





Uit: DE KOOI VAN FARADAY (1986)
ANIMA MATRIS
1.
Eerst nog, voor aan mijn mond de wereld
de eerste vorm aannam van een borst, en ik
aan haar ingewanden hing, leek het even
of ik onder haar zware adem, eeuwen
bewusteloos, gewichtloos opgenomen was
in haar lichaamsvocht, tot zij overwoog
in haar gewicht, in haar gedachten, ik
het uiterlijke kreeg van haar innerlijk.
zij mijn vertedering verteerde. mijn honger
at, en naar haar voorbeeld mijn herinneringen
bedacht. tot ik de zware druppel werd
die uit haar water in licht liet overlopen.
toen knoopte zij voorgoed mijn navel. en
legde hem, naast zich, midden in mijn
lichaam ter nagedachtenis dicht.
2.
zodat haar woorden kome over mij...
en alleen, te midden al die kinderen, in
het tehuis in de duinen, de zee die nabij
was en het water veraf. was ik je zo nabij
moeder, en je was zo ver, bijna vergeten, van me
af. ik was het verbod dat je op mij legde, als
je golvend lichaam op mijn vader. de aanraking
die niet meer mocht. want ik zag je anders nu
met mijn ogen, dan met mijn mond. je zwijgen
sloeg in mij de stilte stuk, richtte feesten
en ceremonieën van weelde en verwildering
aan. dieren in de tuin, meisjes in het zand
langs de vloedlijn begraven. stranden, leeg en
verlaten nadien, vervulden mij met het voorgevoel
van later, de leegte waarin de woorden
zichzelf zoekend over het papier heen jagen.
3.
nu je nog leeft moeder zal ik schrijvend
over je dood, over je heen schrijven. want
je hebt mij aangeraakt, mij nagemaakt
uit je stoffelijkheid. en al gelijk ik
sprekend op jou, ik zie je anders nu met
mijn woorden dan met mijn ogen. dat schrijven
zelf moeder worden is van je eigen leven,
vader van je eigene dood, tot de tijdloosheid
in de bladspiegels van betekenissen, bekentenissen,
je evenbeeld vervaagt. ik het woord ben dat
jij niet meer zegt, de naam die jij niet meer
noemt, de mens die je niet meer kent
en toch, en toch hou ik je over, moeder,
uit mijn diepste tekort, uit alles
waar ik nooit meer, naar jou toe kom.
DE ZEE
Voor Johanna Kruit
Zee. aloudste vrouw ter wereld.
waarnaar ik luister. en ongevraagd
moeder noem. waarin ik kijk, een zee
van ruimte in een zee van tijd
van water dat over water glijdt. gelijk
tijdig geopend, gelijktijdig gesloten.
druisend raderwerk van assen dat om
de as van vloeibaarheid drijft,
geluid en beeld, teruglopend in de tijd
samengevouwen, stromen oog in oor uit.
stijgt in bodemloos blauw de roltrap
van geruis ons boven onszelf uit.
daar in de duinen nabij De Haan stond
het tehuis. ik schoof er brieven onder
de golven; schreide opgerold onder de
lakens bij nacht mijn lichaam de ogen uit;
alleen de kreet van de meeuw uit de
open luidsprekersboxen verdwijnt
weer boven zee.
LEGENDE VAN MIJN HAND
I
Waar begint het leven, en waar eindigt
de dood? want ik ben niets, maar alles is
in mij. hoe langzaam ik ook aard naar
deze aarde, toch heb ik geen vrouw die
mijn kinderen draagt. meer heb ik niet.
dan een tweeling te zijn in mijn eigen
lichaam. en waarom juist vandaag, vind ik
moeders oude documentendoos weer. en twee
elektro-encefalogrammen. met de aardschokken
in het hoofd van een kleine jongen. vreemde
chemieën van woorden sindsdien, hebben mijn
bloed vermengd met de aarde, met mijn lichaam
want ik ben jong gestorven, en ik heb oud geleefd.
II
want ik ben niets, maar alles is in mij. hoe
langzaam ik ook aard naar deze aarde, langzaam
zij zich vernauwt tot mijn breedte, en ik weer
in de draagwijdte van haar lichaaam gespannen,
voel hoe zij zich verbreedt, zich uitgestrekt
over mij heen strekt. of weefsels van de geest
doorheen de dichtheid van atomen zweven. hoeveel
ik schrijf, en gij leest, verlaten ons geen woorden.
zijn wij elkaars lichaam, buiten elk lichaam om.
slechts geheel zichtbaar even in deze taal.
tot één, eenzaam, delend zaad om mij heen
weer iets, als een mens heeft gemaakt.
III
toch heb ik geen vrouw, die mijn kinderen
draagt. meer heb ik niet, dan dit weinige.
het woord te hebben genomen, en weer gegeven.
dit lichaam te hebben willen verlaten,
te hebben verdragen. overgedragen. aan de
herfst en de seizoenen daarna. als brood
het woord te hebben gebroken. opengebroken.
voor het onderhoud van het leven, voor de
poezie, van de poezie te leven, van jaar tot
jaar, in de gedaanten van gedane dingen, in het
geschrevene, terug te keren. als een dode
naar de plaats van zijn vergane lichaam.
IV
want ik ben een tweeling in mijn eigen
lichaam. kijkend naar buiten, naar wie naar
binnen kijkt, houden ogen mij in het oog.
houdt mijn hart, tussen zijn slagen, een ander
een dood hart gevangen. leggen lippen zich
over lippen. woorden over woorden. en haar
borsten die groeien, doorheen mijn borst,
betoveren de ogen, de tepels. want ik was
die vrouw ooit die mij in haar vloeibaar
geslacht heeft opgezogen. en niet dat ik eens
dood zal zijn, en niet meer weer kan komen,
maar dat ik leef, en nooit meer hier zal zijn.
V
en waarom juist vandaag, vind ik moeders
oude documentendoos weer, en twee elektro-
encefalogrammen, met de aardschokken in
het hoofd van een kleine jongen, een te
kleine jongen, die zich blind staart, de
oogarts leest de letters voor die in de
lichtbak in het duister zitten. zijn oog
kantelt en kijkt nog in het mijne
als ik onder in vaders hoge boekenkast
kruip, verborgen in de woorden rondom mij,
de verhalen die langer duurden dan het leven.
De Roos van Jericho die wij samen water gaven.
VI
vreemde chemieën van woorden sindsdien
hebben mijn bloed vermengd. met de aarde.
met mijn lichaam, dat gebonden aan de
ontbinding, denkend de gaten te vullen
beschrijft wat onder de woorden ligt te
vergaan. die hij draait en keert, die hij eet
en leest, om hun malse kern van pijn. want
het is zijn lichaam dat leeft en spreekt,
over het niet meer zijn. over de doden van
het jaar, die gehurkt in hun nissen, met
krijtwit gelaat en uitwerpselen besmeurd,
plots levensgroot rechtop zijn gaan staan.
VII
want ik ben jong gestorven, en ik heb oud
geleefd. na mij zijn geboren, mijn moeder.
mijn vader. naar mij is genoemd, door hun
lichamen ééndrachtig verdeeld, dit woord.
dat ik voor zichzelf heb leren spreken.
boven elke stilte, alle wanhoop uit.
onuitsprekelijk, toch gesproken te hebben.
in de tijd. als een blinkende leugen, op de
mouw gespeld van een vrouw. na langzaam ontdaan
uit mezelf te zijn opgestaan. het lichaam
afgelegd, als een eed. het woord te hebben
gekleed, in zijn betekenis die het draagt.
naar U toe, u lijf aan lijk op het lichaam
geschreven. want ik ben niets, maar alles is
in mij. waar ook begint het leven, en eindigt
de dood. hier ben ik even geweest. hier
ben ik even bij u mens geweest.
HET GEDICHT ZWIJGT
Het gedicht zwijgt tot iemand het leest.
dan gaan in zijn ogen de woorden open
en spreken, krijgt in haar klank elke letter
haar lichaam weer in de mond genomen
en beiden,die elkaar tot leven praten,
in elkaar zichzelf zoeken, van symbool
tot symptoom, de pijn te voelen. verklaard
te zijn en te betekenen, lang voordien
lang voor alle schrijven. alle zwijgen
legende van mijn hand zoals ze mij heeft
geschreven. dat wij ooit zijn geboren,
niet uit deze taal, maar uit vreemde moeders
onmondig uit hun starre zwijgen te voorschijn
te komen. niet te willen sterven en toch
dood te gaan. geen woord, geen mens legt
op deze angst dit zwijgen, dat alleen
in de diepste bladspiegel even, in het
gelaat van de lezer, het gedicht dood is
tot het weer wordt gelezen.
DE KOOI VAN FARADAY
Dit alles omdat hij de waarheid sprak.
uit naam van alle leugens. brak men zijn
lichaam af. om de geesten te kunnen zien
die hem bewoonden. terwijl achteraan
kanker en langs de mond de leegte van
de taal hem opvraten, sloeg hij, vreemde
vogelman met krassende stem, op een boom
stam de oude woorden tot nieuwe stuk.
daar in het tuinhuisje van Ivry, kwam men
hem bekijken. want in de kooi van ons
lichaam zijn wij allen gevangenen van de
tijd. zie hoe wij sterven, en hopeloos
de dingen, die wij hebben aangeraakt,
noemen bij de naam, de taal die uit ons
lichaam draagt en heelt wat de pijn
in ons heeft stukgemaakt.
DICHTER DAN IN DE WOORDEN
Dichter dan in de woorden kom ik nooit.
kan ik niet komen, bij jou, om je helemaal
te zien. naakter dan ooit, op je naam na,
ben je te mooi om te bestaan.
te onbeschrijfelijk om waar te zijn.
dichter dan in de woorden kom ik nooit,
bij het leven. de leegte van het eerste,
het verlatene van het laatste uur,
verdwijnen in een ogenblik, verloren in
de tijd. want dichter kom ik nooit, kan ik
niet komen, bij mijzelf, woorden die ik te
voorschijn schrijf en ooit hebben gezien
wat ik heb gevoeld, worden later in de taal
slechts littekens van die vroegere pijn.
een zwijgen doorheen de stem die opgehouden
heeft te spreken. zoals het gedicht
de witte vlakte van het papier om zich heen,
herinner ik mij van het leven slechts het
sterven. want dichter dan in de woorden
kom ik nooit, kan ik niet komen bij de dood.
EN ALS ER NIETS MEER IS
Als er niets meer is is er toch
nog die hand die schrijft dat er
niets meer is is er toch nog
het woord dat zegt dat er niets
meer is is er toch nog de leegte
van het papier die schreeuwt
dat er niets meer is is er toch
nog de dood om er niet meer te
zijn is er toch nog altijd dat
ene woord, dat over alles heen
in het niets geschreven staat.
terug naar boven