MINERALEN IN WATER
door Joop SCHOLTEN
         GEDICHTEN

TEGEN HET VERGETEN

Het eindigt in je hoofd. Er is iets dat overblijft,

iets als mineralen in water: het water lost ze op,
verdunt ze, en dat gaat oneindig door.
Tenslotte is er niets. Het water geeft een plaats
aan juist dat niets dat niet meer aan te wijzen valt.

De boom herinnert zich het water dat verdween.
Ook als hij dor wordt en in dood hout eindigt
staat hij er nog, een tastbare gedachtenis,
zo lang het duurt. Dan valt hij uit elkaar, voorgoed.

Als je er langs loopt moet je heel goed kijken om te zien
dat daar geen boom staat aan geen water.
Er zijn geen sporen meer. Er is alleen een weten,
nog minder, een diffuus besef van wat zou kunnen zijn.

Als ik het kon onthouden: zou het blijven?

* * *

ZOALS HET WAS


Ik weet dat ik hier rondliep, het zonlicht inhaleerde,   
de morgen kleurde zoals het mij uitkwam, de geur   
van fruit en noten, het geluid van verre muziek.
Ik gaf de stad een naam: jij om elke hoek van de straat.   

Hier deden wij elkaar aan. Zochten een haven   
na onze entering op open zee, lachten ons dronken   
met hoeren en matrozen. Vonden een gretig bed.   
Er laaide een vuur op. Ergens brandden schepen af.   

Wij trotseerden het leven, schiepen uit niets de dagen.   
Allengs ook avonden vol weemoed, een behaagziek soort   
dat zich het best liet consumeren met een glas   
uit een vergeten jaar: proef je hoe goed het was?   

Het stratenplan is niet veranderd. Ik zou terug
kunnen bladeren, dezelfde hoek om slaan.  
Je zou er staan als op de foto die ik bij me draag,   
in dat onstuimige licht. Je knippert met je ogen.  

* * *

HERINNERING

Het water was licht in die dagen.

Het liet zich aanraken, gleed spelend
door je vingers,het smaakte schaamteloos
naar kiezeltjes en versgeplukte sla.
Er waren plaatsen die alleen jij kende

waar je steeds dieper wegduikt en jezelf
verliest. Nooit eerder ben je hier geweest,
het ademt om je heen, er wachten
geheimen om te worden blootgelegd.

Als iemand je vertelt dat sinds die tijd
de wereld slecht geworden is:
koester een glimlach, herinner je
het water dat nog altijd licht en waar is.

En dat terugkomt.

* * *

JONGENSDROOM

Ik zag haar met de ogen van een jongen
die naar school liep, een van de laatste dagen
toen het zomer werd. De hoek waar ik altijd
rechtsaf ging. Daar stond ze in de tuin.
Ze boog zich ver voorover in mijn richting,
plukte een bloem. En ik keek naar haar borsten.
Ze kwamen op mij af, aanrollend als golven
op het strand, deinend als zeven zeeën tegelijk.

De schooldag ging aan mij voorbij. Ik dacht
aan die golven, hoe het zou zijn om daarop
weg te drijven. Misschien was ze getrouwd,
had ze een man die zeeman was, die voer
op verre oceanen. Als hij te kooi lag,
op de eindeloze deining daar, droomde hij
zeker van haar borsten, bewoog al slapende
mee op de golfslag die hij zo goed kende.

Ik heb haar na die keer nooit meer gezien.
Wel een mevrouw die sprekend op haar leek,
die vriendelijk genoeg was, die soms zwaaide
als ze zag dat ik haar stond aan te kijken.
Maar nooit boog ze zich naar mij voorover,
daar in de tuin, in haar azuren zomerjurk.
Nooit meer de golven die aan kwamen rollen.
Nooit meer dat deinen. Nooit meer de zee.

* * *

JIJ BENT EEN HEILIGE, ZEI IK


Een frans terras met koffie en croissants
en stromend ochtendlicht dat in je haar
een halo weefde, iets dat van je uitging,
iets als je geur tussen het groen van de platanen,

je lach rondzingend op het dorpsplein,
een kind dat speelt, het dansen van de klok
hoog en licht in de toren. De kerk stond er
grijs en gesloten bij, een overblijfsel

van voor die nacht. Toen er een kamer was
die traag tot stof verviel, een spiegel
die jou opnam in een donker glanzen,
een bed, het altaar waarop jij lag uitgestrekt

in een sluier van onschuld: zo ligt er dauw
op rozen die vroeg zijn geplukt, vlak voor
ze opengaan en hun geheim prijsgeven.
Je werd een doolhof waarin ik verdwaalde

buiten de tijd. En pas nadat het licht werd
kwam de dag terug, het dorp, dit plein,
de kerk die toch nog openging, waar wij
naar binnen liepen. Aan steenoude pilaren

een samenzwering zoals ik nooit eerder zag:
heiligenbeelden stonden stil te wachten
tot jij er langs kwam en ze aanraakte -
een groet, teken van lotsverbondenheid.


* * *

DANSEND, ZOALS JIJ


Ik teken spijlen om je heen, hier tegenover mij
in deze eerste klas coupé, een traliewerk
zo fragiel dat ik je niet gevangen houd:
ik wil enkel een plaats voor je reserveren -
en zo luchtig dat op deze warme dag
de geuren van je zweet zich vrij verspreiden,
terwijl jij veilig zit, buiten bereik. Als je wilt
kun je opstaan en ronddraaien en klapwiekend
je armen bewegen, zoals binnen in je
waar het stroomt en alles vloeibaar wordt.
Denkbaar dat je de ogen sluit, je mond
opent zich en er ontsnapt een vlinder:
dwarrelend oranje zandoogje, ongehinderd
meegevoerd door de wind, het open bos
tegemoet waar het vochtig is en ruikt
naar aarde en naar jou. Er is daar nectar
in de bloesem van de braamstruiken,
het zwermt er, als een vlam die niet verteert.
Dan kijk je op en vraagt: zijn we er bijna?

* * *

KINKY

Ik wil dat je je aankleedt
precies zoals ik het zeg
niet meer niet minder

nee ik zal geen foto van je maken

ik wil alleen dat je je uitkleedt
precies zoals ik het zeg
je bloesje, langzaam
en daarna je rok

en het niets dat je er onder draagt

nee ik zal geen foto van je maken
en ook geen video

ik maak er een gedicht van
zodat iedereen
je kan fantaseren

dat je je laat zien
je aankleedt je uitkleedt
precies zoals wij dat willen

een overweldigende meerderheid van stemmen.

* * *

KUNSTWERK


Hij heeft een tijdje op de Dam gestaan
de man met de kist met daarin
wat overbleef

uitgebloeide takken en een houten been
dat niemand meer van dienst is

hij liet je er in kijken alsof het
niets kostte liet je kijken
en dan kiezen

wat je maar wilde

een opgerolde poster uit het Rijksmuseum
een giechelhoutje een mislukte liefde

je mag de tijd nemen zei hij
het is belangrijk het gaat
om het gevoel dat je straks overhoudt

een kleerhanger van dun metaal
verbogen tot hij op een vogel leek

en pas als je het zeker weet
ga je hier staan
tussen de mensen op de Dam

en dan maak ik een foto zei de man

een onopzettelijk geluk een kinderhand
een glimlach op een stokje

je hield het trots omhoog heel even
was je zelf een kunstwerk.

* * *

PLEIDOOI


Opruimen is goed
zeker als het voorjaar wordt
maar je moet niet alles weggooien.

Loslaten is goed
je krijgt er lege handen van
maar je mag gerust iets koesteren.

De dingen hebben hun geheim verbond
dat je niet moet verbreken
voordat je woorden hebt gevonden

die opnieuw de verbinding leggen
desnoods blindelings
en voordat je het echt begrijpt.

Je hoeft het er niet mee eens te zijn
zoveel is tegenstrijdig
en toch bestaat het.

Je hoeft niet alles vrij te pleiten
om het in leven te laten
er zwijgend bij te verwijlen.

* * *

GERUSTSTELLEND

Het is stil in huis
wij maken onze kleine geluiden
en natuurlijk het zoemen van de computer

langs de gracht laat een man
zijn hond de vrije loop

jij kijkt door het raam en huivert

hoe moet ik raden naar welk donker land
je plotseling vertrokken bent
er wonen nog draken
blazende gestalten van je angst

niet iets om grapjes over te maken

het is wel zeker dat hij jou zoekt
prooi met zachte ingewanden
je voelt je bloed
al van zijn tanden druipen

stil maar zeg ik hij doet niets

alsof met tegenzin
keer je terug
hier achter het zoemen van de computer

nog even en de wereld is weer virtueel.

* * *

SCREENSAVER


Ik leg de laatste hand aan een gedicht
op mijn PC. Blijf nog minutenlang
staren naar het scherm: is dit het nu?
Dan komen zonder waarschuwing

vissen voorbij, bewegen wezenloos
zonder elkaar te zien of aan te raken,
bedelen niet om aandacht, kennen
geen strijd om hun gedroomd bestaan.

Ik hoef slechts een toets aan te slaan
terug naar waar mijn woorden waren:
ze staan er nog, ze lijken onbewogen

maar ik vertrouw ze niet - ik weet
hoe ze elkaar verdringen binnen
de 14 regels die ze van mij krijgen.

* * *

DE MEISJES


Zo onstuimig als de meisjes
van tegen middernacht
zo hals over kop
zijn ze daarna niet meer

of zo sereen als de meisjes
van het enkele uur
zij zweven in stilte
weg tussen de sterren

maar de liefste de dromende
dat zijn de meisjes
van iets over half vier

zo nacht en zo verzadigd

slapen zij in hun warme
holletjes laten zich
op de tast aanraken

en wat dan nog

alleen nog de meisjes
van vijf voor zes
zo op het randje zo absoluut
op het randje en er over

wandelen zij ongestraft
de morgen in laten jou
in ontreddering achter

die meisjes die je wel kent.

* * *

GEDACHTENSPEL


Het lijken zwaluwen, avonturiers,
hoogvliegers van een vervaarlijk soort
die kiezen voor de blauwe lucht om daar
hun waarheid uit te schrijven. Even vaak
loopt het zo'n vaart niet, zijn het binnen-
zitters, rondscharrelende mussen onder
een veilig dak wegschuilend in je hoofd.
De hemel houden ze het liefst op afstand.
Je treft ze zelden aan waar het gevaar
je aankijkt, waar je zou moeten kiezen
welk luchtruim vandaag het jouwe is,
waar de extase lokt, leven en dood
verstrengeld in een macaber dansen.

Laat ze, het is je eigen schuld, jij hebt ze
niet opgevoed tot groter vindingrijkheid.
Doe zonder ze te storen in hun  spel
de deur achter je dicht, en dool wat rond
tussen de dieren en de dromen, nabij
het leven, zonder bewijs dat je bestaat.
Eet van de boom van goed en kwaad,
drink waar het stroomt en snuif de wind op
die als jij de luiken sluit blijft waaien.  

* * *

VERSCHIJNING


Het zou zich elke morgen kunnen voordoen
en willekeurig waar
maar het was niet zoals nu,

nu jij er bent, je komt naar buiten en je ziet het,

hoe fragiel het is, het beweegt
op de wind alsof het ademt,
een verre liefde die tot leven komt

terwijl jij er naar kijkt:

een waterdruppel
waar de zon op schijnt
gegijzeld in een spinnenweb,

en in die druppel breekt het licht uiteen.

* * *

WANDELING


De voet houdt voeling met de aarde,
neemt stapsgewijs kontakt op. Er is een weg,
ik vergewis mij van de weg. Er is een evenwicht.
De ene voet houdt voeling met de andere.

Het oog reist al vooruit, tegen het licht in,
zoekt zelfs de achterkant van gindse dingen.
Het kent geen zwaarte, torst niet, tot
het zwaar wordt van het eigen vergezicht.

Het oog is snel. Sneller nog is de gedachte
en hoger in haar vlucht, buitelend nagestaard
tot waar ze overgaat in wat ondenkbaar is.

Voor de gedachte is de weg een metafoor,
een in de verte zich verliezen. De voet
richt nauwgezet zich op wat voor hem ligt.  

* * *

JIJ ALS JE SLAAPT


Je slaapt, je slaapt.
Ik kijk naar je,
kijk hoe je slaapt.
Je slaapt maar door.

Ik zou je wakker
kunnen maken. Zou.
Maar het is beter
dat je blijft slapen.
Je hebt het nodig.
Daarom slaap je.

Misschien droom je
dat je slaapt.
En in je droom
wordt het vanzelf waar:

je slaapt echt,
je droomt,
je slaapt,
je droomslaapt.

Je bent vlak bij me.
En ver weg.
Ik weet niet waar
je bent. Hoeft niet.
Ik kijk wel naar je,
hoe je slaapt.

Je slaapt maar door.
Oneindig.
En nog verder.
Je slaapt. Je slaapt.

* * *

OGENTROOST


Als ik je meeneem
en je vertel wat er te zien is

ik zeg dat er oranje is
en rood en geel
en nog veel meer oranje oplaaiend

zou jij dan weten wat ik zie

en grijs daarachter en een vaag
soort blauw
een glimp van groen

als een smaragd waar juist
de maan op schijnt

zou jij dan zien wat ik je zeggen wil

en donker purper als een dreiging
die maar niet weggaat
zelfs niet wanneer je naar het zilver kijkt

want het zilver komt nu overal
te voorschijn
in een licht schemeren

maar jij, wat zou je zeggen?

* * *

RUIMTE


Wees dapper. Schrijf een brief.
Al ken je het adres  niet,
wie er huist, misschien
slechts lege ruimte, maar juist dan.

Vertrouw je woorden, gun ze
het uitgeleverd zijn aan wie maar leest.
Durf te geloven dat er iemand is
die er een laatste zin aan geeft
die jij niet meer kon schrijven.

En laat ze los. Geef ze een toekomst.

Ga naar het strand en spreek
tegen de zee in, verhef je stem niet
maar wees dapper, articuleer
scherp als een vogel die
hoog tegen de wind in zeilt.

Of er een overzijde is.

* * *

WAT ZICH LAAT DENKEN


1

Wat zich laat denken is de tijd
aan ons vooraf

die ruimte laat bestaan

wie van ons baren zal wie wordt geboren
omsluit je mij of kom je in mij op
uit mij te voorschijn

en als ik je niet zie

ben je ver weg of zo dichtbij
dat je doorzichtig bent

de ruit waarlangs de druppel naar beneden glijdt

de waterdruppel die zich niet meer
vasthoudt zich overgeeft
aan eigen gewichtsloosheid

wat zich laat denken is de onschuld.

2

Als dit een open plek is
ooit blootglegd

en nog altijd wordt er gezegd
dat ook het hardste licht
hier vloeibaar wordt

het sijpelt overal uit de rots

er staat een stenen vruchtbaarheidsgodin
waar eens de lava stroomde uitgehakt

oeroud gestold verlangen

als je voorover buigt
haar aanraakt met je lippen
voel je een diep en innerlijk bewegen

telkens als je adem er over gaat.

3

Het duurt voordat het tot mij doordringt
dat  je belletjes maakt met je mond

rode balletjes van achter je tanden
vandaan je lippen rond
je adem blaast ze

stuiterend alsof je zingt een loopje neemt
met hele halve noten alsof je lacht
je voortplant door de lucht

in klanken hier en daar een woord
dat weer een ander oproept

dat in mij eindigt

mij zwijgzaam aanraakt
en omarmt zich moeiteloos
in mijn bestaan naar binnen streelt.

4

Meer dan deze kamer
en de verloren herinneringen
die er onopgeruimd in rondzweven

meer dan alles wat ik
er omheen heb geconstrueerd
zonder het met zoveel woorden te zeggen

je zou hier weg kunnen gaan

en je komt thuis met de zee in je ogen
met de wind om je heen
en alle verhalen
die je onderweg zijn aangewaaid

je zou ze aan mij vertellen en mij laten voelen
hoe koud je wangen zijn geworden
en ik was benaderbaar

meer dan deze kamer zou je zijn.

5

Ik kan je niet ontkennen

ik kijk wel de andere kant op
ergens waar je niet bent
maar je bent er nog

ik sluit mijn ogen voor je

en altijd als ik ze weer open
ben je mij net voor
je wist het

misschien kan ik door je heen kijken

een lege ruimte waar het licht
onopgemerkt passeert
de tijd golft er moeiteloos

tot ik mijzelf verraad
en alles weer opnieuw begint

ik kan je wegdenken.

6

Op blote voeten liep je in mijn tuin

ik kom hier zelden
maai niet eens het gras
het is een wereld met eigen wetten geworden

de dauw blijft er hangen de slijm van rottend groen
er huizen wezens die ik niet wens uit te spreken

en jij loopt er onkwetsbaar rond

ik kijk toe achter het glas probeer
mijn  adem in te houden
tot de ruit beslaat

als ik je naam er in schrijf ben je al verdwenen

alleen het gras golft nog na
de kant op waar jij hebt gelopen

precies zo zou het kunnen zijn.


(
terug naar boven)
NetBook nummer 56 van Het Prieeltje Online
© Joop Scholten 2006-2007.