HOE MOOI EEN VROUW door ALMA MOENS
GEDICHTEN
POETEN
Er jaagt een verzenvlam door onze tijd
getourmenteerde honger naar het schrijven
meestal verloren vogels in een bijt
poëten kan men niet in pasjes drijven.
* * *
Ik vergat bijna hoe mooi een vrouw kan zijn
rugggelings halfbloot gekeerd naar een man
om samen de tijd te maken te zitten haperen
in spontane spiegels die niets van
haar mysterie verbergen
* * *
Neem me niet kwalijk dat ik niet
altijd dezelfde ben ook de eiken
in groene koepels hangen straks
als kale koepels aan het plafond
in het luchtkasteel van de herfst.
En ik nog lachend van zee en jonge wind
zwerf morgen met gekrompen karkas
langs het park waar nu onze
kleinste eikjes groeien.
* * *
Een vrouw met zeebewegingen
met transparante gebaren
Een witte nimf,
Om te lezen wat er niet is,
Een handvol water om de
lippen in één teug te laten
proeven. De boot. De hemel.
De vonk. Ikzelf en de waterjuf.
* * *
Om te troosten zijn mannen gemaakt
Voorzichtig halen ze wenende
Gezichtjes op hun teddyschouders
Fluisteren een rozere toekomst in
Gepoederde oortjes en zorgen ervoor
Dat kokette dromen vrouwen niet
Door de verwende vingers glijden.
* * *
Ergens in de medina in Fez schilder jij
terwijl ik een Mechelse koekoek uitprobeer
de hond gromt me nijdig aan
"kook maar tot Asma met Frolic terugkeert
dan frolic ik wel dagenlang".
Telkens mijn pumps hier jouw voetstappen
raken
spant zich de vrees als een klauw rond mijn
keel,
Mahler loopt weg met Das Lied von der Erde
de kamer elk hoekje wil me verleiden
jouw email te geloven maar zolang ik
hier woon verjaag ik mezelf.
* * *
in mijn verlorenheid hoor ik weer jouw
voetstappen beneden in het trappenhuis
jouw gefleem bij het naderen van de
woonkamer waar ik de tafel dek
ach ontwaken en alsmaardoor herhalen
waar verblijf je vandaag en morgen en
overmorgen
tevergeefs naar je pantoffels zoeken
waarin je koude voetjes wegglijden
je das aanbinden en hier heb je de zakdoek
regendruppels blinken als diamantjes
aan de hals van het piepend oude hekken
* * *
De dag geen open veld
wel toeë tuin waaruit
gebleekte parasols verdwijnen
buren weer over muren gluren
opscheppen met exotische verhalen.
Geverfd springen appels uit de bomen
deuren vensters alles dicht
het blotevoetenfeest voorbij
agenda's dicteren ons de plicht.
Bruine meisjes met badpakken
die ze opbergen hebben de zon geblust
Assepoesters mogen gemuild
weer naar het verjaarde bal.
* * *
STAD IN DECEMBER
De dag bestaat al. Onder een stolp van
mist kruipen trapgeveltjes uit het donker.
Vlakbij met openingen, de tuin waarin
plassen zon liggen te spartelen en in
berken, vogels met opgewaaide veren.
De wind : een viool met slappen snaren.
De stad is steen en plein in standbeeld.
Een winters hol voor vette duiven.
Een open tempel vol zondagsklokken.
December mixt oud met nieuw.
Moeders zijn in huis en in de keuken.
Ze roepen als onder de lampen, de
borden geurvol staan te dampen.
* * *
Bomen en lampen zijn de nacht niet
noch de wind en de regen aan een stad
het is de maan niet en de vroege jongens
die door weggevaagde straten lopen
noch de wilde geur van water in de gracht
alles wat me tot dit dichten bracht.
Het is de zoete zilte van haar mond
het genylonde ruisen van haar benen
langs de witheid van mijn huid
het is de duur het vage vuur
't vermoeden of er nog wel iets
van het geheim bestaat dat ons
kan redden uit de nacht.
* * *
EEN STRAAT IN DE STAD
Liever niet zeggen
Hoe vaak ik hier loop
Met de dood in het hart
Het huis nauwelijks herkend
De gevel wit de vensters uitgewist
De eiken deur op slot.
Je bent weg
Je loopt door de gang
Knipt alle lichten aan
Je bent weg
En toch weer helemaal daar.
* * *
TSUNAMI
De oceaan raast op Aziatische stranden
Voeten en handen opeens een golf
Waar teveel dood in zit
Een kind uit een schooltje alleen
Over lijken een steen in een boom
Alles wat drijft verdrinkt
Auto's en wrakken vuilniszakken
Wie nog leeft rouwt
Maar men zal ze overal vinden
De ogen de handen de monden
Van liefde van ons
* * *
ik loop de tuin
praat narcissen uit de grond
zing de mooiste in een vaas
spons de zon op vuile ruiten
bestek de tafel met zilver
begraaf garnalen in tomaat
bedel een facelift bij Gemey
dans passie in een tango
schater de chablis in ons glas
en dit veel geluk
heb jij me aangedaan
* * *
TWEE BELGEN IN BAGDAD
Terwijl de stad brandde vielen hun handen
als bleke bloemen rond elkaars hals.
De vrouw zei dat ze heuveltjes had
waarin hij ongehinderd kon schuilen.
Wanneer de hel 's nachts losbrak
vluchtten ze in elkaars ogen ze knepen
ze zo dicht dat ze het Bengaals vuur
dat hun haren verschroeide niet merkten.
Op hun lippen verdwenen alle vragen
ze bleven moedig tot het einde trouw
als twee sterren van hetzelfde beeld
op de hemelrand stilgehouden.
* * *
De storm verjaag ik in in mijin lijf
hij verduistert mijn ziel
stort zich op het gedrag van mijn spieren
drinkt de rijkdom van mijn fantasie
verzwakt mijn levensenergie
en hakt dromen in stukken.
Ik heb rendez-vous met de tijd
maar de avond schrijft een vraagteken
ik leg mijn leegte in lege laden
en verlies het leven in obsessies.
* * *
Onzichtbaar leven
Al geweven in 't rag
Van tulen takken
De wind gekeerd
Gesloten ijs
Gescheurd gekrompen
Tot een vlies
Vandaar mijn droom
Dat koude gisteren was
Plotse zon op een kalenderblad
Februari scheurt de winter af
* * *
KERKHOFBRIEF
Eng zijn hier de gangen men stoot
zich aan kruisen en zerken en keuvelt
krijten krisanten in perken, een korte
klok gaat door merg en been.
Alleen de hoop waarin ik elckerlyc
zou willen duwen alleen later
steekt vuur in sterfgebeden.
Dus toch maar kijken ruiken tasten
horen. In Gods vel bijten van
pure honger naar iets meer.
* * *
terug naar boven