Uit : GESCHRAAGD GERAAMTE (1973)

AAN EEN JONGE VROUW

voor jou mouchke

als rosé, de parel uit de paring
van je lippen. en je handen, het delen
van brood, de vermenigvuldiging
van wijn in ons bloed

je draagt om mij de witte rouw
der liefde.  als een Balinese danseres,
de traagheid van de dood, van molecule
tot molecule.  zij het stof bindt en ontbindt.

om troost en trots rust een volk in je
antracieten haar.  en je voorhoofd, een scherf
gevallen hemel, waarin de misdaden van
de wereld weerspiegeld staan.

ook de dichter is een doder, vrouw.
nauwelijks nog hoort hij de woorden, herinnert
zich leven, de trage moord op zichzelf, uw liefde
een witte rouw om twee graven, één aarde.


BRIEF AAN MIJN GELIEFDE

"L'amour est à réinventer"
Arthur Rimbaud

In deze dagen, denkend aan jou
als aan een dode, ligt gij in dit
donker, zacht wenend wellicht, en omgeven
door schemer, als in een droom toegevend
aan uw eerste plundering.  ontwaakt niet!
gij zijt ontbonden, hier en nergens,
heelal en traan!

als een lijk naar de aarde schuif ik
in jou, mijn diepere geboorte uit
uw hoger geheven lichaam, het zien
der herinnering, door lege kamers,
de lege moeder, als kind tastend aan
de wereld, de vage vormen van uw lichaam

vrouw en kind, U beiden verleer ik
dit verdriet, verleen U de vreugde
om de morgen, om de rode klaproos
in de melkwarme lakens, want in dit zonlicht
ligt gij gegeven, een oud perkamenten geheim,
dat nu nauwelijks mijn adem uw haren raakt
als stof in een zonnestraal verdwijnt

niets eenvoudiger nochtans dan een teken
van leven, een spoorslag, een zouten zee
die gans in ons verdwijnt, en opengaat,
een wrakkig aanspoelen in elkaars armen,
en wat rest: de splinter uit uw schaambeen
in mijn vlees, een weinig van mijn bloed
in uw oogwit, de wonde en het wonder.


GEDENKSTEEN VOOR HAAR

geen groter aandenken aan U
dan de nacht.  geweven gewelf van uw
paarse en zwarste tooi.  gedenksteen
voor uw voortdurende dood

en knielend boven zerken deelt gij
uw bloed en gaat in uw schoot de dode
rechtop zitten, gescheiden in uw schede,
de schittering van twee werelden, als muskus
en muskaat, ontstaan uit uw moe metaal
edelgas en zuurstof

in uw lichaam zijt gij vrouw, in uw
schoot nog kind, en naakt is uw bronzen
rug een totem, de wervel een wichelroede
buigend naar water

gij rijst doof en ijzingwekkend uit
ijzer uit uw aarde op, bazalten beeld
dat in de avonden wordt gebalsemd,
ik draag een gouden kogel uit uw schedel
als een sieraad om de hals.


MATINEE D'IVRESSE

voor marc demuynck,

1

Geschraagd geraamte midden haar bedding
en schuivend onderaan de gekromde
ruggen van ellende dwaalt haar boegbeeld,
dat langzaam van vuur in de nacht
wordt gedragen

om waaiend in doodsbleke zeilen
de schrille handen te dragen.  de meeuw
die door merg en been haar woede
spreidt in het ijs. de hand die na
de dooi uit het voorhoofd van
het nageslacht laait

die na het geslacht der voorvaderen
blauw van koude in het solferbed rust,
kind dat zwijgend aan de navel
een vogelvrouw tekent in de schedel

ontwakend in haar asse.  dronken van
bloed en vet van vlees getekend hangt
hij in het heelal.  een groene schimmel
aan de huid, een lendendoek
voor de mond gebonden

2

een zwarte tong spreekt in dit gehemelte
en weet de glazen sater staren in
de spiegel waarin Modigliani een kind
oraal omhelst.  daar donkert de hemel

daar branden gerst en hop in zijn lenden
een vrouw schreeuwt in hun lichaam
in de laaiende hopper der huid met
glazen handen rinkelend voor de mond
gebonden

en daags na de dood dronken zij water
aan de bron.  bevroor hun spiegelbeeld
in het water waarin hun handen branden
aan het kind dat brandt in de aarden schoot

een moeder reikt naar beider handen
en zwart brandend onder de nagels
weet zij dit huidgeschreven rouwbeklag:
mijn zoon is een moordenaar van
het tergend dier in ons.


EEN KLEINE NEKROFILIE
OF ONZE BEHOEFTE AAN TROOST

voor wilfried adams

alles is leegte, liefste, ook dit
leven.  wij liggen in open graven,
zij aan zij, en met de tijd, bodemloos
van asse tot asse en doorlicht
van stof tot stof

in zacht vergane kleuren bewaart
de zerk haar foto, want nooit voorheen
werd liefde wederkerig, want stervend
vernietigde de dichter het schrift,
de boeken waaruit de nacht dieper
dan uit de mens te voorschijn kwam

en in de herfst, na het onweer,
als de hemel opent, vergaart men in het
woud de geraamten van de geliefden.
wetend hoe de kus de beet in de beenderen
werd, en het hart bevrijd, de vallende
steen in de oude waterput.

alles is leegte liefste, ook dit
spiegelbeeld, want wie nooit rust vond
verlaat ook de dood.


DE AFDALING IN HET GRAF VAN RIMBAUD

"C'est le feu qui se relève avec son damné"
RIMBAUD

I DE DOOD VAN DE ZOON

Dagelijks baart de ruimte het lichaam
uit het vuur van hun voorhoofd.  draagt
de moeder in de schede de schedel
boven het razend rood van de zon geheven
en uit haar bekken gelicht volbracht
hun lichaam de dracht der graven

en na eeuwen.  de afdaling in het graf.
de dag.  het rijzen van de zeven zonnen
in de catacomben, het schenden van de
saracofaag, het verwijderen van het kruis,
het gevecht met de dode

en onder het roze stof van rozen
en relikwieën het aanraken van mijter
en staf der schepping.  de vrouw die
breekt uit haar beenderen de wervel
voor de inwijding van het bloed in de
kelken van de anus

en zijde aan zavel sluit zich in het
hemelbed de aarde omheen de geliefden
en ontwaakt ontbonden het kind uit
de eeuwen.  de vaginale beet aan de hals,
van woede om de woekering in de dood,
om de dag die schendt het licht van de nacht.


"N'eus-je pas une fois une jeunesse
aimable"
"Je vis que tous les êtres ont une
fatalité de bonheur"
RIMBAUD

II DE GEBOORTE VAN DE MOEDER

en gevallen uit de gotische hemel
de marmeren engel boven het geopende
graf opent zijn vlammende mantel en
ontpopte zich in het kind dat klagend
openging in vrouwelijke vruchtbaarheid

de gegalvaniseerde God rust op de steen
der sarcofaag, de handen over het geslacht
gelegen, het hoofd in het hoofd van steen
gehouwen.  dragend de rouw van vuursalamanders
in het schitterende zaad van de geopende polsen.
de woede der vaders waakt in de beelden
aan de wanden.

en in de nis der knieën de vrouw in de
weeën van kalk en kant. en hij de nar, de koning,
drinkt uit haar schede het bloed en volbrengt
de overplanting van het vlees in haar
uitgebrande bekken, waarin de schedel vuur vat,
en zich opent in haar lichaam als een
pauwestaart in de nacht

en in de valavond ontving de vrouw het bloed.
de wervels en het zaad van de reptielen. en dan
de dag.  het licht legt haar lichaam uit de
aarde nauwkeurig archeologisch bloot.  


"Ce fut d'abord une étude"
"Je finis par trouver sacré le
désordre de mon esprit"
RIMBAUD

III DE SCHENDING VAN HET BLOED

de moeder.  mijn minnares van negen maanden,
mateloos droeg ik haar zij mijn val
in haar weelde, de aarde, en dit is het traag
blootleggen van haar gebaren, het openen
van de wonde in de wijn, want gij hebt
mij verwekt en gij hebt mij verlaten

ik kreukte en streelde aan je ellebogen
de aarde weg.  en schuivend uit uw huid
in ons lichaam dragen wij mijter en staf
der schepping.  en schaars is de dag dat je
bloedt en baart wat onbevlekt ontvangen
blijft.  dit lichaam bewaart blijvend en
keert gaaf uit de aarde terug

ga. en keer terug uit de dood met zijn zegen,
want dit lichaam verenigt weer wat gij, redeloos
en redelijk, uit liefde hebt verdeeld,
de geliefden. hoe zij stervend uit uw zij
vielen toen gij stierf.  en zij uw lichaam
draagt en ik de kroon.

de wonde in de wijn die bloedt en schreeuwt
in het witte laken.  de vrouw ligt opgebaard
in uw lichaam, ik was  daar toen zij stierf
en vergaf.  ik sloot uw ogen en uw wonden
genazen ons lichaam, zij verdween in de
rouwgondel, door zwarte opgehangen winden
gedreven, de dode zee de nacht in

de dag droeg de eeuwigheid.  en gij verscheen
even, en gij hebt mij verwekt.
en verlaten.


BLUE TURNED GREY OVER YOU

aan mijn moeder


ik ontstond uit de schemering
van je schaamte.  je lichaam droeg
de schande als een kwaadaardig gezwel,
een venerische wijding, moeder.

de tweedracht brak je bloed, de schedelknop
uit het openbloeiend water.  wij raakten even
hemel in je schede en droegen toen
de kroon van bloedende rozen.  de toornige
doornen glinsterend in het verduisterde
schaamhaar verborgen

toen viel ik in uw ongenade moeder.
je lichaam uit mijn lichaam gegroeid
ontstond de nacht waarin je ophoudt
te bestaan, zo drong ik in elke vrouw
de duisternis in uw schoot binnen

maar nooit vermocht ik U weder te betreden,
en stervende geef ik U en neemt gij
uw lichaam weer.  en dood draag ik
eeuwig de duisternis van uw schaamte.

terug naar boven