Uit: DE NABIJHEID VAN SPIEGELS  (1981)

DE NABIJHEID VAN SPIEGELS

als vrouwen in de nabijheid van
spiegels. benader ik je. neem gedaanten
aan, en toon plots duizenden kleuren.
als bij het splijten van ruw diamant.

baltsend nader ik je. en je spint mij in,
in webben van crystal, en ontpopt, tot
ik je dooraderd parfum doorzien. je handen
hun eroties schimmenspel in je ogenschaduw.

als de geur van vergane vrouwen in de
nabijheid van spiegels. de deur van het
landschap dicht gaat, het licht vergeelt,
en woorden urnen werden waarin je
wacht op de wind

je navel leg ik, als een juweel van vlees,
in een doosje, met zwart satijn bekleed.


LAATSTE RUSTPLAATS VOOR CARINA

aan mijn nichtje, 1960-1977

I.

Want alles wellicht, en iets misschien,
is nooit geheel verloren. daarom
deze wonde, al van voor het kwetsen,
van voor dit lichaam. die over mijn vel

kruipt. dan hier, dan daar. dagelijks, de
dolende dolk. de grauwe vlam uit het hart
slaand. en vechtend tegen dit klamme vuur,
een schaal haar zeldzaamste traan breekt.

want schreien is slechts even zich wensen
te verdrinken in verdriet. als een weinig water
geworden, dit kind weer voelen geboren
worden. doch het grondwater horen in de aarde

en stemmen aan de drinkplaats van de zielen.
een worgengel die nadert in de spiegel. nabij.

II.

ik zou je willen vragen of je zacht ligt
in de aarde. en antwoorden. ik lig als een
jonge vrouw in een bed van rozen. handen
die te kort kwamen legden ze daar. want
wie mij kust ontwaakt uit mijn dood.

ik zou je alles willen vragen, en meer nog
antwoorden. tot ik je weer hoor spreken.
want afstand van je doen, betekent, je op een
haarlok na naderen. iets als adem aan een
ruit waarin je naam geschreven staat. iets,
zo weinig, dat men het verloren legt in een lade.

ik vraag en ik antwoord. neem dit, het is
slechts mijn lichaam.  alles wat ik op aarde
bezat, en wat mij zichtbaar maakte. in
de leegte, de leemte die ik in je nalaat,
en waarin wij even, tijdeloos verblijven.

want iets wellicht is nooit geheel verloren.
daarom. deze laatste rustplaats voor jou, carina,
als een drieluik in zichzelf gekeerd. als
een trap aan het uiteinde van de nacht.

als een trap aan het uiteinde van de
lange nacht.


GEDICHTEN ZIJN VERGEETPUTTEN

voor Willy Tibergien,

Gedichten zijn vergeetputten. ik schrijf
aan het sprakeloze papier, de overlevering
uitgeleverd. dat schrijven is: de leegte
verbergen achter wanden van papier. een
wereld behangen over een wereld.

als een spelen met het geraamte van
het alfabet. het ontbinden ervan leren in
lettergrepen. doch de zinloosheid der zinnen
aanvaarden. aanvaarden, dat alles sterft,
behalve dode talen. behalve

het woord, in deze of gene taal versta
ik dit orgaan. tot verworden verwoording
geworden, een soort nostalgiese toekomst.
want wie mij aankijkt in deze woorden,
weet wat naar ons toekomt, weet

dat één van ons spoedig zal stervende zijn.


HET WERKWOORD VADER

aan mijn vader,
1922-1979


1.

Vader, ik draag u de steen. die men zal
oprichten. zelfs dan in water lichter,
of zelfs dat niet meer. want het is
de steen van het wachten, die drijft

en wijst naar de doorwaadbare plaats.
waar vogels opvliegen vanonder een
hemel, en onder aan de schaduwen het
licht lekt naar deze wereld, langs koude

tegels, want het is de steen waaraan
wij wachten, waaraan wij praten. of ik zeg
geborene of dode, hier staat niets dan
bestaan, dan steen. of zijn het de deuren


2.

de duizend slaande deuren der graven
dichtgeslagen. over de lagere lagen van nachten
en dagen. licht je gelaat zich langzaam uit
je lichaam, ligt over alles heen gewaaid

een net, als hersenen over ons heen
gespannen. en onherroepelijk roep je mij,
want langs het water ben ik gekomen, en
langs de aarde zal ik gaan. terugkerend

op jouw stappen. herhaalt zich het verhaal,
dat slechts wat gestorven is, ooit heeft
bestaan. en van elkaar de herinnering geworden,
worden de dromen ontsloten, gedichten geopend.

III.

in dit voortane, dit voortdurende. beeld ik
je mij in. of beeld je uit. het verhaal dat
gaat. gekerfd in de vertakkende stam, het
werkwoord vader. de eerste persoon vervoegd,

en beiden, bij de voornamen genoemd. het
leven aan jou toegeschreven. hoe je stierf.
langs de straat, met plots te kort gesloten
bloed. het hart, om het tevele vergeten

je naar de keel gesprongen.  met te langzame
afgedragen handen. veréénvouwd nu. en met ogen
ook. geworpen, en op de kanten gedraaid. zodat
er wat licht uitloopt. en glans. glazuur.


IV.

en je vastgrijpend aan je val. je ook de
zee uit de oren horen loopt . en dit je
lichaam is, de hoorn. en dit je geest, de over
vloed. over de laatste steen, de drempel

heen, de stenen groeien. en bloeien, tot bloemen
van krijt, maar zeg mij, dat je geen stem hebt.
en ik zal spreken. zeg mij dat. verklaar mij
het licht, spreek duistere talen over de nacht

en het donker daarin. herhaal mij uit mezelf,
en ik zal spreken, want je loopt in mij, loopt
in mij uit, vader, als verstijfde bloedvlekken
aan mijn bloed. de kleur  tenslotte die ik heb bekend.


V.

en de nacht. zet je plots rechtop in mij.
als een zuil. ruisend als een struik. zuigend,
als een leegte die leegloopt. van lichaam
naar lichaam. geef ik je gestalte aan. sta

je achter de deuren, stamelend, en vol gaten
van aarde. waarom wij je hebben begraven.
achtergelaten. met niets meer aan de hand,
dan je vingers. en de ringen van de jaren.

en ik, de schrijvende hand in dit vergaan. na
de gedachtenis de nagedachtenis geworden. want
hoe moet ik aan je denken. aan een levende, of
aan een dode, niet aan denken, zeg ik, aandenken.


VI.

dat moeder een bord te veel zet voor
de man die te weinig is. tot het slijten
van de pijn op het puimsteem der dagen.
dat ik van je lichaam de kleding draag,

de vlekken er op van je stem hoor. ze toe
behoor. en in de zakken je handen voel, de
leegte wretend aan mijn vingers. en weer
de koude weet. de tegels. waarachter een

bron ontstaat. waarachtig en waarlijk. als
is ze alleen te horen. te ontstaan. en dicht
gevroren ligt. in het donker.  alsof helder
water en je ogen over elkaar heen vloeien.

VII.

zodat je te slapen lag. als vergeten in
jezelf. en weggelegd werd. opgeborgen in een
doos. op de begraafplaats van de kleine ge-
koesterde dingen. je lichaam in het lichaam

der graven. doorheen duizend dubbele bodems
gezakt, doorheen duizendenden kisten, waaruit ik
altijd weer een kleinere haal. tot er ergens
wat van je rest. uitgestrooid over mijn hand

ligt. want hemel en aarde heb ik verzet. de
uurwerken teruggedraaid. en niets gevonden,
dan ruimte voor het draaien van de wijzers,
de naalden naar het noorden, de doden.


VIII.

want ook van de liefde heb ik de asse uit-
gestrooid, over de bedden. en schrijvende,
ontgraaf ik je uit de woorden, wordt je
weer vel over papier. want wie zijn wij

geweest, dat we elkaar geworden zijn. wie
de zoon, en wie de vader. volgens het recht
van de eerststervende, de overlevende, over
de levenden. laat ik je ademen langs mijn

aders. leven aan mijn longen. want hoe kan
ik, hoe kon ik, met eenvoudige woorden je
eenvoud verzwijgen. je dood. en tegen je
spreken. je tegenspreken. met deze woorden.


IX.

met deze hand die langs de nacht langs je
gelaat glijdt, vader, en in het niet tast
naar je hand. waaruit ik at, en voorlas,
lijnen trok als rode draden van slijm naar

de wereld. waaraan ik rond liep, rondom je
liep, op een wereldtentoonstelling. door de
palviljoenen heen, en de tempel van Thailand.
draaide ons het reuzerad, ons voor de ogen,

uit de spiegelpaleizen, uit de menigten. boven
de stad uit. dit leven aan jou toegeschreven,
schrijf ik naar je toe. want wat geen naam had
noemde ik naar jou. het benoemde, het durende.


X.

zoals alleen nog op schilderijen plooien
vallen in een lang breed kleed. over de
doeken heen. vervoeg ik jou, onder anderen,
met eendere woorden, in een andere tijd.

laat je mij voorlezen uit je grafschrift.
in oplichtende letters van neon gezet, als
een witte doorschijnende slang liggend
ergens op zwart glanzend marmer, wikkel ik

mij langzaam uit je afgeworpen huid, uit de
naakte weelde van het woord, kauw ik je, je
dood uit mij, als braakballen, als beentjes
van vergeten gedichten, in laden. in schuiven.


XI.

iemand nu schrijft op de graven de namen.
ontneemt aan de twijfels, alle twijfel. en in
de namen staat naamloosheid te lezen. maar in
wiens naam. zijn zich stenen gaan kleven aan

de woorden. waarop de zwaartekracht hun betekenis
drukt. hun bekentenis. dat hier waar je lichaam
ligt, hun lege hulzen liggen. de woorden weer
letters worden, en letters weer beelden, ons in

de hersenschors gegrift. als lichtvlekken uit
het donkere, daar. waar de nacht is. als een uit
gebrand wrak. de aarde, boordevol ogen. als glim
wormen. een lichaam, boordevol lichamen.


XII.

maar nog. ligt hier de aarde doordrengd van
lichamen.sta ik verstrooid bij je, en lig je
voor mij. kom je in mij, vader, en neem nog één
maal vaste vorm aan. dat ik je kan verlaten.

kan vergeten. tegen beter weten in. nog sterf je
na in mij. sterft uit. nog geef ik je lichaam, met
brede zaaigebaren, geef je mij het geledigde, een
hand die langs bidmolentjes gaat. langs koude

tegels. zie ik je door mijn ogen nu, de engte van
van je lichaam, de wereld verlaten. in waaiers van
kleuren. doorheen zeven en trechters, want de
aarde neemt je uitéén, en vindt niet veel meer.

want je gaf mij het leven, maar laten we zwijgen.
het is vergeven. de schilden dalen. wij schuiven
uit elkaars verlengde. in elkaars onbegrensde liefde.


terug naar boven