Sonnetten van het Brandend Huis door JOHN
SWEET
vertaald uit het Engels door Henri Thijs
NetBook

nummer 49

van

Het Prieeltje
Online
Copyright Nederlandse vertaling: Henri Thijs en Het Prieeltje Online.  Niets uit deze
uitgave mag worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever.
               GEDICHTEN

het gedicht begint

er is een god
en toch spuit deze man
vergif in de aderen
van zijn eigen zoon

kerft het woord
dood
op zijn smalle rug

gelooft alleen
in wat hij kan vatten
en bewijst precies zo
dat hij fout zit

* * *

voetnoten van de decade van de aangebrande toast


december

als je je vader aantreft
in een kamer niet groter
dan een boze droom

vraagt hij naar geld

wenst een kus

strekt zijn handen uit en
het bloed dat je erop ziet
is dat van jezelf

de man met wie je huwde
is de zoon die hij nooit gehad heeft

alles wat men wil
is je te tonen hoe goed het voelt te pijnigen


* * *

ikzelf als een mal figuurtje in het verhaal van iemand
anders

zittend in deze kamer met
het slanke meisje en haar naald
die zegt dat haar
vriendje vlug terug zal zijn

zegt dat zij nog nooit
eerder een echte dichter heeft ontmoet

die lacht en mij
vraagt om iets voor haar te schrijven

een sigaret aansteekt

kucht

en mij opnieuw vraagt
naar mijn naam

en verstrooid knikt
bij elke leugen die ik haar vertel


* * *

blues van gertrude stein

koude regen op maandag als
de baby wordt begraven met zijn moeder
en dan later
zwak zonlicht

bleke handen op
vuile vensterbanken

het afschuwelijke geluid van lachen
van bijna dertig jaren terug toen
de rots werd opgelicht
en terug geworpen

gebroken glas en bloed

iemand huilend op het tapijt
terwijl je vader in een bar zit
aan de andere kant van de stad

het huis van je buur in brand staat

een jongen naakt
door de bossen rent

opgejaagd

schreeuwt
struikelt
op zijn knieën valt

de laatste vijftig voet kruipt
naar de oever

en het lichaam vindt van zijn moeder
waar het tij het heeft losgelaten


* * *

gedicht naar het laatste vermiste kind

heel stil zittend
en kijkend naar de slagen
van mijn linker pols

mij afvragend of het meisje
haar moeder en vader
had moeten zien sterven
mij afvragend
of dat wel
van belang is

de eeuw van de mirakels
die als een ijzeren vuist
mij omsluit


* * *

devotie

verbeeld je
het geweld van
het geluk

een kamer
maar niet deze
waarin je nu
zit

bloed waar
de vuist
zijn geliefde
heeft gevonden

dit
gebeurend
overal

* * *

goya’s blues

en dit is geen kunst
dit is realiteit

de baby
vijf maanden oud en
dood geslagen door
soldaten

de vrouw met
gaten in haar handen
waar de nagels werden
geslagen

en jij die denkt dat het oorlog is
maar dat is niet waar

jij denkt in termen
van winnaars en verliezers

van agressors en slachtoffers

maar luister

dit is altijd al
gebeurd

meisjes verkracht
en nog eens verkracht

nonnen opgehangen aan bomen
als voer voor de honden
en het is niet beschamend om
te pogen een
onderscheid te maken en nog minder
om te vrezen van te falen

het heeft geen zin
het goede tegen het slechte
af te wegen
daarom doe ik dat ook niet

woorden zijn nutteloos
in de schaduw van
zoveel blinde haat

* * *

de namiddag

zonlicht en koud
redenen genoeg dus
om te doden wie wij liefhebben

alle ramen in de
kamer van de gehangenen

in het huis der waarheden

maken

de schaduwen geworpen
door onbewoonde gebouwen met
lege parkplaatsen en de
de stuk gebroken stoep

plaats voor het onkruid
en de plastic zakken
en voor al de geheime kankers begraven
net onder de grond

de kinderen langzaam
en afschuwelijk stervend

het geld dat kan worden
geschud van hun beenderen

ieder van ons menselijk
geworden door het idee
van de retributie

* * *

zuiver

de lucht te helder
en de zon

de schaduwen van voorwerpen
die wij gemaakt hebben of vernield
en het idee dat niet alles
dat we aanraken gaat stollen

herinner jij je nog dat gehoord te hebben?

herinner jij je
wie het was die de nonnen
van de bomen losknoopte en waarom?

uiteindelijk
zijn het niet de motieven
die wij ons herinneren

bekijk maar eens die vier lichaampjes
netjes gelegd op het bed en
het vijfde nog altijd in het badje

de wanhopige hitte
van september

de lege ruimten
rond de steden

een man vallend van een brug
op de snelweg beneden

springend

en alles wat hij ziet
vooraleer hij de grond raakt

* * *

bitter gedicht in gang gezet door de toevallige dood van
een kind

het is een begin
als je je
realiseert hoe lelijk je wel bent

het is mogelijk
een zegen
en dan het kind dat
het geladen pistool vindt

zes jaar oud en
dood bloedend op de vloer
van een slaapkamer in om het even welke stad
waar jij ooit gewoond hebt

waarin je ooit geleefd hebt
en alles waar je aan kunt denken
is schrijven

woorden
verspild door jouw handen
als het vergiftigd licht
van christus

christus kruipend door
het huis van spiegels maar
ze zijn alle zwart geworden

ik ben bang  mijzelf
te zien
in een van hen

* * *

monroe ave vanop een afstand

iemand in een kamer
met hemzelf

met een wapen of
een stuk koord en
ofwel ken ik hem
of helemaal niet

ik prik deze laatste pathetische daad
op dit dun blad papier
en laat hem kronkelen

ik wandel
door de vensterloze gangen
van het gebouw waar ik werk en
probeer niet te denken aan de
volgende vijfentwintig jaar

probeer niet te bloeden op
het industrieel tapijt en
als ik naar huis bel
antwoordt er niemand

als de moeder het lichaam
van haar zoon op
de vloer van een vunzig appartement
vindt
huilt zij

zij huilt

en wat ik mij herinner is
de heldere witte zon
in een eindeloze hemel

* * *

compositie in schaduwen van grijs

zonlicht te laat
op de dag om nog iets te betekenen

dit een eenvoudig statement
misschien
of misschien een metafoor

misschien de woorden gekerfd
in de rug van het
lichaam van een kind gevonden
in een gesloten kooi

mijn vrouw
in tranen over
alles wat ik ooit heb gedaan

over alles wat ik heb
nagelaten te doen

dit idee dat wij ’t allen
waard zijn te bewaren
wat altijd heeft geleken
op een leugen

* * *

IETS

koude blauwe lucht en wolken
over deze vervallen straten en
de schaduwen van alles
en niets

de geest van baby’s op
de achterbanken van lege auto’s

de skeletten

en er is iemand in deze kamer
die zegt dat alles wat zij wenst is high te zijn
en er is iemand anders die
alleen maar lelijk wil worden

er is haar vrijer
en er is de man met wie zij zal trouwen
en er is de auto die zij zal besturen als
zij hem verlaat

er is benzine

de geur en de smaak
en de manier waarop hun huizen branden

de wijze waarop de moeder weggaat
van het kind in het raam

de manier waarop niemand van ons
geheel onschuldig is

elke hand een potentiële vuist en
elk woord  een gemiste kans om te communiceren
en het feit dat alles wat ik ooit ben geweest is verloren

een gefaalde schrijver in een flatje
en dit meisje dat op mijn deur klopt

zegt dat zij het zat is te worden geslagen
maar altijd weggaat als zij aangekleed is

altijd bloedt en
ergens in elk verhaal
vind je deze man die zichzelf heeft verhangen
met zijn eigen broeksriem in
het huis van zijn zuster

je overdenkt jouw vaders benadering
die langzamer was
maar daarom niet subtieler en
de vliegtuigen met hun gedreun boven je hoofd

het onkruid overwoekert het gazon
en de parkings worden ruïnes

de fabrieken rijzen op waar
de stoep wegbloedt

de promenadestroken en de hotels en
het lichaam

de strook bermen en de hotels en
het lichaam is gevonden verpakt
in bloederige lakens bij de dumpster

is gevonden gepropt in een koffiepot
onder de gootsteen van de keuken
en de kinderen lachen en schreeuwen
in de koude septemberlucht

de chauffeur gooit de remmen dicht
te laat om nog iets te veranderen

iemand is dood of iemand is aan het sterven

iemand wordt naakt en huilend gefilmd
in een vunzige hotelkamer

wandelt veertig minuten later
in het verblindend licht
en neemt de bus terug naar haar flat

hoort nooit van de man die
uit de vijftiende verdieping springt
van het gebouw waar mijn moeder werkt

zou er overigens ook niet om geven
de waarheid is dat de meesten van
ons dat niet doen

de waarheid is dat ik nooit
de naam van de verdrinkende jongen
heb gekend
en nooit gaf om de pijn die ik de
vrouwen heb veroorzaakt die zeiden
dat zij mij lief hadden

wilde alleen maar met rust gelaten worden
tot een meer comfortabel iets
zich aandiende

de geesten van mijn kinderen
die zich al afkeerden van de
persoon die ik worden zou


* * *

naar de herinnering van een muur

op het veld
praat zij

zij is op weg naar
de herinnering van een muur
en ik blijf stil
achter haar

ik denk aan een man
met een geweer

met een vrouw
en drie kinderen en
ik denk aan de
hoop lichamen die op ons
liggen  te wachten

ik ga waar ik zou
moeten rennen

ik ben verliefd en zij
houdt halt

zij keert zich naar mij
en ik ben
de dood aan het benoemen voor mijzelf

ik ben klein
onder het gewicht van
de hemel en ik
ben klein
onder de hitte van de zon
en klein ben ik
ik houd haar vast

ik vind haar lippen
op de mijne en ik
proef hun smaak

altijd wacht ik op dit
ogenblik van het einde

* * *

wanhoop

koude zoals de
schaduw van christus tussen
de beenderen van de chirico’s en
de wijze waarop het zonlicht
deze huizen kleurt


de manier waarop de vrouw
wordt gesleurd naar het veld en dan
wordt doodgeschoten door haar minnaar en
alles wat zij nog zou hebben kunnen zeggen

alle manieren waarop schoonheid
ons wordt ontzegd

elke kamer een gebroken belofte
en elke hand een vuist
en het feit dat we niets kunnen doen
dan geven of incasseren

het feit van mijn vaders dood
geplaatst tegen het
feit van mijn grootvaders dood

de redenen waarom we nooit iets
anders waren dan vreemden onder elkaar en dan
de manier waarop het gedicht geen nut
heeft voor de dichter

de manier waarop de lucht ofwel
geel is of wit en
alle objecten vertekend

jouw mooi aangezicht
verwrongen van de pijn
jouw zuster wenend op
een vuile vloer

elke verhaal bepaald
door de wijze waarop
het eindigt

* * *

alchemie, met dank aan leonard cirino, die mij de mythe
gaf

krom getrokken glas en een
zicht van bleke gele luchten
vanuit de kamer
van verhangen mannen

ik vind gorky hier
en mijn tienershelden
maar niet mijn vader

niet de dronkaards
die hij vrienden noemde
of de vrouwen waarmee hij uitging
en ik weiger mijn haat
op te geven

zal mijn armen of benen
niet opofferen of de liefde van mijn zoon
voor de oorlog van iemand anders

en niemand is verrast wanneer
de laatste amerikaanse dinosaurus
geschoten wordt en gedood in het woestijnreservaat

niemand is verrast
wanneer het lichaam
wordt getransformeerd in goud

en ik herinner mij de stilte
die hing over september en de
bekentenis dat sommige mensen
troost zoeken in het overweldigend
gewicht van god

mij hebben ze dit been
aangeboden en ik heb
in de plaats de hongerdood verkozen

heb de daad van het gebed
gehouden tegen de spiegel in de gang
en alleen geweld weerspiegeld gezien
de dood van kinderen in
de naam van waardeloze doelen

nonnen geslacht als vee
en wij allen onschuldig
met onze met bloed bevlekte handen

wij allen schuldig in de
ogen van onze geliefden

elke dag een mirakel onder
het motto van geloof

* * *

donkerder

en als jij het gebroken
lichaam van christus vindt
genageld tegen de hemel bij valavond
noem jij dat religie

als jij je huilende vrouw vindt
in de kamer van de lege stoelen
noem jij dat hoop

jij zegt haar dat je van haar houdt
en zij zegt je dat je een lafaard bent
en waar het op lijkt is dat het de waarheid is

het verschil tussen woorden
en daden is overduidelijk

de ruimte tussen het falen en compassie
is niet groter dan de babiyarravijn

en zou jij je naam geven
aan een kind dat je nooit gewild hebt?

zou jij jouw vaders geest herkennen
die langs de rand van de snelweg kroop
of over de parking van de laatste bar
waarin je hem ooit hebt gezien?

en het is nooit duidelijk wie het is aan wie
ik deze vragen stel

het is nooit duidelijk of een antwoord wordt gegeven

en wat met dit meisje verkracht door
de vriend van haar moeder?

en wat te zeggen over de moeder
die rustig in de volgende kamer
naar de  televisie zit te kijken?

op een bepaalde manier zijn al deze verhalen verwant met
elkaar

op een bepaalde manier
wordt elk leven bepaald door
het geweld dat niet kan worden gecontroleerd

ik meende te geloven dat muren
zonder deuren voldoende waren

* * *

zij

nam een boek van mij
en vroeg
en wie denk jij dat dit leest?
en ik raakte de kant van haar gezicht aan
waar zij was verbrand

en zij herhaalde die vraag
en ik haalde mijn schouders op
en zij knikte alsof ik haar
iets gezegd had

zei me dat het haar speet

en trok zich terug
naar waar zij ooit verbleven had

* * *

januaribomen

een hond vastgebonden
in een modderige tuin

dode mannen schommelend
aan januaribomen

dat zijn al de dingen
die ik jou kan geven vandaag
terwijl de regen verandert
in sneeuw

zoals een granaat
zichzelf boort door
mals vlees

misschien
dat iemands geliefde
een vlucht sterren
neersloeg

a baby blind geboren
en zonder vingers

kleine momenten
wachtend om uit te groeien
tot revoluties

* * *

Pollock, omgekeerd

jijzelf
waar je ook bent
altijd gevangen tussen de kaken
van de machine

zonlicht en god en regering
en de manier waarop de namen
van de doden
sluipen in jouw geest

de heuvel van de vijftien kruisen en
de stiltes tussen verlaten fabrieken
die aanvoelen als zinloos wachten

de lucht gemaakt van glas
of lood

iets dat kon vallen

dat kon doden

deze kinderen op straat
gewond en bloedend
en de wijze waarop de stad je bezit

het voorhoofd wordt kaal en
zevenentwintig jaren nog om je
huis af te betalen terwijl vergif
de grond doordringt

terwijl gorky net drie inches
boven de grond hangt
omdat dat alles is wat hij nodig heeft

omdat
wat wij zeggen
nooit zo belangrijk is als
wat wij doen

nooit zo brutaal is
als wij bedoelen

luister maar
nog geen twintig

dit meisje met de naald en
de korstjes
die jou vertelt dat zij een dichter is

die zegt dat zij god al
meer dan eens begraven heeft

zegt dat zij gelooft in het lijden
en dan twintig dollar vraagt

zegt dat haar vriend een auto
heeft die jij kunt gebruiken

zegt dat het haar niet kan schelen
dat het pijn doet

wacht tot jij de leugenaarster
in haar ontdekt

* * *

onze dame van pijnen

in het koninkrijk van de regen
ben je altijd dorstig

zit je altijd op je knieën
in een goed verlichte kamer
wachtend op een man die
je niet kent

en wat hij zegt is
jouw kinderen zijn dood
en wat jij doet is lachen

en het souterrain is ondergelopen en
de boeken zijn alle vernield maar
de woorden hebben toch geen betekenis
meer

en jij staat in het portaal te kijken
hoe je echtgenoot wegrijdt en
overdenkt de manieren waarop
je jezelf kunt kwetsen


deze die zichtbare littekens achterlaten
of deze die dat niet doen
en wanneer je naar de slaapkamer gaat
staat er een man in de deur die
je bekend voorkomt

zegt dat hij jouw vader is

zegt dat hij geld nodig heeft

zegt niets meer dan je mij schuldig bent
en wat hij bedoelt is alles
en hij glimlacht als hij
begint je blouse los te knopen
hij zegt dat je mooi bent als
de muren beginnen te bloeden
en er staat een kind in de deuropening
dat zegt dat hij niet kan worden gedood en
wat jij doet is hem doden

wat je hoort is de stem van God

op welk punt
begin jij je vragen te stellen
over zijn liefde?

* * *

Gezegend

zittend alleen in
het huis der waarheden in het
grijze licht van zes uur namiddag

het geluid van een tikkende klok

van de wind

zomer maar koud
en té veel regen

een gedicht
en de manier waarop het klinkt als
er niets meer te vertellen valt

de keren dat ik je deed huilen

een eenvoudige truc
en daarna al mijn lege
excuses

alle technieken ons
aangeleerd om te vatten

welke ouder van
je je het meest haatte

welke het luidste
lachte met
je pijn

redenen van mij om
om dit alles terug
in je gezicht te werpen

* * *

rat kauwend aan de tenen van een stervend kind

wat bijna een misplaatste grap
had kunnen zijn
maar het niet is

wat niet betekent dat je niet kunt lachen
omdat iets noodzakelijk is

en wat jij niet mag uit het oog verliezen
is het concept van geld
en waar het verkeerd liep

waar het belangrijker werd
dan een menselijk leven

hoe de oplossing
even eenvoudig kon zijn als het doden van god


terug naar boven