Waar vind ik dat wat mij behaagt
wat mij van binnen zo beroert
dat het mijn zinnen verder draagt
en mij tot in de ziel beroert

waar vind ik dat wat mij verleidt
en mij de lusten brengt van ’t leven
zodat eens uit mijn rust ontheven
een zoete roes mij begeleidt

bij u mijn liefste en anders niet
vind ik de vreugde van ’t beminnen
en van de liefde ’t schoon verdriet
dat vraagt om eeuwig herbeginnen


***

Weet je nog
het zaad van mijn verlangen kiemde
merels zongen gedichten in mijn hoofd
grassprieten streelden mijn naakte lust

ik vergat het bijna
hoe mijn handen boten grepen uit de oceanen
hoe ik de luchten aflikte
tot de smaak van porfier mijn keel innam
hoe ik met de nevels een god boetseerde

ik weet het
mijn vader beweegt in mijn geslacht
hij zal niet sterven zolang mijn zaad zwerft
hij drukt mijn handen op het levende
ik grijp weer naar de mantel van het noorderlicht

weet je nog
hoe we elkander aanraken wilden
samen in het samen
samen

samen

waarom vergaten we toch

***

Waar ligt de grens
tussen mijn illusies en jouw dromen
weet jij het mijn liefste
ken jij het antwoord
je leefde naast me
je verborg je in mijn schaduw
je straalde licht over mij
herinner jij je nog onze verrukking
toen ik witte schepen plukte
uit de purperen herfsthemel
toen mijn ogen zongen en mijn handen
je gezicht in de wolken tekenden

herinner jij je onze illusies nog
wat weet jij van mijn dromen
nu ik herinnering ben

***

Als het kristal zal breken
van mijn geest
berg dan de scherven
in de beker van je handen

laat iedere prismasplinter
van innigheid doorglinsterd
overleven in de
iris van je ogen

zo blijf ik nog in jou
vergruizeld en voorgoed gezeefd
want niemand is mijn geest
zo naderbij geweest

***

De avond was groen
de lucht citroengeel
een zwarte zwaluw zweefde door het decor
jij was een lichtblauwe vrouw
in het omberen struikgewas
je vingeren waren roze
je ogen grijs
toen jij bij mij kwam
midden de lange buigende
witte margrieten
jij was dat en veel meer

***

Willen wij het ons samen herinneren
misschien weet jij nog veel
vertel het me
hoe we ons aan elkaar gaven
ik kende je lichaam amper
wanneer wij paarden
jij was niet uit te spreken
jij was zo vluchtig
misschien waren we samen geesten

vertel het me hoe jij mijn lichaam beleefde
je vergat het toch niet
was het ook zo voor jou
dat jij mijn aanraakte
omdat jij meer van mij verlangde
zeg me hoe het voor jou was
dat moment van liefde
ik had het gevoel dat wij witte vogels waren
soms heb ik verdriet
omdat wij niet opstegen
voorgoed

***

Toen ik mijn arm schoof om je middel
leunde je tegen me aan
jouw haren raakten mijn wang
je adem wasemde om mijn hoofd
als ik je aanraakte trilden mijn vingeren
ik voelde je borstjes tegen mijn tors
een vreemd gevoel steeg door me heen
het was als wenen en toch tegelijk
werd ik doorvloden van een innigheid
ach hoe herinner ik mij jouw lichaam
hoe jij jezelf was zo sterk jezelf
zo sterk samen met mij verenigd
alsof ik in jou tot een herleven kwam
ik bloeide open tot ik jou werd
voorgoed samen gebonden
ondergingen wij elkaar in een extase
mijn lippen sloten zich op jou
jouw ogen sloten zich op mij

waarom moet dit verdwijnen
in een onteigend verleden

***

Ik lag genietend van een plots begeren
terwijl jij onbewogen ieder facet van mijn
bewustzijn onderging
alsof jij afwezig van drift mij uitsluitend jouw
aanwezigheid liet
ik begreep niet waarom je ogen toch glommen
waarom je week en mals en vochtig werd
op dat onbesliste moment voelde ik aan
hoe de arend zijn klauw plant in zijn prooi
ik werd weloverwogen kalm
de drift ebde weg in mij
ik kantelde me van je af op zoek naar ruimte
naast je lichaam lag ik denkend aan een zweefvlucht
jij lag wachtend op het moment dat ik neerdalen zou
toen we onze vlerken samen sloten
was er geen geluid meer tenzij jouw pijnlijke adem

***

Toen mijn lippen zich sloten
op de jouwe
wist ik dat mijn zoen
mijn nooit uitgesproken naam was
op je mond

***

Waarom die onrust in je blik
de dag dat de nevels plotsklaps
het oog van de zon verblinden
nooit tevoren beklemde hij zo wurgend
onze adem in onze borst
ik oog de vogels van het noorden na
zij vertellen mij je twijfels

het uur breekt aan om de zeilen te hijsen
volg me zonder angst naar de steiger
ik zal mijn schip veilig leiden
doorheen de ontketende golven
naar de zuilengangen waar de winden slapen
naar een haven verdronken in pure lucht
verborgen in het lied van een schelp

***

Ik tekende je toen
in een beschroomde stilte
je zwanger lichaam
naakt op het warme bed
het zeeflicht van de ochtendzon
op je gedoken dijen
je hoofd terzijde op de peluw
in lichte rust
mijn hand gleed over het papier
terwijl  je lichaam groeide
een albasten vaas
jij keek naar mij
met donker loerend oog
hoe ik het kind schiep in je lichaam
pas toen ik eindelijk
mijn hoofd dicht bij het jouwe lei
voelde ik dat je een lied was

***

Wanneer ik terugkijk naar ons samenzijn
hoe wij tezamen waren in het wondere licht
het licht dat ons alleen bescheen
ach lieve lust
dan voel ik pijn
zij stijgt langsheen mijn jukbeenderen
naar mijn ogen
mijn mond wordt droog
ik spreek niet meer
want diep in mijn vlees
word ik door jou ontroerd
ik heb geen nood meer aan verleden
ik ben aan jou teneinde  

***

Als ik nog eenmaal ga
doorheen de poortgalm van het ginder
vind ik je terug in een naakte zon
het blonde lijf gebogen in een duinrug
jij schreeuwt mijn naam met ronde mond

je stem verstuift in neveldruppels
-Waar ben je? Waar ben je nu?
het zeeschuim kleurt de kiezels
van een wolkenver strand
de meeuwen krijsen duizend cirkels

kijk kinderen op schelpenjacht
plukken zeesterren van een verzonken anker
zij wijzen mij de wegzwevende boot aan
op de koraallijn tussen hemel en zee
bet nu mijn ogen met je verstilde vingeren

***

Je had gekrulde handen
waarmee je de nautilusschelp
aan je zoute mond bracht
de zeewind kleefde een hemd
van zandkorrels op je huid
als ik mijn arm om je lenden schoof
schuurde ik het zeezand van je af
je voelde aan als een mensgrote vis
ik vond je mond dicht bij de schelp
wij ademden toen nog driftig
elkanders adem bij iedere golfslag
je natte kneukels dicht tegen mijn wang
het was haast herfst en heerlijk koel

***

Op de kiezels van het strand
wij twee
alleen
de grijze lucht ademde vocht op ons
een helikopter knaagde zich een weg
een valscherm tuimelde over de lege buildings
ginder knipperde een gele palmboom
naast een gesloten luik

wij lagen tegen elkanders friste
te wachten op het niets
een golf stortte zich naar ons
een watermuil
een zuil kletste op ons naakte lijf
schelpen ritselden in schuimwaaiers
de kiezels schitterden zwart

mijn ogen ontmoetten de jouwe
secondelang
je bleef even mijzelf

ergens was het maandag

***

Laat mij nu luisteren naar het harpellen van
Chopin’s twaalfde nocturne
mijn vingertoppen trillen en mijn hart vibreert
het spel der klanken zweeft en tuimelt
het zinkt in mij en fladdert op
nu is het onbereikbare dichter bij me
dan een vluchtige zoen

***

Toen onze vingertoppen elkaar raakten
smolt de rijm aan je warme oogranden
zwermen snaren zwierven rondom je hoofd

je boog je in een gedempte glimlach
voor het wijken van een morgenster
je adem werd een witte stem

voorbij je blik stierf een moe gezongen toon
een versteven vogelvleugel op de ijsvlakte
in je handpalmen trilde Sibelius na   

***

Schubert is dood
je had nog pas midden zijn klankenweelde gestaan
je had je handen net neergelegd
voorgoed
Schubert is gestorven
de dood van een Infante
in die melancholische mineurtoon

je handen stierven op het klavier
in een gapende eenzaamheid
alles verdofte in je

alleen in je herinnering zweefden harmonieën
je handen zijn in je gestorven
de dood van twee juwelen
in een tragisch laatste largo

Schubert is dood
de piano verdween uit de klankenkamer
je handen zijn roerloos
ik zwijg nu met jou

***

Alleen mijn schaduw zal verdwijnen
op het moment van het adieu
niets zal veranderen
samen met mijn geest
zal ik in je herinneringen leven
alsof een nieuwe werkelijkheid
aan je gegeven wordt
dan ben ik weer bij jou
zoals ik je verliet
ik weet het wel dat doet je wenen
te weten dat ik ooit verdwijn
maar ook als ik dit zoete leven
eerder dan jij verlaten zou
zal niets veranderen
alleen mijn schaduw zal verdwijnen
alleen mijn schaduw zal verdwijnen

***

Nu ik zovele jaren heb geleefd en het adieu mij
nadert
voel ik een deugd in mij die mij sinds lang vergat
alsof de jongeman die ik ooit was
gewekt wordt door een vreemde energie
mij inneemt en mijn oude lijf bezielt
mijn geest vervult tot ik mijzelf niet meer herken
ik wens dit niet en toch tot op het wenen na
verlang ik naar die deugd opdat zij blijven zou

de zoetste herinneringen verdringen zich in mij
weer hoor ik nu die stilte in mij sneeuwen
ik voel de adem van muziek mij zalven
opnieuw voel ik de liefde van mijn lief
en weer breekt in de avondval het wachten aan
verrukkelijk wachten op het zuivere moment
waarin ik uit mijzelf gezogen door een heldere schijn
de vrijheid van het leven onderga
terwijl mijn oude lijf verlamt en sterft

ik weet dat ik mijn geest niet weerhouden kan
hij is het lied in mij waarin ik werd geboren
waarvan mijn mond nooit woorden vond
en nu ik weer die jonge deugd ervaar
die jeugd in mij alsof nog alles herbeginnen is   
groeit spanning van extase in mijn ogen
terwijl de jongeman in mij verwonderd luistert
naar de echo van mijn nabije adieu

***

Mijn lieve vriendin
kijk me in de ogen
zie je niet in de verte
in de schaduw van mijn pupillen
een jonge man lopen
een grasspriet tussen de lippen

Mijn lieve vriendin
vergeet dit nooit
want bij het einde van de reis
de dag van het adieu
breng hij je terug
met zijn gerimpelde hand
zijn moeë stap
naar het dorp van je jeugd

***

Zo zacht dat het me teder stemt
voel ik de lente wasemen in mijn tuin
twee tortels met verliefde vleugels in een kruin
maken mijn stappen op het gras gedempt
tussen de witte krokus en de purperen hyacint
en ‘k vraag mij af: heb ik genoeg bemind

Ik weet dat ook dit jaargetijde ons verlaat  
tezamen met de geur van rozen pas gesnoeid
of violette hei haast uitgebloeid
terwijl de tijd zo ongenadig verder gaat  
en ik onrustig mij  bevraag: heb ik genoeg bemind  
ach, in mijn hart leeft een ontgoocheld kind

Ik voel die oude pijn weer in mijn borst
en weet dat ik die wondertuin der zinnen
verlaten moet en niets meer valt te herbeginnen
want onweerstaanbaar sterft in mij de levensdorst
wijl ik in ‘t zalven van de zachte lentewind
mij bitter afvraag: heb ik genoeg bemind?

***

Wat late rozen
gesneden in de levenstuin
een glimlach
in een moeë zon
en enkele woorden
in het schemerduister
terwijl je vingers
het adagio tikken
dat je sinds je zwakte
niet meer spelen kon

***

terug naar boven
_____________________________________________
Copyright © 2004/2006  de auteur en 't Prieeltje Online. All
rights reserved.
LATE ROZEN  VOOR MIJN LIEFDE
Gust Van Brussel