In mijn kind zie ik mijzelf zonder fouten, zonder strafblad in de liefde zonder tandbederf; alles wat mij ooit zo blijvend griefde ongedaan gemaakt.
Alles wat ik zie is ooit al zo geweest. Het verleden kan niet ongemaakt en herhaalt zich, ook als ik als geest zachtjes rond mijn kind kom spoken of als ik toch weer besta, ondergedoken in de aarde die mij telkens baarde.
---
Matisse
De blauwe vrouw verplaatst zich uit het doek, het lege beeld blijft achter als een wit en ongeschreven hoofdstuk in een boek.
De vrouw, licht gebogen alsof zij bidt, ontvouwt vertraagd haar sierlijk slanke benen uit de vereeuwiging waarin zij zit.
De blauwe vrouw, bewegend als een stenen beeld dat uit een roerloze slaap ontwaakt, is uit het witte droomgebied verdwenen.
In mijn verbeelding groeit zij als een naakt en willend wezen in een zijden doek; ik heb haar blauwe dijen aangeraakt.
Een vrouw, een blauwe vlek, een vorm die leeft. Zij is de heks die in mijn dromen zweeft.
---
De relativiteit van Escher
Drie werelden, besloten in een huis waar trappen de gezichtlozen verleiden elkaar in blinde eeuwigheid te mijden. Drie ruimtes, ieder een gesloten kluis.
De mensen lopen zelfverzekerd rond als lome poppen die zich nooit bevrijden van de gebaande wegen die hen scheiden. Uit kelders klimt men naar begane grond.
Een boom, een boog, waardoor een fletse zon argwanend gluurt in een vertekend beeld.
Men schijnt hier in een lange droom te leven die nooit vermoeit, die ooit als sleur begon en nu verdoezelt: wereld die verdeeld uiteengevallen is door kleurloos streven.
---
Guernica
Het beeld van pijn, het beeld van bleke dood verweven met een zichtbaar schreeuwen van gespleten mensen tot het bot ontbloot. Het beeld van de wraakzuchtige tiran.
Het licht ontstak de hoofden, armen, benen en de verschroeide aarde braakte bloed; in deze brand is het geloof verdwenen en hoop vermorzeld in een wrede gloed.
Het trotse paard, getroffen door een speer, verpletterde de strijder met het zwaard. De afgehakte hand viel zinloos neer. De stad is in concrete hel ontaard.
Versloeg in Guernica de zwarte stier het witte paard? Het vuur vrat mens en dier.
---
Het stadsgezicht van Willink
Zwarte lucht waarin een krimpend gat witte wolken drijft uit het gezicht van de stad. De huizen wachten af. Niemand op straat, zelfs geen schaduw van een mens in het verschoten licht.
Ruitloze ramen sluiten ruimtes af en de klinkers kaatsen schijnsels als onheilstijding. De ontvanger is na dit dreigement vertrokken: grauwe daken in betrokken hemel broeiend in de duisternis.
---
Novastar
Muziek: de koude tonen van een zanger die zich Novastar noemt. Rilling: ik raak in de ban. Met ieder woord raakt hij een snaar.
Met ieder lied begint een week ontwikkeld leven in mijn borst; mijn hart slaat weer alsof ik breek uit lagen monotone vorst.
Hier is de muze neergestreken na haar verlengde ballingschap. De stilte is tot slot bezweken aan kunst, overtreffende trap.
Toen heeft muziek gezegevierd. Toen dichters zich gewonnen gaven: hun letters konden slechts versierd zich aan de klankenrijkdom laven.
---
Ode aan Samuel Barber
Ik ontwaak op tonen van violen ruisend in de regen, geur van bomen binnendringend door de droge muren van de slaap die eindeloos wil duren; koele natte klanken slaan hun klauwen in krampachtige handen van de ruwe nacht.
De akkoorden zijn volmaakt. Een milde klacht breekt de sleur van dagen die zich vouwen als vertrouwde kwalen om een rouwend hart. Ik wil weer bestaan, ik wil weer voelen wat kunstenaars ontroert in de creatie, proeven van de hoogste inspiratie.
Maar de zon klimt hoog en staat sereen brandend in de enige werkelijkheid. Ook in deze droogte ben ik weer alleen met een lichtbron die zo dubbel scheen: bron van alledaagse zakelijkheid, bron van honing, van schok en verbeelding.
Barbers zuchten: muzikale troost voor een aangroeiend besef van dood en zintuiglijk kwijnen in de ware onverhulde, kale onderwereld. In dit schimmenrijk opnieuw geboren als een zoon: verliefd, bezield, verloren.
---
De hoogste muze
Piano. Stilte breekt als honderd harten in de beheerste ruimte van muziek. De trommels dreunen, daveren, verslaan de toonloze versprekingen in mijn ontspoorde woorden: falende lyriek.
Zang. Honderd dichters kunnen niet verslaan wat deze stemmen, dansend in een klein heelal van vreugde, scheppen met de kracht van duizend dromen. Geen profane macht kan de verheven buikgeluiden tarten.
Muziek: de hoogste muze viert hier feest en triomfantelijk verliest het schrift zijn gratie, ooit geliefde kunst geweest, maar straks in de vergetelheid gegrift.
---
In memoriam I
Mijn oom werd gisteren door ons begraven. Er werd gehuild, geluiden van verdriet, daarna begon het koor een hemels lied, waarna de engelen hem vrede gaven.
Toen, bergafwaarts, door kaal en stil gebied, vertrokken wij naar zijn beloofde haven, een lange slaap waarin de eeuwen graven naar sterren die een sterveling niet ziet.
De stemmen van het volk, doordrenkt met tranen, vervaagden langzaam tot een stille noot en het geprevel in de groene lanen, een echo in de tunnel van de dood, werd zwakker toen hij eindelijk verdween in een hiernamaals, pijnloos en sereen.
---
In memoriam II
Ook toen jij vocht was jij nog vol geloof, de rozenkrans begraven in je hand; toen ik ontwapend aan je zijde schoof en jij verlangde naar een hoger land.
Ook toen vertrouwde jij op eeuwigheid, de ogen dicht en zoekend naar de poort van dit beloofde land; van pijn bevrijd beklom je dromend al dit hoogste oord.
Ik was afwezig toen je ons verliet. En nu, nu weet ik niet meer waar je bent. Misschien dwaal jij als kind door ons verdriet of als een geest die ons een boodschap zendt:
dat er een hemel is op deze aarde en dat we jou hier zullen tegenkomen als opgewekte wandelaar. Maar de wind snoeide takken van vertrouwde bomen;
de straat is kaal alsof je holle woorden bijeengeveegd op klinkers toch vergaan tot een gebed dat wij al niet meer hoorden, terwijl een god verschijnt in jouw bestaan.
---
Huwelijksreis
Wat is het huwelijk? Een lang verbond, de liefde, een belofte zonder banden, de broze toekomst die zich laat omranden door grenzen die geen eenzame doorgrondt?
Wat is het huwelijk? Een lange reis langs kusten van nog onbekende landen, door onbewoonde streken, witte stranden in een pril, lenteachtig paradijs?
Nee, nee. De woorden scheppen geen beleving. Verstomde klanken dwalen in geluid; de bleke tekens dragen geen bezwering.
We kunnen deze reis niet goed beschrijven en komen telkens bij de letters uit, maar de bestemming zal ons roepen blijven.
---
Nieuwjaarsnacht
De bommen stijgen schijnend in de nacht, de hemel breekt en daalt als as weer neer: verdwaalde sterren die verbranden tot stof, geknecht door zwaartekracht; een regen van gedoofde lichten die belanden op een door ijs verlichte straat.
De wolken zie ik nu niet meer; ze liggen achter een met vuur bedekte horizon. Maar daar, daar wachten ze op mij. Wanneer de ochtend groeit en ik de nacht verlaat schuiven ze als grijze legers voor de zon. De dag ontwaakt als levenloze brij.
---
Natalia slaapt…
Natalia slaapt al zorgeloos en zacht alsof ze rustig wacht op ouderdom. Ze draait zich zuchtend om en legt haar hand vertraagd in zachter zand – een prille droom ontspint zich op een sloom, vermoeid gezicht. Natalia slaapt, verlicht door matte maan. De dag zal overgaan als zure regen verdampend op de wegen naar woestijnen, oases die verdwijnen als het water op aarde. Als ze later wakker schrikt versnelt de klok en tikt de laatste uren; de zon beschijnt de muren van de nacht. Natalia slaapt en lacht – zo argeloos.
---
Dubbelleven
Ik leid een dubbelleven dat verdeeld in grijze nevelen gehuld bestaat, een vage schets, waarop de dagen vals zijn afgebeeld.
Mijn eerste leven, grauw en kleurloos, flets, een onveranderlijke regelmaat van lange dagen, een schilderij, verbleekt en ouderwets;
mijn tweede leven, spannend, wilde vlagen van waanzin in een opgewonden hart, een eeuwig feest van bonte stemmingen die nooit vervagen.
Ik leid een dubbelleven, mens en beest, gespleten, dag en nacht in angst verward. Mijn spiegelbeeld vertelt me dat ik dierlijk ben geweest.
---
De zwemmer
In het verwarmde zwembad ligt hij zwevend in dampend water, onder ijle lucht ligt hij bewegingloos, een rijpe vrucht; klaar om te zinken ligt hij zacht en bevend.
Terwijl hij drijft slaakt hij een lange zucht. De tijd draait om en brengt hem naar een levend verleden; de herinnering belevend als bange jongen slaat hij op de vlucht.
In het verwarmde zwembad ligt hij, buiten, zijn grijze haren spelen met de wind; hij hoort de vlagen in de bomen fluiten.
De zwemmer wordt zo week als een klein kind. Alsof zijn moeder roept draait hij zich om; hij duikt en fluistert aarzelend: ‘Ik kom…’
---
Tirade
Ik heb geen slecht geweten, heb geen spijt van woorden die als vleugels aan mij kleven; wanneer ik spreek laat ik je handen beven en spreid mijn ruwe vleugels, ruig en wijd.
Verhef je stem, vecht mee. De tederheid verdraag ik niet, ik heb haar uitgedreven als een gewoonte met het stof verweven; mijn woede heeft zich opgelucht bevrijd.
Het marmer van je lach splijt ik in kleine en onherenigbare kiezelstenen, verspreid als keien op een dorstig strand.
Wanneer je bleke lijf beeft als een fijne verschrikte kamerplant, dan staan je benen als witte stengels in het droge zand.
---
De egoïst
De lange strepen in je kromme hand en je gezicht, de groeven van bevroren verleidingen. Je bent nog steeds charmant en ik bewonder je als een ivoren
gestalte in een jongensdroom geboren. Terwijl ik slaap beweegt mijn trage blik langs je contouren die hun glans verloren, want deze droom duurt slechts een ogenblik,
waarna ik uit de dwaling wakker schrik. Alleen de spiegel kan me nog behagen, alleen de spiegel kan me troosten. Ik ben de gevleugelde, door wind gedragen.
---
Hooglied
Je ogen zijn van wilde duiven, je handen rank als slanke dijen, je borsten rijp als trossen druiven, je mond gevoed door troepen bijen.
Je lichaam is een zoete bron verborgen in een hof van lust; je ziel is zuiver als de zon door stromen honing uitgeblust.
Je geest is heilig, hemels wezen, je navel is een ronde beker waaruit ik drinken wil. Verrezen uit stilte wordt de nacht weer bleker.
Ontsluit de zwarte kamer om te drinken van de witte wijn. Betreed mijn aardse heiligdom: met jou zal ik bevlogen zijn.
---
Negen tot vijf
Door de kafkaëske gangen dwaal ik afgemat als grijze muis. Bleke geesten zweven in dit vale huis dat vervlakt, vervalst, vervalt tot pleisterplaats voor de gelovigen.
Klokslag negen. Onveranderd baal ik van het onbestaan in deze bunker. Catacombe in de zware aarde afgegraven tot veredeld gruis, kale kamer waar ik stiekem hunker.
Pauze. Klokken zetten zich gelijk. Licht bevrijdt zich uit mijn ziel, de Messias klautert van het kruis. Maar daarna verzwelgt het slijk weer de stralen van het uur geluk.
Klokslag vijf. Als waardeloos fossiel zit ik roerloos op mijn stoel. Zwoele buitengeuren dringen langzaam door tot mijn ongeluchte, loden kooi en ik slenter uit een kafkaësk kantoor.
---
Dichtwerk
Wat is poëzie meer dan een dans van woorden rond een uitgewakkerd vuur van de verbeelding, wat is dichten meer dan dode dromen wekken uit de maalstroom van het leven?
Wat doen dichters anders dan verbloemen, bloesems schetsen met een bleke pen en verspilde inkt gebruiken om rozen kwekend tussen wrede netels, wraak te nemen op de lege wereld?
Woorden zijn de balsem voor de ziel die verstoten in de blauwe stilte viel. Strofen zijn de pleisters. Verzen pantsers tegen de invasies van de onbemande schepen die geruisloos uit de toekomst komen.
Dichters: wezens die met de symbolen dwepen, wezens die het felle daglicht niet verdragen opgescheept met levensgrote vragen.
Taal is werken aan de werkelijkheid met versleten tekens, door de geest misleid.
Wat doen dichters anders dan vertalen van de hemelen op aarde of de harde kaken van de hel, anders dan ontdekken van de oude waarden en in halve waarheden verdwalen?