet te vergeten.


IV.

De wind maakt bittere wijn op het lege plein,
krast ijzige doornen in dit land van glas.
Wij hangen aan de geografie met onze tanden,
omhelzen de nauwkeurige symmetrie van bedachtzaamheid,
metaforen voor de laatste sterren,
nachtelijk en scheef.
Neerkijkend op de heilige logo’s,
ontwaar ik mijn eigen leegte.
Mijn ogen sluitend
betreed ik de oude oerplaats van de toeverlaat.

V.

Zij is niet meer vreemd voor ons
deze wereld van ivoor en regen.
Hier ontbloten wij oppervlakten kwetsbaarder
dan vlees, drinken zonder de bittere
medicijnen te proeven, drinken overvloedig
en worden gevoed door de gunst van het vuur.
Gedenk ons bij de heiligen,
deze zeldzame en glanzende juwelen
die wij nooit meer kunnen dragen.
Zuster, hoed jezelf voor het noodlot van deze stad,
vermist in een ruimte te groot voor woorden.
De muren,
deze muren zijn vervallen tot ruïnes.

(Siege)

* * *

GEDULD

Na ontelbare dagen
te hebben geknield in hun zaden,
zoals de voorouders
in hun stenen hokken,
kronkelen zonnebloemen omhoog naar het licht,
harten verscheurd door water en de hitte van de aarde.
Alle dieren komen ’s nachts naar buiten,
en spannen hun zijden koorden van angst.

Zo wat ga jij nu doen?
Slapen in de oude armen van de bomen,
je gezicht met bloemen inwrijven,
jouw zacht gebeende lichaam kuisen
terwijl de maan zijn geniepige glans
door de kogelzilveren wolken werpt?

Maar altijd zal God overblijven,
zullen de vuren worden ontstoken,
en zullen zich mensen bewegen in een labyrint van kamers.
Zie hoe ik mijn gezicht heb opgebouwd
en wacht op jou.

(Patience)

* * *

REGENWOUD

Til jouw passionele, obsessieve liefdes
omhoog in de takken
en ontraadsel hen
een voor een.

Je kunt ze niet proeven,
hun stilte en schaduw
zelfs niet nadat sluier na sluier is verwijderd.

Misschien dat het seksuele licht toeslaat
op plaatsen waar geen goden durven komen;
tuinen van feesten
waar
jij het lichaam hebt ontmoet
en zijn weggeblazen emoties.

Lotgenoten,
en hun aanwezige stromen, zijn glorieus,
zoals de hopen bloemen verzameld voor een ceremonie
die net voorbij is.
De noodzakelijke eenzaamheid van het leven breekt ons open.
Bij het uitroeien van de koorts
fluistert zij verleidelijk: hierlangs.

De natuur.
De natuur is steeds elders.
Ik ben klaar. Veel geluk op jouw eigen
grootse, zachte, uitgestrekte vlakte.

(Rain Forest)

* * *

NABESCHOUWING

Niemand is blij
behalve de stille mensen in de heilige graven
die nog steeds hopen om de man in de hemel tevreden te stellen.
Zonlicht in het wit gekleed
en met een boek in een doorschijnende hand
krimpt ineen in de koude,
het weerhoudt zichzelf van elke mogelijkheid tot gemeenschap
met wat er ook is,
om het even waar.
De enige profeten hier
zijn de afbrokkelende rotsen.
Alvorens dit moment weggleed uit jouw geest,
alvorens de wind deze gevallen stengel sleepte naar het huis van God
kon jij alles gehad hebben
waarvan jij ooit droomde.

(Afterthought)

* * *

VANYA

Wat gaat er om in jou?
Het verkeer flitst zoals gewoonlijk
voorbij je raam, de radiator
grolt en klikt klikt klikt
net als een uitgeputte spoorwagen
die jou stomend aanwakkert
door de nacht.
Jij slaapt nooit.
Jij keert je dagen binnenste buiten,
haalt melk langs blanke straten
waar behalve kraaien
geen levende ziel te bespeuren valt.
Het heeft geen zin,
zelfs de winkeliers
hebben hun ogen in bed gelegd.
Je vochtige vleugels openvouwend
fluister jij achter gesloten witte deuren
zachtjes in de duisternis.

(Vanya)

* * *

PERSEIDEN

Ik heb mijn uiterste best gedaan
om niet een kleine vlinder
te verpletteren tussen de bladzijden van dit boek.

Piepkleine mug,
hij moest niet nodig
zijn 6 zwarte schoenen opheffen
om over enkele
van deze grote ideeën heen
te stappen.

Vorige nacht
legde ik mijzelf onder de sterren
en liet ze op mij vallen.

Ik groei in het meer durven
oefenend voor mijn volgende duizend jaren.

Merk op dat er niets staat in dit gedicht
over jou.

(Perseids)

* * *

VOOR HET LAATST GEZIEN AAN DE FAIRHAVEN MOTOR
COURT, KAMER 36

Afstand creëren
is moeilijker dan je denkt
voor een Iers meisje
met een gevaarlijke voorkeur voor melodrama.
Hij greep haar hart wijdopen als een geeuw.
Wie was hij?  De god van de jager,
& later, een liederlijke hemelgod.
Hij zei haar dat de competitieve miljoenen
zichzelf hadden verwisseld
met de objecten die zij graaiden.
Tussen bezerende seks
en vrije Cinemax
riep zij mij opnieuw.
Ze zei dat ik de dood kende
en zou weten wat te doen.
Een knalgele auto
reed de parking op
in een poging om enkele
van de verborgen betekenissen terug te vinden
in de emotionele duisternis
die op hen inbeukte als
een losgeslagen stier.
Hij vertelde haar dat hij van het drinken
alles lustte, maar dan echt alles;
en deze ervaring wou herscheppen in taal,
om de taal te ontwrichten, de taal te bemoeilijken,
de taal te doen ineenstorten, vallen en breken,
verpulveren en transformeren,
en te laten ontglippen uit zijn verminkte vingers.
Hij wilde een gedicht schrijven
met woorden zoals “maalstroom” en “golf”.
Iets dat wild was,
chaotisch, dat verdronk en vernieling
in zich droeg.

Een vuur brandde ergens in het noorden
in de richting van Chicago
en later zei ze me dat
het krioelde van de libellen.

(Last Seen at the Fairhaven Motor Court, Room 36)

* * *

MYRTHLE STRAND

Jij bent het levend bewijs
dat het lichaam geen illusie is.
Ik viseer een volslagen spontaniteit
wetende dat elke vraag van mijn lippen
naar de jouwe misschien te onthullend is.
Misschien is het mijn geluksdag
en ben jij mijn kosmisch alter ego,
die de oude rekeningen vereffent kwijnend achtergelaten
in Egypte of Atlantis.
Laten wij onszelf neervlijen in het warme gras
en letten op de rijen mieren;
stap in die roestige sedan,
rij maar agressief, eet snelle hamburgers
en houd het kwaad in ere
met onze asbakkwartjes en vloermatcentjes.
Maar wat als we de design
van de kosmos niet verstaan?
Klik je veiligheidsgordel vast, schatje.
Ik heb een hemel nodig
waarmee ik mij kan verzoenen.

(Myrtle Beach)

* * *  

SERMOEN: II

Alle winkels in de smalle straat
hebben hun lichten laten branden;
gewillige toenaderingen tussen
duisternis en licht om jou te ontmoeten.
Aanschouw de lelies die groeien
tussen de zwarte bladeren
en verroeste tralies.  In de deuropeningen
bieden zij zichzelf aan zonder schroom.
De luchten staan op het punt van open te bloeien
met de bekoorlijke, verraderlijke geuren
van hun dijen.
Ga snel, een deel wegwerpen
opdat niet het geheel verloren gaat.

(Sermon II)

* * *

SERMOEN: IV

Schat, het is weer middag, het stof speelt met het licht.
Hoe anders nu als weken geleden, toen je jezelf nog immuun
achtte voor de dood.  Hier is het donker,
geurend gras, de aarde om je te bedekken,
de stenen om je te beladen.
Neem niets mee op jouw tocht.
Het enige dat telt is wat mooi is:
verblijven op geboortegrond, de brede grindstraten
van je kleine stad.  Elke dag brengt zijn eigen miserie mee;
misschien heb jij hem niet heel je hart gegeven.
Een lichaam wordt gedragen door de smalle poort;
een beurs die zijn geldstukken verliest, de reden van al deze zorgen.
Hoe gezegend zijn zij die weten dat zij arm zijn.
Besluit eerlijk te zijn, van jezelf te brengen naar het goede.
Daar waar je schat ligt, zal ook je hart zijn.

(Sermon: IV)


PAGINA 1, 2... VORIGE  terug naar boven
NANCY A. HENRY
INTIEME DOORN
intimate thorn
vertaald door Henri Thijs
NetBook nummer 57 van 't Prieeltje Online
copyright gedichten: Nancy A. Henry
copyright Nederlandse vertaling: Henri Thijs