GEDICHTEN

DODENMIS

we weten dat we onverstaanbaar ruiken
naar zwarte schoensmeer
voor witte sandalen in volle zomer

en alleen begrijpbaar achterblijven
voor hoge op te blinken winterlaarzen
weggeborgen via een uittrekbare trap

na een volle zolder wachten zullen
we het dof zijn weer omhullen met
een allelluia dat ons doet kreunen

een gloria een amen eutonisch
herhalen bij het afdalen
van het zwierig stijgend gregoriaans

een zweven dat we probeerden te verklaren

* * *

GESCHENK

zoals ze in zijn oksel blijft
één hand op haar heupen naait
ruimte speciaal voor hem bewaart
heeft ze zich nooit gezien

daarom de sluier neerlaat
verwonderd bekende trap bestijgt
langs witgekalkte muren
alle tinten weer en weer herdoet

zich volledig geeft
de rode strik zelf los geknoopt

* * *

WERELD

ze komen terug
als ze moe zijn
geen pijlen meer over
voor de jacht

vleien zich op
verschuilen zich in
wat ooit van hen was
en nu nog meer

we weten hun gewond verstand
dat overal opbotst
bandenloos terugkaatst
vragend naar verzorging

reiken hen speren aan
zon die schijnt op ons bevel
een nieuwe waarheid
met alle registers open

* * *

SCHUILDICHT

soms, ineens
vallen mijn dromen op mezelf terug
domino

alle komma’s op de plaats
waar ik ze nodig heb
verder kan
onbewogen
blijf

alles komt op tijd
niet te voorspellen
evenwicht
op onvoorspelbaar uur

je kunt me steeds bereiken
ik trek me hier terug

* * *

BOOT

uiteindelijk heb ik ons aangemeerd
overtuigend vastgebonden terwijl ik zo
vaak een knoop te vlug liep
gedachteloos tegen je bedachtzame
trage overpeinzing botste
weer onder water zonk
vinnen verwierf
terwijl jij adem voor me opsloeg
mij opviste, afdroogde, weer aan land trok

jij hebt ze zevenmaal omgedraaid
de dingen waaruit spreken bestaat
en tong en lippen zo dikwijls ingeslikt
geen lavavloed alleen maar
rook uit een vulkaan

je hebt ons samengeperst
ik wou de kurk eruit
jij zuurstof bewaren voor later

* * *

MARIANE

ik heb het zwaard bij dageraad gescherpt
onduidelijke mist
die mijn hand achterliet in bloed
tot vergeten zachtheid zich heeft omgedraaid
op dezelfde weg dezelfde oorlog meed
mij een ode aan de liefde bracht

op wat zolang onderbroken lag
heb ik me met gras bedekt
potten en pannen gezelfmoord aan de haak
deuren laten staan

in warme aarde laat ik teugels los
liefkozend op mijn vel

* * *

ERATO

als ik me genoeg verlicht voel
gelijk welk schijnsel uit elke soort lamp
trek ik de stilte aan
laat kleren vallen
geruis siert me doorzichtbaar
de spiegel toont mijn hulpeloze kanten
schrijft me neer

als het er dan staat
me uitgedroogd achterlaat
geef ik een groot glas water
aan wat ontdubbeld naast me zit
-mijn uitgetreden ik-
met knoppen die ontbotten
afgesneden, weggesmeten
een bevloeiing wel verdiend
-asjeblieft en dank je wel
graag gedaan, ik ben maar weg
-blijf, we maken nog een praatje

lichte en donkere tinten in
een drinkend binnenste
dat ik geledigd doorkijk
afgedroogd neerleg waar het wil
tot zo dan maar

als ik alleen achterblijf
ben ik nog met twee

* * *

KWETSUUR

tranen schreven wat ik niet kon lezen
natte boezem
ik wou nergens in verdrinken
gooide haar een zwemvest toe
ijle lucht

en toen we halfweg
bleven bengelen
had ik te veel betreden
van onbegrepen enen
onvoorziene cijfers na de nul

een dwerg bleef ik
haar ruime handen ongetroost
mijn stompe voeten dwars in haar gebied
taal kapot gesjot

tweede poging

ik moet haar leren lezen

* * *

OPLOSSING

kies maar een andere weg
zeg ik aan nachtelijke wateren
die donker en te hitsig overslaan

dansen is een reden tot omarmen
een tuimelende zon draait raadselachtig om

achter de afgespoten gevel
ramen en deuren afgeplakt
sleutel stoffig en wendbaar weggesmeten

het opvallend anders zijn onverschillig
aan de cirkel een zuigend middelpunt
dat mensen ijzig maalt tot moes

ontkleden vind ik een normaal gebaar
van mij naar iemand die zich afgesloten heeft
geen geheimen zuiverder dan naakt

met mijn linker neem ik je rechterhand
verenig ons op mijn ontvankelijke navel

* * *

BABYLON

in het donker schreef ik een gedicht
dat deze morgen is gestorven
geen lettertje geërfd

mooi, vond ik
toen hij erover zong
over sterven bedoel ik
in mijn geheugen
dit stond vast
begin liever iets te vroeg met los te laten
lang geleden las ik dit
van wie

ik verga met woorden uit een vreemde taal
herhaal tot ik ze versta
neen, nooit, ja toch

vergissen vind ik mooi
en fout en op de verkeerde plaats en tenslotte
niets

vrolijk word ik
om het verlies
dat ik niet uit kan spreken
onverstaanbaar zoals ooit, later, dood

daarover ging wat ik nooit schreef
op een ochtend waarop alles weg was
ik een onbegrijpelijke zin

* * *

PAUZE

gordijnen voor geopend zomerraam
beschermen tegen smelten
ons hoofd waaiert naar leeg

de zon bracht evenaar mee
een streep te delen liefde

we kozen voor dezelfde kant
warmte met vooruitzicht op verwarmen
hete kelen om te spoelen

de zetel trekt verlaten vouwen
braakt eigen braaksel door de ruit
ogen krijgen zonnestaarten

wij stuiteren overwonnen mee
vliegen naakte lijntjes in de lucht
leggen kompressen op verbrande delen

* * *

ANTWOORD

licht spreidt zich open
in de kamer die ik mateloos bewoon
tweemaal waarom vraag je
ik weet geen reden
vraag en antwoord speel ik niet

ik spaar het licht tot de rand van mijn pupil
terwijl ik reddeloos de schemering bemin
die schaduw heet en schilderij
tot het verdwijnt

bod met tegenbod
zeg ik

neem mij
duw me tot de rand
spaar wat ik verkwist
bemin de droogte en
de oeverloze stroom
en weet
dit is dit

* * *

EINDPUNT

spinrag is ze
uit zichzelf niet van zichzelf
met gaten om door te kijken
speldenprikken om zich vast te houden

ze denkt aan schaar, gesneden
een mes gestoken door het midden
onzichtbaar grauw bevraagt ze mij

één mislukte handbeweging
één draad kapot
en weg

dit is de laatste lijn
en ik mag haar omarmen

* * *

ONSCHULD

terwijl ik snik om wat ik niet ben
de lichaamstaal van blote voeten
naast zwarte mocassins

de vingers ongehandschoend
hakend naast elkaar

de aarzeling
de weerspiegeling
van wat niet goed gaat
en dat dit overwint

lees jij elk blad rustig omslaand
handtastelijk mijn huid
tot een nieuwe tessituur
een eigen stem

ik denk verloren aan een fiets
terwijl ik op de wolken raas
een doorschijnend lied
onder mijn tong bevries

ik ben niet wat voorbijvliegt
gecijfer met wat woorden
hoe één en één zou kunnen zijn
de zon kent me wel beter

ik word door de nacht gesponnen
een cocon ineengekrompen
het ingetrokken openspringen
de loper halfweg uitgerold

* * *

GESCHIEDENIS

vermits het gisteren zo was
en vandaag nog
de wereld dol draait

heb ik mijn voeten op de grond genageld
om eindelijk te blijven
de juiste plaats

ik die in de wolken tolde
ronde vogel
eieren in mijn nest vergat
me opblies
ontplofte
in deeltjes viel

heb alle stukjes pijn bijeen geraapt
blijf hier aaneengeregen


terug naar boven
MET WOORDEN UIT EEN
VREEMDE TAAL
NetBook nummer 52 van Het Prieeltje Online
LISETTE WATERSCHOOT