AMOR VINCIT OMNIA
THIERRY DELEU
Aan mijn lezers:
een prettige Valentijn!

OP DE HUIVERLIPPEN


Op de huiverlippen van de kindbomen
knippert het ochtendzilver;
de stad slaapt in hun kroonbed.

Het meisje met de zachte streelhanden vraagt:
waar zijn de goudbomen, darling?
Naar ademdeeg ruikend haar jonge borsten.

De straat strekt huiverig het stenen lijf;
de goudzoekers krommen de vingers
in het bloeiende water van de ochtendkom.

En de hondstad schudt haar zilverhaar.

*

HERFST


De kamer heeft zich gevuld
met de geur van chrysanten.
Het behang is bruin en goud
en purper het oude bed.

Naast mij de vrouw gelukzalig
in bedwelmend naakt zij ligt.
Haar adem een beslagen raam
hangt rans in de gordijnen.

De lucht smaakt als nieuwe wijn
bitter ondoorgrondelijk
als paddestoelen van één nacht.
Het lokaas van de herfst toen

zij spon zilveren draden
tussen mij en de eeuwigheid
overwonnen niemandsland
meetbaar aan haar vlezen lippen.

Het is goed in deze tijd
te proeven tot de bodem
de rijkdom van de herfst
als een kasplant onder glas.

*

ONEINDIG BESPEELBAAR


De ochtend is niet zoals je denkt
een havik hoe hij heeft geroken
weerloos het verdriet
onzegbaar zalig is de ochtend

achter de strandhuisjes
op een tong van de zee
liggen zij uit de wind
handtastelijk de vroege knapen

dit is de ochtend proeven
in hun keel de hete holte
van het zand ontelbaar tellen

zij weten het zij hebben het achterhaald
de ochtend is een feest
blondgehaard en oneindig bespeelbaar

*

ONTWAKEN


languit haar naaktheid een preuts gewaad
op haar been een streep geronnen licht
dat zich een weg baant in de kamer

naar lavendel ruiken de lakens
doodstil dit huis in een beginnende regen
de zon schuift haar lichtende ladder uit

op de vleugels van haar ogen
even talmen zij wanneer een wolk
over de heldere ruimte glijdt

nu knipperen ze in het blinkende licht
languit haar handen achter het hoofd
vraagt zij hoe laat het is

*

OP EEN MIDDAG


op een middag in mei kwam ik je
tegen : je had bruine ogen
en een putje in je kin, je zei:
dag, ik heet Ninette en jij,

ga zitten en waarover praten wij?
en zo ben je sindsdien gebleven:
rechtuit, elastisch als je slipje,
lief en vóór alles heerlijk echt

je woonde op een zolderkamer,
waarvan een deel bestemd voor atelier,
daarnaast zette je thee en zei:
blij dat je gekomen bent

*

ALS EEN JAGER


Haar gezicht is wit van regen
een vensterglas waartegen mijn mond
proeft proevend het murwe water
dat hoorbaar schuchter huiveren doet.

Zij ziet mij en onze monden beven.
Van geur en kleur, en zinlijk herkennen
hoe ik ree lig voor de overval.
Als een jager in zijn grondgebied.

Ik hoor de schroom van elk sterven.
Met vingers die haar adem stokken
streel ik het dier achter in haar huid.
En zij stuiptrekt voor het geheim.

*

NA DE DAGERAAD

Verwekt uit zoveel handen zachtheid
en zo weinig harde aarde, zij ligt -
aan haar garstige adem slaap ik.
In de rimpels van haar huid brede

sporen van een man, gevlucht voor het
krijsen van een kleine kraai.
Na deze dageraad een nieuw kind
zal zij dragen, als een dracht waaraan

geen liefde vreemd gebleven is.
Ik voel de adems in mijn longen
openstorten. Elke dag, elk uur.
Als ik dit schrijf als een klaaglied,

dat zo weinig woorden weemoed zingt,
ben ik de fallus die zijn zaden plant.
Tot hoorbaar zacht de nacht als een
vogel over onze tempel wiekt.

*

EN HET WATER NEEMT JE NAAM


De wind ligt languit op de dijk.
In de wolken ruik ik de adem
van het zout en de duinen.
Ik grijp de zon in het water

en giet haar uit over hoofd en hals.
Het zieke dier huivert in mijn
bloeiende heup - als regen op riet.
In het zand dat mijn voetstap draagt,

schrijf ik jou ten voeten uit.
En het water neemt je naam.
In het bange handgeklap
van een vogel hoor ik onweer.

*

IK BEN DE LENTE NIET


Ik ben de lente niet mijn kind.
Met bramenschrammen op mijn huid
en geur van regen luw als zoet geweld.
Ik zou wel kunnen sneeuwen

een stad een rijk in witte vacht.
Zeer zacht, zeer wit, waar hart inzit.
Met vrieslucht slechts om van te leven.
Misschien zal dit mijn laatste winter zijn.

Een dood wit paard drijvend op zijn zij.
Zolang nog zal ik blijven zingen.
Als een offer aan meeuw aan zeekrab
aan zeester en steenkrab dit lied.

Ik ben de lente niet mijn kind.
Maar een stille, schuwgeworden vogel
die verreisd neerstrijkt op je hand.
Tot het bloed weer steigert in zijn lijf.

*

LIEFDE


Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.

Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,

op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.

Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.

*

BERGMEER


Je lichaam een argeloos bergmeer,
mijn hand wortelt naar je water,
waar ook ontwelt de nagelaten nacht
en 't reutelend ademen van de blaren.

Je haren losse teugels van de dood,
vinnig als de vinnen in je borsten;
ontwaken is langzaam opengaan,
als een hooidilt in de morgen

geurend naar de dracht van koeien.
Wij ruiken voos als de aarde
en vloeien in elkaar als water over,
in een traag gebaar mij telkens opwaarts

wendend mijn liefde zalft je schoot
En komt als vlottend wier weer boven;
lichaam dat zich met lichaam voedt,
zich vult van vingerkoot tot kruin.

*

IK LEG HET OOR


Ik leg het oor op haar buik
en laat er rauwe bloemen achter,
eerst sneeuwklokjes, dan anemonen,
speenkruid en klaverzuring.

Haar buik een nest jonge eenden
peddelend in het dikke water.
Ik druk mijn stethoscoop tussen
de sleutelbloemen en viooltjes.

In haar heupen voel ik vogel
en vleugels beven als een riet.
Tussen haar oevers slijm is het
water dat zich traag beweegt.

*

AVONTUUR


In ‘t welig kruid van je huid ik
strijk neer en fluit van zotte vreugd
het lied van onze zondeval.
Een specht speelt solo op je dij.

En als water kirren duiven
onder de bloesems van je gezicht.
De knoppen van je borsten gloeien,
als je openbloeit een explosie

zo snel in de palm van mijn hand.
Een avontuur in jou te klimmen,
vol van zang en dol van zinnen,

maar als in hout letters kerven,
die je ook later ziet, kan ik niet.
Morgen fluit ik licht een ander lied.

*

AAN HET WATER


De kleur van gras ben ik vergeten.
Zij kent de geur van hooi, de smaak
van water, het waaien van het riet.
Zij rekt zich uit als een konijn,

belust op 't zwoele minnespelen.
Ik vlij mij neer op 't slanke dier,
dat wuft en warm mij drijft naar
't wassend wier waarin mijn vinger sluit.

Aan de dode arm van de rivier
spreidt zij onbeschroomd gedwee
de twee verhalen van haar benen.
En de zon leest zich de ogen uit.

*

WEPELE MEEUW


Ik leg mijn oor in het zand en hoor
de zee zo-even aanstoot gevend.
De wind ontwaakt en gaat liggen
onachtzaam op zijn andere zij.

Met ringen van wier om de enkels,
zij voert de zee aan in mijn hemd,
in haar hand een wepele meeuw.
Zacht sluit haar mond mijn woorden af.

Ik proef het zout op haar lippen,
voel de storm groeien in mijn buik.
Heerlijk de liefde bedrijvend
als de zee aan haar lichaam kleeft.

*

IN HET DUIN


Met de veroveraarblik van
een kind op zijn hobbelpaard
maak ik jacht op de vlinder
tussen haar lippen gespeet

zijn vleugels beven als riet
als ik haar traag bevinger
stil en van goeden huize
verzwijg ik wat niet eerbaar is.

In het duin proeven wij na
van knappend brood kaas en wijn
als verfijnde dieren hebben
wij ons uit het zicht gelegd.

*

HET IS ZOMER


Meisjes met groene ogen kirren
als vogels tegen het felle licht,
mannetjes slaan hun vlerken uit,
dravend op hun driften. Het is zomer.

Ik stijg uit, gestalte krijgen
de vele dimensies van een golf
die aanzwelt als een waterorgel,
zich opdringt even maar verstomt.

Samen pootjebaden, naar meeuwen
kijken die bestrijken, verstillen
tot de praat ze overvalt. Uitgebreid
zoen ik de gladheid van haar hals.

*

                       Pagina's 1,
2...volgende
NetBook nummer 54 van Het Prieeltje Online