GEDICHTEN

ERRATA


1.

Men zegt dat poëzie
duister is, een
hermetisch monster
van schoonheid
ontoegankelijk als
een burcht gesloten
achter de ophaalbrug
van een gedicht
Niets is minder waar.
Het leven is duister en
trekt een labyrint van
vraagtekens onder de
huid, bouwt een doolhof
van mysteries in de taal
en legt een hypotheek
van onwetendheid op
het gebouw van ons
streven.

En poëzie is leven.
Daarom.


2.

Al legt de stem
van de dichter
een prachtig
bloemstuk in het
portaal van het
eeuwig ontaarden

en klinkt zij
volmaakt quadrafonisch
in de oren van de taal,

zij vertolkt in al
haar toonaarden
slechts het veelvoud
van verwelken.

3.

Leugen
is de adembenemende
bevestiging van de ontkenning
van het leven.

Leugen
stabiliseert het wankel
evenwicht van de tijd
en heft de ballast op van de ernst
en het zwaargewicht van de aarde.

Leugen
ligt op een zee van ironie
te dobberen als een sloep met
Cubaanse vluchtelingen op weg
naar de luchtspiegeling van Miami.

Leugen is waarheid eten met de
tandeloze vork van de hypocrisie.

*

ZO SPREEKT DE DICHTER (EEN MENS)

1.

Aarde ben ik.
Gestampte vreugde en
verdriet.  Teelt van
verleden en toekomst
op een akker van
verzwegen taal.

In gewassen van
woorden groei ik op
de velden open tot
een bloem die verblindt
met de helle kleuren
van een vraag gretig
bestoven door
een vraag.


2.

Aarde is wat ik ken.
Het graan dat kiemt
in gif en ether en
door tegengif gedijt
op een akker
van vergeten.

Het graan dat stengel,
bloem en voedsel wordt
van een radeloos zwerven
in een speeltuin
van de tijd.


3.

Want dit alleen is
de grond van elk bestaan,
de reden die als een broze
vlag wappert in het heden:

de droom die een meer is
waarop eenden van verdriet
neerstrijken om de waanzin
van het sterven te tekenen
op de spiegel van het water,

riet dat wachten
is op de wind,
het overspelig ruisen,
dat elk nest bevolkt met
onheilspellende vogels,

de hand die water wordt,
en het water zee,

de zee
die lucht wordt en opgeslokt
door de einder glijdt in
de diepe trechter van een
gulzige vraag: veelvraat
van duisternis.

4.

Hier leg ik
mijn handen af en laat ik
mijn benen achter,

omdat
ik niet meer gaan wil
waar onvrede en onmacht
heersen, waar onbegrip
de keel afsnijdt van hen
die als pelgrims de
bedevaart aanvatten
naar het onbestemde vuur.

Omdat ik geen gewicht meer
hef van wat mij bezwaart
als de loden last van een
geheim dat meer en meer
een fictie is, een spiegelbeeld
van waanzin dat mij
aanschouwt en vernietigt
met de blik van het vergaan.

Omdat ik niet wil oplossen
in de rook van een bestaan dat
geen bestaan was maar de
fata morgana van een droom
gestegen uit de dampende aarde.


5.

Wat staat te graven in
mijn heden legt
bevroren op het ijs van
een glimlach de lugubere
trek van toekomst die over
het lichaam spoort in
een bliksemschicht van
pijn en uitdeint in een
vloed van woorden, een
poel van taal die lest de
dorst van het vergeten.

Zo wordt beeld wat in mij
slaapt als een tuin van
duizend talen en eelt
wat mij verstoot en
afwerpt als anker in de
voren van de waanzin,
de meute van de schijn.

Want beeld van eelt
en eelt van beeld is
wat ik bouw en afbreek
om te aanschouwen het
wonder van het niets
in een stolp van duisternis
en armoede om het icoon
van leegte in mijn huis.


6.

Aarde is later en
later is aarde.
Het duo dat geeft en
neemt wat niet helder
is en zwemt als een
duistere vis van onheil
in de aders van de grond
die staart als een kuil,
een afgrond die mij baarde
als een monster zonder
waarde.

Grond van wortels,
leem van teelt en humus,
klei van hoop en genot,
slijk van pijn en verval,
ik begraaf in hen dit,
mijn woord, zodat ik
eindelijk zwijgen zal
en het spreken verleer
dat in mij heit een
schandpaal van dromen
en idealen.

7.

Water ben ik
dat rijkelijk stroomt
naar lang begraasde weiden,
verzopen nu en onherbergzaam
als een maanlandschap van
vergeten aarde, een roestend
anker in de vaargeul van
de tijd.

Dorst leg ik te rapen,
dorst en drank verschaald
in bekers van de taal,
om te hopen op een
straal van vloeibaar geluk,
een vijver van ontroering
waarop het noodlot roeit
dat het onbestemde in zijn
vaandel draagt.


8.

En niets dat klaarte
hangt aan de vraagtekens
van de jaren,

niets
dat kleur bekent op het
palet van de tijd,

niets
dat mij ontkent, noch
bevestigt en overlaat aan
de bestemming van het
ongerijmde, het onbenoemde
waarvan de sporen
dagelijks worden gewist
en vertrappeld door de
hoeven van op hol geslagen
paarden die de waanzin in
het zadel dragen.


9.

Aarde op aarde,
hemel in hemel,

het onbegrensde dat begrensd
het onbestemde is en in het
bestemde vergaat,

het woord dat moord wordt
en terug verwoord in taal
de metamorfose van het lot
dat leven is en dood en dood
leven,

waanzin die vermoeden schept
en vermoeden wantrouwen,

wanhoop die hoop verwekt en
oogst van bedorven koren,

stem die geluid is en geluid
een schuren van luchtaders in
het lichaam van de pijn.

10.

Wat stremt mijn woord
op weg naar een vluchtheuvel
van de droom prijkt als een
standbeeld van roem, versteend
en uitgelaten, op het plein van
een dorpskermis in de stem.

Wat voedt de twijfels
in mijn struweel dat graaft
naar de wortels van het zijn
ontdekt niets dan afgekloven
waarden: beenderen die
ruchtbaarheid geven aan
het geluid van het niets
en het vacuüm van de aarde.

*


SPRINGTIME


1.

Hoe mooi het
ruisen van riet en regen
dat in striemen van pijn
vergaat.

En heerlijk bovendien
het streven van de groene
velden om met dodelijke
frisheid en blijheid
te poseren voor de
schilder van het verleden
die de paraatheid van
de schepping op een doek
van afscheid penseelt
en vereeuwigt met
de paraaf van het
vaarwel.


2.

Op een gazon
van leuke dagen waar
vrolijke tulpen de
verrukking insinueren
van het verderf sluimerend
in het gras, de Japanse
kerselaar zien bloeien
en door de barsten van
de huid gluren in het
geniep naar de lente die
elk jaar mooier en frisser
klinkt in oude oren,
ondanks de aids van de
seizoenen en het seroposi-
tieve bloed van regen
en wind.

3.

Op het strand van verbleekte
dagen, slaan golven gensters
van CO2 uit de kust
waarboven meeuwen van
plezier het kreunen van de
ondergang overstelpen met
hun gekrijs terwijl vissen,
glimmend van olie en
beschaving, klieven het
chemisch water met de
glans van ziekte en pijn.


4.

Met praal en glans ontsteekt
de lente het vuur van oude
waarden en legt een geur van
luiers op de assen van de tijd,
waarin de hebzucht smeult en
de afbraak ligt te zinderen
als een haard van wellust en
jolijt.

Goud en zilver in de lucht
besmeuren de roest van
dolgedraaide dagen aan
het wiel van een krakende
beschaving.

In nesten van een gewisse
dood broeden vogels de
slachtoffers rijp van de
loerende vraatzucht in de
struiken.


5.

Lentebloesems, dronken
van zure regen en ozonlucht,
stoeien onstuimig op een
uitgerafeld wandtapijt van
blauwe lucht.

Het hels geloei van motoren
streelt met een brandende hand
de broze huid van hun dartele
speelsheid.

Zij huppelen als vogels op
de takken van een schavot
en springen koord met de
doorgerookte blaren van de
smeulende bomen.

Met een grimas van pijn
willen ze de glimlach van
een nieuwe tijd uitbeelden
en slagen erin bij het jeuken
van hun zweren te proesten
van jolijt.


6.

Aangestoken
door het vurig jargon van de
lente de passies en de liefde
alom die bij de eerste geluiden
van parende vogelkoppels baden
in een roes van hartstocht.

Zwoele winden steken op,
benevelen de geesten en
doen de koortsen stijgen.

Een valse zon smeert wat
verleidelijk groen op de
stammen van geile bomen
en struiken die met takken-
geruis de gemoederen oprakelen
en aanzetten tot loense spelen
in de koele schaduw van
een sensuele dood.

*


INDISCHE SUITE


1. (zicht op Delhi)

Waar
de apen dansen
en de slangen kronkelen
op het gefluit van armoede
en afval in de straten,

waar
de mensen stromen
als wier in een zee van honger
en de klok van een marmeren
minaret het uur slaat van
de dood,

waar
ik genas van weelde
en beschaving mij
te veel was,

ettert
Delhi als een zweer
op de kaart van
India.



2.
(Mausoleum van Humayan, Delhi)

Sinds Humayan slaapt
in een bed van de tijd
stijgt uit een okergeel
gesteente zijn ziel als
rook ten hemel,

en trekt een rood gordijn
van mist voor het loerend
oog van de gier.

Alles bloost van angst
omdat zelfs de rust
van de dood hier wordt
gegeten.


3.
(vrijdagmoskee, Delhi)

Torens en koepels
kronen een stille vijver
waar de pelgrim sust
zijn spiegelbeeld in het
water.

Geestelijke rust,
gloeiend als een toast,
blust de honger van
de slaven die op blote
voeten doorkruisen het
vuur van elke dag.

Want alleen voor blinden
staat hier geschreven:

"Wie onderdaan is, lijdt
niet aan de rijkdom van
de meester in het
koninkrijk van het niets."


4.
( Delhi: chadni chowk of winkelstraat)

Parias en diplomaten
rennen naar een
bestemming die geen
einddoel is maar een
vlucht in het blijven.

Ze razen heldhaftig
voort alsof een
vijandelijk leger een
invasie beraamt op
het schamel erfgoed
van hun honger.

De spanning is te snijden
in de winkelstraat waar
zelfs de koeien, geiten en
zwijnen geen raad weten
met hun angst.

Ratten nestelen koortsig
in uitwerpselen terwijl
parkieten kwetteren als
dolle alarmsirenen.

Alleen de arenden cirkelen
als rustige verkenners van
de dood boven het krijgsgewoel
van de toeterende tijd.


5.
( Paleis van Udaipur 1)

Udaipur:
een omhelzend marmer
dat onder het vuil van
de beschaving en de
uitlaatgassen van de
economie zieltoogt.

Erosie van handen en
voeten; stemmen die
als bommen exploderen
op de binnenkoer.

In een ravage van okergele
branden en satijnen flarden
zuigt een fontein het laatste
water uit de woestijn.

6.
(Paleis van Udaipur 2)

Een verroeste flikkering
van dolken in de
spiegelzaal jaagt de
argwaan op de vlucht
over de huid.

Een siddering van angst
verbrokkelt azuurblauwe
gewelven.

Giftige ogen, gemetseld
in de muren, spieden
naar de toerist die achteloos
de lucht besmet met
het parfum van dollars.


7.
(Qutab minar of overwinningstoren, Delhi)

Met zijn rode lans
in de borst van de hemel,
een bloedbrug naar
de aarde,

toont
de islam springlevend
het opperste geraamte
van zijn macht.

Op de vlucht
voor de hitte van de zon,
scharrelen hongerigen
op blote voeten rond
in de koele toren

om, verfrist en uitgelaten,
aan rijkdom van gebeden
te sterven.


8.
(Jagmandir, Udaipur)

Een waaiend koor
van slaven bevlagt
het marmer van
wakende kantelen.

Toeterende olifanten
sjouwen steigers
naar het water waar
horden toeristen
aanmeren om de
paleizen te besmetten
met de virussen van
de beschaving.

Geldhonger verovert
het eiland, besmeurt
het fluweel van
koningstronen,
die zieltogend herbergen
het parelzweet van de
maharadja.


9.
(Jaipur: Paleis der Winden 1)

Geluiden van motoren
doorboren de gevels
die met hun rode torens
dwarsen de lucht.

Kreten van overgave
klinken in koor, alvorens
te worden opgeslokt door
het moordend geraas van
elke dag.

Jaipur kreunt in zijn paleizen,
terwijl het monster van de
beschaving oprukt en met
bloed smoort het blaffen
van de honger.

10.
(Jaipur: Paleis der Winden 2)

Een loeiende drukte
verscheurt het roze doek
om het standbeeld van
de zon.

De menigte wachtenden
op niets verzamelen
de laatste resten
van een naarstig
verorberd koningsmaal.

Het paleis kermt
van aanzien en kromt
zijn rug naar de kladden
aasgieren op zijn schouders.


11.
(Ranakpur: jainatempel)

Een gong van vrede rolt
een witte loper uit voor
de voeten van de verbaasden.

Gebeiteld in zuilen siddert
de hoop op betere tijden.

Versteende stampers van
bloemen plooien hun kelken
open voor de echo's van
vreemde verzuchtingen.

Prevelingen alom en het
gefluister van armoede
verbrijzelen de muren.

Een kale luchter werpt
scherven pijn op de vloer.

Op bloedende voeten
schrijden monniken voort.

Met een oranje sjaal snoeren
zij de monden van de honger.


12.
(Fort van Amber, Jaipur)

Een watersnip zuigt
zijn spiegelbeeld uit het
oranje water waarin de
herinnering aan weelde
baadt.

Gelaten strompelen olifanten
af en aan beladen met joelende
toeristen op de uitkijk naar
de praalgraven van duizend-
en-één-nacht.

Gewiekste apen verzilveren,
als wachtmeesters van het
verleden, de rijkdom van
het paleis in brood en spelen.

Vakmanschap siert wanden
en poorten.  Arcaden van
goudbrokaat dempen de
geluiden van verbazing
die zweven als engelen
door de gangen van de
troonrijke zalen.


13.
(Paleis van Samode, Jaipur)

De leegte hier
onthult een gouden schrijn:
een zilveren zucht spat open
tegen muren van satijn.

Alles brandt in een rode
en blauwe gloed van weelde.
Op blozende gezichten van
toeristen schrijven schaduwen
verhalen van cobra en lotus.

Het geroezemoes in zalen
beroert de snaren van een
geheime gouden harp.

Muziek van zijde en brokaat
sprokkelt sierlijke noten als
juwelen in het rond.  Verbaasde
blikken rollen als marmels op
de glanzende vloer: geen bar-
baarse stap wordt hier te veel
gezet, noch een naar geluid geduld.

Samoda opent zijn hemelluik
alleen voor wie het hart draagt
op een wolk van feeëriek ontzag.

14.
(Taj Mahal, Agra)

Een witte commotie alom
als voor een feest.

Statige torens ontsteken
in een stoet van dromen
witte toortsen in de lucht.

Kralen dansen als zilveren
koppels een wals van marmer
op de tonen van een prille dageraad.

Waterspiegels aaien op hun
blauwe hemelbodem rillende
bloemen, terwijl een smetteloos
gazon met een magische hand
edelstenen van liefde zaait.

En temidden van het bazuingeschal
van de zon, het trage hijsen van
nevelvlaggen en het roze juichen van wolken

ontspringt in een gouden feestgedruis
een spetterende melkfontein van liefde
die als een vloeiend juweel
van schitterend stromen

in de kleurrijke bedding
van de eeuwigheid verzandt.

*

MEMOIRES VAN EEN HERFSTBLAD


Goed, ik word rood, groen
en blauw en verga van
de kleuren.

Ik wenk nog wat en steek
een verrimpelde hand op
naar de boom alvorens die
mij plaatst in een home van
de wind.

Ik was er dus, al ben ik
er nu voorgoed geweest.

En geloof mij, dát alleen
was belangrijk:

dat ik er was en geboekstaafd
ben en blijf als een blad van
het bos.

*

NECROFIEL


1.

De herfst doet pijn.
Hij knijpt in het gezicht
van planten, perst de
bomen uit en zet heel
de natuur te kijk in het
museum van de winter.

En ik die dat aanschouw
met de bloeiende ogen
van de zomer,

ik zet het masker op van
mijn mooiste droom, vier
carnaval met de wind en
geef het woord de sporen

om in de nevels van de taal
mijn veld te blussen.


2.

De fiere kruisen hellen over.
Ook de rijkste graven hebben
hun tijd gehad.

Frisse bloemen blozen bij
verweerde gezichten.  
Vergeelde herinneringen
eten hout en drinken arduin.

Zelfs de regen loopt hier
verloren en bijt zijn rimpels
in verdwenen steen,

terwijl ik, met het water
aan de lippen, blijf lachen
en in verzen ween.

*

MISTY


Weer mist.
Opnieuw probeert de tijd
de waarheid, die brandt op
de huid, te verdoezelen.

Er is geen ontkomen aan!

Omdat rook een lied van
treurnis is, gezongen door
schaduwen van de nacht,
wil ik ontsnappen en gaan
spijbelen in het maanlicht
van een illusie.

Maar ik wil ook eens vrolijk
wezen, de trompet van de zon
bespelen en met melodieën
kraken de schelp van de nacht,

en als een steen van ontroering
verzinken in de taal om te jubelen
op de bodem van elke dag.

*

LANDSCHAP


Hoor hoe de rivier
haar weg vervolgt, spreekt
met de wind en koelte
strooit over de weilanden
van rust en verte.

En hoe de nacht een zilveren
ketting legt op haar
glimmende en brede lach,
die in de duisternis ontspoort
en in het landschap stemmen
boort van water en licht.

En hoe de dag als een gouden
bliksemschicht ontspringt
in haar vacht van schaamte.


terug naar boven