| GEDICHTEN (3) MEDICUS hoe een prik haar kan verleiden om vreemd te worden aan zichzelf samen gek, of toch een beetje als ik weg kijk en zij terug we elkander ergens tegenkomen nuchter mijn tafel ontvangt haar, een ontleedmes een verzameling van wit en schort omwegen lopen onmenselijk rechtdoor in haar gezicht hanteren de naald als buitenissige holte die ze bijna niet gevuld krijgt het smaakt telkens anders het gebaar, een vinger op de wond * ARMEN het moment dat ze beseften door geen grond voortgebracht uit een hemel te zijn gevallen gedroegen ze zich als vliegding brachten jaren door met schouwen naar wat zich onder hen bevond tot hij, een avond, hun dochter liggend op haar buik hoog en hoger hief, de kamer door en riep: je kunt het ook; je vliegt toen kirden ze om stijgen, dalen zweefvluchten, zagen zich voorbereid door vaders en hun geheimen * BERCEUSE nu je nog vijfhonderd vlammen bent van de vereiste honderd zonder je te bevragen over de wetten van het vuur zal je rust als heropstaan klinken voor mij die nog elke dag ervaart waarom laaien zoveel vermoeit alsof denken nu eenvoudiger wordt, slaap maar * ARNOLFINI BRUILOFT (JAN VAN EYCK) NACHT de eerste keer het absoluut gebaar schoenen, even denken, daar slippertjes, nog even denken ik neem mijn zuchten één voor één terug een tel te vroeg, een maretak hij de goddelijke sikkel het gouden ogenblik om niet te breken verzorg ik later dan zijn nagels geknipt voor zoveel overwicht * OCHTEND nu hij zich uit mijn lakens gooit opgedirkt de houten strofe van een ander leven weeft slippers achter het bed dat ik voor gevouwen heb mijn achtergronden overschoenen voor nu en later werk ik aan zwart op groen een gevoelige buik onder de riem zijn kleren die ik belachelijk vind en waarom ik naast hem glimlach * EN IK dicht betekent niets verwijdering houdt haar tevreden vast met ruggen in de spiegel gezichten die zich verborgen dachten zijn dwarrelend kleed dubbel voor de koopmansvrouw in haar gevallen ijskoude zegening over mijn hoofd met de ene hand verbergt ze me de andere ligt radeloos bloot op bloot -oOo- STORM storm keer licht blijft even balanceren een bijna perfecte ochtend het uitgeworpen tafelkleed ik geeuw en alle stemmen kurkentrekkers laat me, laat me waar ik me bewaar mij een golf die openbarst het aandoenlijke van regen waterverf op huis weer een raam bijna in gruzelementen geloei van ho's en ha's met angst behuisde kleinigheden een kluis van raken en van laten een tunnel onberekend botsen veinzen riet te zijn in verdroogde takken uitgestoken ladders om af te sluiten niets is zoals het hoort wangen op de tafel lippen aan een raam en licht een zweepslag van achter zoveel soorten glas ik heb me omgedraaid elke ochtend een gevallen avond zoveel keer zoveel keer zoveel * SAFE om wat weg moet blijft augustus een zomer lang de laatste van het jaar haperen aan kleine dingen aan die ene mier haar weg gevonden langs de pikkel van de stoel de nerven van het hout lopen zonder oordeel onder wat herhaalt en durft ik lig languit niets te doen boven mij een magnolia dan een linde mijn luie voeten kennen de wortels van afgezaagde ceders of die van berken snoeien een belachelijke manier van groeien en toch het schuren het altijd wat juister bewaren bedachtzaam tussen de tanden * DOEL daarom zet ik me elke avond binnen behoed me voor wat komt regen, hagel, wind en sneeuw de normale dingen trek ze toe, deuren, poorten ramen om warmte uit te vriezen lijst me in, routineus voor aanvallen van vorst ik wil het kader zijn en hopelijk de tekening Pagina's 1, 2, 3, ...vorige |
| NetBook nummer 55 uitgegeven door Het Prieeltje Online |