


| THIERRY DELEU |
| MIJN HEKS De oude nacht is helder en met adems bezaaid, de zomer gloeit uit de grond, mijn kleine heks waart op het uur dat mij bekoort. In de spiegel van de vijver zie ik hoe nabij zij nijgt en plukt haar minnekruid. Schichtig kijkt zij op, herkent mij aan mijn manen. Even ritselt het in de struiken als zij aan mijn zicht onttrekt haar drieste tepel. Zij staat paard, ik ben haar ruiter. Dravend door de nacht lispel ik haar vele namen. * LA CHAISE-DIEU In La Chaise-Dieu in portieken en om de hoeken godsdienstig besluipen wij de liefde, wij maken kleine geluiden, drinken ice-tea au citron. De zon kruipt over ons heen, beneemt ons de adem als wij stijgen naar La Casa Deï. Wij rusten er met de dieren, warm nestelt zich de wijn in de roes van ons verhaal. In het gastenboek schrijf ik de initialen van je naam, de bruine glimlach van je ogen, de goede geur van je oksels, de merknaam van je huid. * BRIOUDE In Brioude naar lachende knieën kijken zij legt haar ogen tussen de bladen van Benoîte Groult's Les Vaisseaux du coeur heel even kijkt zij op - haar witte dijen laten zich niet snel lezen. Zoomloos spant zich mijn huid op ik wijzig de loop van mijn adem. Onder de banier van de jacht verblinde ruiter van de behoefte loop ik op haar af behoedzaam beruik ik haar tot op kniehoogte. De jacht is open - in de verte jagers janken tegen elkaar als honden. Praatziek de paarden als het gehinnik van hun ruiter. * LAVAUDIEU In Lavaudieu kocht ik een snoer van honderd kralen dat je hals bij elke adem honderdmaal mijn liefde voelt. Mijn liefde wijzer dan verstand, jij bent in elk woord in elk ding overal een nieuwe kwelling dit spel met jou is leven. Leven in af-en-toe een dorp waar men met ons deelt brood kaas druiven oud ritueel als had geen tijd de eeuwigheid gekruist. Wij kruisen schapen paarden die zich laven aan de dorpsfontein, in de kapel een schrijn ben ik hoofser dan een menestreel. * EEN ZOMER IN DE MOEREN Een zomer in de Moeren aan de bocht van Cabourg tussen broek en schote land van koolzaad en rapen zij vlijt zich neer prooi lenig dier dat half opgericht mij zoent in tegenlicht onder navel en lenden. Ik verstijf tot pagode op deze binnenduin stokebrand geuzenstorm Seinemolen zonder wieken. Als zij openwaait delta van genot moeras onderkomen voel ik het koolwitje beven in haar heup. * ZONSOPGANG Haar oor tegen mijn wang aan op een grasspriet van het water in verwondering kijken hoe een waaier van pasteltinten verkleurt van verwaterd groen naar dieproze - zonsopgang als een koperen bol spat de nieuwe dag open overgiet de natuur met verblindend licht een kraai verbazend dicht schaterlacht de stilte open. Behoedzaam knoop ik de bloemen van haar katoenen jurkje los waar zij is uitgegroeid. De geur van verse koemest prikkelt onze zinnen. * BEELDENSTORM Vluchtende monniken dansende monniken witte benen tussen reikhalzende schapen die als juffers opgejaagd over het plein tippelen. In bruinharen pijen gehuld hun kappen vallen als maskers van hun kruinen lopen zij de dieren voor de voeten. Kreunend uit haar acht hoeken luidt de klok de beeldenstorm. De bliksem slaat in de oppers de boeren met heiligenbeelden onder de arm verdwijnen in hun houten huizen. De herder fluit op zijn vingers over de heuvelkam blaft de hond zijn schapen bijeen. Op enkele vamen vandaan dring ik in jou als halewijn. (Lavaudieu) * VINKEM OP DE SCHREVE Ik heb op zijn Frans gemind in dit koninklijk bordeel Vinkem op de Schreve. Sedert is zij in al mijn zinnen vrouwe Camelot teugel van mijn Pegasus. Haar huid zit om de perzik in mijn hand het parfum van haar lichaam hangt in de lucht die ik adem. In de wiekslag van een meeuw hoor ik haar schaterlach. Zij is mijn evangelium geen vrucht smelt in mijn mond of ik denk aan haar. Vinkem op de Schreve. * LA CHAPELLE-DES-MOINES In Berzé-1a-Ville als uit een wolk gevallen de blijde boodschapper hij heeft de stem van vader de klank van zijn dialect. Op zijn teken een paard draaft voor mijn voeten teugels of zweep heb ik niet geen karos en profanen gedragen zich alsof het een remake is déjà-vu. Man en paard geil en hijgend bereiken La Chapelle-des-Moines. Majesteitelijk meewarig kijkt de Heer op ons neer zij trekt haar jurk boven de dijen ik strooi mijn zaad in een lege hemel de val der engelen. * SAINTE-MADELEINE DE MASSIAC Ik leg mijn kleed af naakte jager poreuze huid verklein de afstand tussen jou en mij mijn handen pezig spannen een koord tot boog bevende bode pijlsnel opgebrand. Zij gooit haar rozenkrans naar de overkant zwijgend de handen voor zich uit in wedloop met het licht de van troost beroofde. In het diepe gras beneden meten meisjes knapen als dieren vermomd hun liefde tussen ruisende blaren. Op menselijke wijze. * SINT-FLORA Wij snuffelen de berm op in de wei liggen schapen uit de hemel gevallen meteorieten een reiger komt aan de einder neer. Zij ruikt naar pas gemaaid gras haar lippen beginnende dauw dauwdraden waaraan vlinders zinderen. Ik voel hun vleugels trillen als zij kreunend openbarst haar schoot mijn bloeiende dood. De aarde duizelt als wij huistoe schrijden een paard met kar schudt als een natte poedel de geluiden van zich af. * EEN OOTJE VERBAZING De zomer is voorbij en de raten rijk ik ruik honger en honig een bleekgroene zon met sluikhaar kijkt door de beginnende regen ik loop dicht naast haar zij rilt het afgeworpen water dwarrelt neer met haar duim wrijft ze de laatste druppels uit haar navel haar borstjes spannen als een b.h. ze heeft gezwollen voetjes op haar dunne mond een ootje verbazing. * VOL VAN HAAR Voorzichtig streel ik haar dijen als zij naast mij te geuren ligt, als een heerlijke zinspeling dit parfum dat mij overspoelt. Wat ik begeer reikt zij mij aan, mijn hand luistert naar haar stem. De wind slaat mijn adem aan, reikt mij een geurdraad van melk honingzoet waarin beschuit oplost. Haar lichaam geurt als zeewind, de talg van haar haar notenolie, als abrikozenbloesem haar huid. Tot in het kleinste detail wil ik haar leren kennen, elk geheim. Langzaam buig ik mij over haar, ruik de waterlelies van haar geslacht. * ALS IK AAN LAND GA In gespreide slagorde voert zij haar oorlog eeuwig zwanger zijn van haar grote koning zij lacht als op een party haar buik de zee die ik bevaar onder piratenvlag. Als ik aan land ga in haar hoogrankende delta staat mijn schip op het spel de meeuwen slaan aan 't muiten. * SPELLETJE De zomerzon gedempt ondergaand, bomen staan star en roerloos, onder de takken nachtdonker geuren van bloemen en gestoofde aarde ik verdwijn onder een muur van over elkaar schuivende blaren schijnsel van zon, spot op stichtend spel, het fijne bleke gezichtje onder het blonde haar kijkt mij aan: heeft niemand ons gezien? Niemand beginformule van ons leuk spelletje poesje kut Pietjekru. * HET GEHEIM Haar ogen neerslaand zedig gezicht vindt zij het leuk, beheerst zich, als in een plotse ingeving geeft zij mij een zoen op mijn wang mijn vingers zoeken een weg uitweg lopen verloren, uitstaande rode oortjes traantjes in haar blauwe ogen “zachtjes” koert zij “zachtjes”. Bij schaamte voegt zich geen schuld of wroeging wij luisteren gezuiverd naar het breekbaar spreken van de takken en koesteren het geheim. * NICHT Ik bewonder haar als een betovering een grillige zus excentriek geestelijk een kind uiterlijk een jonge vrouw aangegaapt en opgeborgen is zij voor mij mijn kleine meid intens moeder meisje maatje urenlang kan ik haar gadeslaan zij spaart tijd in Liebig punten in tegenlicht blank en tenger, haar donker haar omlijst gezicht, dekt zij mijn schamelheid toe. * HISTORISCH OGENBLIK Haar rokje valt op de grond dorre blaren zij stapt er trappend uit verlegen haast bekijk ik haar broekje bloempjes op een roze veld zij drukt mijn hand tegen haar tuintje alsof zij mij betovert streel ik zachtjes gekrulde vingers gekrulde zinnen haar gezicht een engel transparant wit haar loshangend nat vlas op blozende wangen als eensklaps haar vader roept op dit historisch ogenblik. * MARIE-HELENE Marie-Hélène, muze van eender wie man of vrouw, ik hou van jouw blik die kinderen doet lachen klein groot jong of oud laven zich aan je lekkende boezem het wijnrood van je lippen de rijm van je warme dijen wie beter dan de dichter die verzen in je oren blaast kent de spanning van je geprangd lichaam de weemoed in je ogen als je mededogen toont voor hen die liefde ontberen valse goden eren, Marie-Hélène, de blos op je wangen kleurt mijn dag de welvingen van je vormen brengen reliëf in mijn leven. * LIEFDE Wie de liefde van zijn leven kent, - voorrecht dat mij elke dag overkomt, - moet niet zweven om verwelken te voorkomen of fantasieën ontplooien tot een ongeschreven boek, wie de vrouw van zijn dromen lijfelijk en aanspreekbaar heeft ontmoet, leeft bij de gratie Gods een leven dat tegenslag negeert en het geluk als een paternoster van momenten aan elkaar rijgt. Alleen te sterven blijft ondraaglijk. * VLINDERS De vlinders in je buik vliegen uit prikken zich op jouw topje naast een tepel wepel fladderen hun vleugels krijgen alle kleuren van de regenboog het oog wordt verwend tot ineens de vlinders zijn verdwenen zo vergaat het verliefdheden zo hevig kort van duur. * DE JONGE HELENE Verbazing overvalt mij mijn ogen haken zich vast Hélène de jonge Hélène komt op onze tafel af de vlucht in haar ogen haar tuitende lippen gulzig de contouren van haar volle mond de vaste tred de glimlach als ze me aanspreekt mix van schroom sensualiteit de welving van haar borsten. Ze kan mijn dochter zijn, zegt de vrouw rechtover mij in haar ogen bewondering twijfel weemoed, dat ook. Die nacht droom ik overdadig. * GENOVERE OP VRIJERSVOETEN Toen koets de Creuse doorkruiste stak Genovere haar hoofdje buiten verwonderd over zoveel groen gele brem luchtte zij haar gemoed tegen de ruiter op de bok die op de rem ging staan de paarden bij de teugels trok en vroeg: madam voel jij je niet op je gemak? Genovere stapte uit schikte haar drietrapskleed in zeven haasten liep naar de graskant volumineus vlijde ze zich neer keek amechtig naar de hemel en klapte in haar handjes. Toen bracht de koetsier de picknickmand dichterbij gevuld met tommycake en droog fruit nam plaats naast zijn meesteres plukte bloempjes om ‘r heen een boeketje slaafse gehoorzaamheid Genovere spreidde haar rokken over zijn kroes de oude bok lustte nog wel een groen blaadje. Toen de haan driemaal had gekraaid vervolgden zij hun weg Parcilot droeg hoorns vervuld van trots. * BRIEF AAN HELENE Hélène hitsige maagd op kousenvoetjes de lange puntstaart van je kornet krult zich over je rug kwispelt over de grond gekrulde fallus in erectie zachte stokebrand zet de tobbe uit hits het water op prikkel mijn zinnen schrob mijn knoken hard mijn eikel kom wijdbeens over dat ik oprollen kan je kleed tot aan je lenden schouwspel cinema in geuren en kleuren en als ik oprijs tsunami zoen ik jou als een ontdekkingsreiziger roep america en vaar landinwaarts voorbij de klippen je baai binnen de zon steekt het water schuimkopt jij koert en kirt ik gier van pret. * MIDDELEEUWS OVERSPEL In ‘t groenlachende woud verspert een hegge de toegang tot de tuin van onkruid en lust. Achter het raam prijkt de heks in al haar verdorven naakt. De pages rijden voorbij apegapend links rechts op het ritme van hun ros. Wie is zij? Allochtone? Autochtone? Wat maakt het uit, ze is rein en ervaren, heeft geleden en verzucht, mannen opgegeild tot zij hun laatste adem bliezen. De pages begraven het geheim. Ze hebben zwijgplicht. De ridder in zijn kist wordt geloofd om zijn manlijkheid. Door een kier in het struikgewas kijkt zij geamuseerd toe * Pagina's 1, 2...vorige |

| NetBook nummer 54 van Het Prieeltje Online |