DE SLUIER VAN MIJN PENSEEL
   Lisette Waterschoot
GEDICHTEN (3)

MEDICUS

hoe een prik haar kan verleiden
om vreemd te worden aan zichzelf

samen gek, of toch een beetje
als ik weg kijk en zij terug

we elkander ergens tegenkomen
nuchter

mijn tafel ontvangt haar, een ontleedmes
een verzameling van wit en schort

omwegen lopen onmenselijk
rechtdoor in haar gezicht

hanteren de naald als buitenissige
holte die ze bijna niet gevuld krijgt

het smaakt telkens anders
het gebaar, een vinger op de wond

*

ARMEN

het moment dat ze beseften
door geen grond voortgebracht
uit een hemel te zijn gevallen

gedroegen ze zich als vliegding
brachten jaren door met  
schouwen naar wat zich onder hen bevond

tot hij, een avond, hun dochter
liggend op haar buik hoog en hoger
hief, de kamer door en riep: je kunt het ook;
je vliegt

toen kirden ze om stijgen, dalen
zweefvluchten, zagen zich voorbereid door
vaders en hun geheimen

*

BERCEUSE

nu je nog vijfhonderd vlammen bent
van de vereiste honderd

zonder je te bevragen
over de wetten van het vuur  

zal je rust als heropstaan klinken
voor mij

die nog elke dag ervaart waarom laaien
zoveel vermoeit

alsof denken nu
eenvoudiger wordt, slaap maar

*

ARNOLFINI BRUILOFT (JAN VAN EYCK)













NACHT

de eerste keer het absoluut gebaar

schoenen, even denken, daar
slippertjes, nog even denken

ik neem mijn zuchten één voor één terug
een tel te vroeg, een maretak

hij de goddelijke sikkel  
het gouden ogenblik

om niet te breken verzorg ik
later dan zijn nagels

geknipt voor zoveel overwicht

*

OCHTEND

nu hij zich uit  mijn lakens gooit
opgedirkt de houten strofe
van een ander leven weeft

slippers achter het bed
dat ik voor gevouwen heb

mijn achtergronden  
overschoenen voor nu en later

werk ik aan zwart op groen
een gevoelige buik onder de riem
zijn kleren die ik belachelijk vind

en waarom ik naast hem glimlach

*

EN IK

dicht betekent niets
verwijdering
houdt haar tevreden

vast met ruggen in de spiegel
gezichten
die zich verborgen dachten

zijn dwarrelend kleed dubbel
voor de koopmansvrouw in haar gevallen
ijskoude zegening over mijn hoofd

met de ene hand verbergt ze me
de andere ligt radeloos bloot op bloot

-oOo-

STORM

storm

keer


licht blijft even balanceren
een bijna perfecte ochtend
het uitgeworpen tafelkleed

ik geeuw en alle stemmen  

kurkentrekkers
laat me, laat me
waar ik me bewaar mij

een golf die openbarst

het aandoenlijke van regen
waterverf op huis

weer

een raam bijna in gruzelementen  

geloei van ho's en ha's
met angst behuisde kleinigheden

een kluis van raken en van laten
een tunnel onberekend botsen

veinzen riet te zijn

in verdroogde takken
uitgestoken ladders

om

af te sluiten
niets is zoals het hoort

wangen op de tafel
lippen aan een raam

en licht een zweepslag
van achter zoveel soorten glas

ik heb me omgedraaid

elke ochtend een gevallen avond
zoveel keer zoveel keer zoveel

*

SAFE

om wat weg moet
blijft augustus een zomer lang
de laatste van het jaar
haperen aan kleine dingen

aan die ene mier
haar weg gevonden
langs de pikkel van de stoel

de nerven van het hout
lopen zonder oordeel
onder wat herhaalt en durft

ik lig languit niets te doen
boven mij een magnolia
dan een linde

mijn luie voeten kennen
de wortels van afgezaagde ceders
of die van berken

snoeien
een belachelijke manier van groeien

en toch
het schuren
het altijd wat juister
bewaren

bedachtzaam tussen de tanden

*

DOEL

daarom zet ik me elke avond binnen
behoed me voor wat komt
regen, hagel, wind en sneeuw
de normale dingen

trek ze toe, deuren, poorten
ramen om warmte uit te vriezen
lijst me in, routineus
voor aanvallen van vorst

ik wil het kader zijn
en hopelijk de tekening

Pagina's
1, 2, 3, ...vorige
NetBook nummer 55 uitgegeven door Het Prieeltje Online