GEDICHTEN
                                (vertaald door Henri Thijs)

BROOD

Ik hou van een leuk brood.  Brood dat gewillig is.  Het soort
brood dat wordt gevonden in brooddromen.
En zo gebeurde het dat ik zo’n brood tegenkwam.  Ik had geklopt
op een deur (Ik doe dat soms om mijn kneukels in vorm te houden),
en een vrouw met een behoorlijk pafferig postuur (zij had die
ongebakken, ongeknede blik) verscheen met een erg
leuke boterham.
Ik nam een beet en de boterham begon te huilen…

(BREAD)

*

SLAAP

Er was eens een man die niet wist hoe te slapen ;
elke nacht
viel hij in een saaie, onprofessionele slaap.  Een slaap
die
bij hem een groeiende afkeer opwekte tegen het slapen.
Hij probeerde Het Handboek van de Slaap te lezen, maar het deed
hem
alleen maar in slaap vallen.  Dezelfde slaap die bij hem die groeiende afkeer
opwekte tegen
het slapen…
Hij had een slaapmeester nodig, die met een zweep en een
stoel de nacht zou tot de orde roepen, en hem kon doen springen
door
hoepels van vuur.  Iemand die een tijger kon doen
zitten
op een klein voetstuk en laten geeuwen…

(SLEEP)

*

EEN TOCHT DOOR HET MAANLICHT

In de slaap is het lichaam van een oude man zich niet meer
bewust van zijn beperkingen, en wordt het
door de zwaartekracht gewoon plat gedrukt als was in zijn bed…
Het druppelt door de vloer en loopt als een traan over een
wang…Onder de achterdeur naar de zilveren weide,

als een poel van sperma, berijpt door het maanlicht zoals in zijn
oervorm, zonder beenderen en absurd.

De maan tilt het op naar zijn wit veld, een wolk
in de vorm van een oude man, poreus met sterren.

Het stroomt door hoge donkere takken, een lichaam gebonden

aan een boom in een rivier.

(A JOURNEY THROUGH THE MOONLIGHT)

*

EEN HISTORISCH ONTBIJT


Een man brengt een kop koffie naar zijn gezicht,
tilt hem op naar zijn mond.  Dat is historisch, denkt hij.
Hij krabt zijn hoofd: weer een historische gebeurtenis.
Hij moet echt gaan rusten, want hij schrijft aardig wat
geschiedenis vanochtend.
O maar, nu botert hij zijn toast, weer een stuk
geschiedenis dat wordt geschreven.
Hij vraagt zich af waarom hij nu precies uitgekozen
wordt om zo historisch te zijn.  Anderen zullen dat waarschijnlijk
niet hebben, denkt hij, het is, tenslotte een talent.
Hij denkt dat een van zijn schoenveters moet worden geknoopt.  O, nu
gaat weer een belangrijk historisch feit plaats vinden.  Hij kan het gewoon
niet helpen.  Misschien neemt hij een te groot gebied in van de
geschiedenis?  Maar hij moet toch leven, nietwaar?  Een toast moet toch
worden geboterd en hij kan toch ook niet vertrekken met
een van zijn schoenveters die moet worden gebonden, nietwaar?
Waarschijnlijk is het waar dat wanneer de 20-ste eeuw gaat worden
geboekstaafd het hoofdzakelijk over hem zal gaan.  Dat is nu eenmaal
de manier waarop het koekje kruimelt – ah, weeral een zin die zal worden geciteerd tijdens de
komende eeuwen.
Zelfbewust?  Een beetje; wat kan men doen aan al die nog-te-baren ogen
van de toekomst die hem zullen bekijken?
Uh, oh, hij voelt dat weer een ander historisch feit op komst is…
Ah, daar komt het, een kop koffie die zijn gezicht nadert aan het einde
van zijn arm.  Als hij het maar kon vastleggen op film, wat zou dat niet
betekenen voor de toekomst.  Oeps, gemorst  
over zijn broek.  Een van die historische ongevallen die de volgende
duizend jaren zullen beïnvloeden; onvoorspelbaar, en in het geheel
niet comfortabel…  Maar geschiedenis is nooit
gemakkelijk,
denkt hij…

(A HISTORICAL BREAKFAST)

*

EEN STEEN IS VAN NIEMAND

Een man lokte een steen in een hinderlaag.  Pakte hem.  Sloeg hem
in de boeien.
Sloot hem op in een donkere kamer en hield de wacht over hem voor
de rest van zijn leven.

Zijn moeder vroeg hem waarom.

Hij zei, omdat hij gevangen gehouden wordt, omdat hij
gevangen is.

Kijk, de steen slaapt, zei ze, hij weet niet
of hij in een tuin is of niet.  Eeuwigheid en de steen
zijn moeder en dochter; jij bent het die aan het oud worden is.
De steen slaapt alleen maar.

Maar ik ving hem, moeder, hij is van mij door mijn verovering, zei hij.

Een steen is van niemand, zelfs niet van zichzelf.  Jij bent het die

veroverd is; jij waakt bij de gevangene, die
jijzelf bent
omdat je bang bent buiten te gaan, zei ze.

Ja ja, ik ben bang, omdat jij nooit van mij hebt
gehouden,
zei hij.

Wat waar is, omdat jij altijd bent geweest voor mij
wat
de steen is voor jou, zei ze.

(A STONE IS NOBODY’S)

*

ONGEVALLEN


De kapper heeft per ongeluk een oor afgesneden.  Het ligt als

een nieuwgeboren iets op de vloer in een nest van haren.
Oeps, zei de kapper, maar het moet toch geen
goed
oor zijn geweest, want het kwam los met weinig klachten.
Dat was het ook niet, zegt de klant, het zat altijd boordevol
was.
Ik probeerde er een wiek in te brengen om de was weg te branden, om aldus
mijn weg
naar de muziek te vinden.  Maar toen ik het ontstak, stak ik heel mijn hoofd
in brand. Het vuur
verspreidde zich zelfs naar mijn lies en onderarmen en naar een
nabijgelegen
bos.  Ik voelde mij als een heilige.  Iemand dacht dat ik een
genie was.
Dat is geruststellend, zei de kapper, maar ik kan
je
toch niet naar huis sturen met maar één oor.  Ik zal ook het andere
moeten verwijderen.  Maar
wees gerust, het zal weer een ongeval zijn.
De symmetrie vereist dat.  Maar laat het dan zeker een ongeval lijken, ik
wil niet dat je mij opzettelijk verwondt.
Misschien dat ik maar beter jouw keel oversnij.
Maar het moet een ongeval lijken…

(ACCIDENTS)

*

ANTIMATERIE

Aan de andere zijde van een spiegel is er een omgekeerde wereld,
waar de gekken gezond worden; waar botten uit de aarde
klimmen
en teruggaan naar de eerste slijm van liefde.

En ’s avonds komt net de zon op.

Verliefden huilen omdat zij weer een dag jonger zijn, en weldra
zal de jeugd hen beroven van hun plezier.

In zulk een wereld is er veel verdriet die, natuurlijk,
vreugde is.


(ANTIMATTER)

*

DE DOOD VAN EEN VLIEG

Er was eens een man die zichzelf vermomde in een
huisvlieg en rondvloog in de buurt om vliegenstrontjes
te deponeren.
Wel, hij moet ‘iets’ doen, nietwaar ? zei iemand
tegen
iemand anders.
Natuurlijk repliceerde iemand anders tegen iemand.
waarom dan al die drukte ? zei iemand tegen iemand
anders.
Wie maakt zich druk ? Ik zeg alleen maar dat als hij niet
van
de muur van dat gebouw afkomt de politie hem eraf zal moeten
schieten.
O dat, natuurlijk, daar is niets zo innemend als een
dode
vlieg.
Ik hou van dode vliegen, en de manier waarop ze mij doen denken aan individuen die met hun lot
worden verbonden…

(THE DEATH OF A FLY)


*

DE BRUG

Op zijn reizen komt hij een brug tegen volledig gemaakt van
botten.
Alvorens over te steken schrijft hij een brief aan zijn moeder : Moeder
Lief,
moet je eens horen ?  de aap beet per ongeluk een van zijn handen af
bij het
eten van een banaan.  Net nu bevind ik mij aan de voet van een
bottenbrug.  Ik
zal die dadelijk gaan oversteken.  Ik weet niet of ik heuvels en
valleien gemaakt van vlees zal vinden aan de andere zijde, of eenvoudigweg
een blijvende
nacht, dorpen van slaap.  De aap verwijt me van hem niet beter
onderwezen te hebben.  Ik zal hem mijn tropenhelm laten dragen
als troost.  De brug lijkt op een van die skeletconstructies
van een reusachtige dinosaurus die men soms ziet in een museum.  De
aap kijkt vanuit de stomp van zijn vuist en scheldt weer
op mij.
Ik bied hem een tweede banaan aan en hij wordt zeer kwaad alsof
ik hem beledigd heb.
Morgen zullen we de brug oversteken.  Ik zal je
schrijven van de overzijde als ik kan ; doe ik dat niet, kijk uit naar een teken…

(THE BRIDGE)

*

DE BORST

Op een nacht kwam een borst van een vrouw naar de kamer van een man
en
begon te praten over haar tweelingzus.
Haar tweelingzus dit en haar tweelingzus dat.
Uiteindelijk zei de man, maar wat is er met jou, beste Borst ?
En zo bracht de borst de rest van de nacht door met te praten
over
haarzelf.
Het was hetzelfde gesprek als dat over haar tweelingzus :
haarzelf
zus en haarzelf zo.
Tenslotte kuste de man haar tepel en zei, het spijt me
en
viel in slaap…

(THE BREAST)

*

DE AUTOPSIE

In een achterkamer is een man een autopsie aan het uitvoeren
op een oude regenjas.
Zijn vrouw daagt op in de gang met een kaars
en vraagt, lukt het ?
Nu niet, nu niet, ik ben net bezig met de voering,
murmelt hij ongeduldig.
Ik wou enkel weten of je nog geen bloedklonters vond?
Bloedklonters?!
Voor mijn halssnoer…

(THE AUTOPSY)

*

HET LOON VAN DE KAPITEIN

Wij gaan aan boord van een schip, geef er niet om als het zou zinken, wij betalen de kapitein door
hem overboord te gooien.  En als hij
terug aan boord klautert, zeggen we hem, kapitein wees niet
boos.  En hij zal ons vergeven deze keer.  En zo gooien we hem
weer overboord om zeker te zijn dat we volledig de afgesproken som hebben
afbetaald voor onze reis.  Als
hij
weer terug aan boord klautert is hij niet gebrand om ons te vergeven,
en zou hij veel liever hebben dat wij van de boot konden worden verjaagd.
Er zit voor ons dus niets anders op dan hem opnieuw te betalen en te hopen
dat het dit keer wel genoeg zal zijn.  En zo gooien we hem opnieuw over
boord.  Als hij
weer aan boord komt zeggen we nu moet dit gedaan zijn, we willen niet
meer betalen, wij willen dat de uitstap eindelijk begint.
Maar het schijnt dat er geen uitstap zal zijn vermits we de kapitein hebben
gebruikt voor een goede zaak.  En zo moeten we de rest van onze dagen
doorbrengen met het overboord gooien van de kapitein.

(PAYING THE CAPTAIN)

*

AAP

Jij hebt jouw aap nog niet opgegeten, zei moeder tegen vader,
die apenhaar en bloed op zijn snor had.

Ik heb genoeg aap gegeten, riep vader.

Jij at de handen niet, en ik die zoveel moeite heb
gedaan om ajuinringen te bereiden voor zijn vingers, zei moeder.

Ik zal nog eens nippen aan zijn voorhoofd en dan heb ik
er genoeg van,
zei vader.

Ik kruidde zijn neus met look, zoals jij het zo graag hebt, zei
moeder.

Waarom liet je de slager de aap niet in stukken snijden ?
Je legt
dat hele geval zomaar op tafel elke avond ; dezelfde
gebroken
schedel, dezelfde verschroeide pels ; als van iemand
die een vreselijke dood stierf.  Dat
zijn geen diners maar post-mortem dissecties.

Probeer eens een stukje tandvlees, ik heb zijn muil volgepropt met
brood,
zei moeder.

Ugh, het ziet uit als een muil vol braaksel.  Hoe kan ik bijten
in
zijn wang met brood dat uit zijn muil barst ? riep
vader.

Breek een van de oren af, ze zijn zo krokant, zei
moeder.

Ik wens je naar de hel als je deze apen onderbroeken hebt aangedaan
en zelfs een
suspensoir, schreeuwde vader.

Vader, hoe durf je te insinueren dat ik de aap beschouw als
iets anders dan vlees, schreeuwde moeder.
Wel, wat doet dan dit lint hier sierlijk gebonden om zijn
private delen ?
schreeuwde vader.

Wil jij beweren dat ik verliefd ben op dit gemeen
schepsel ?
Dat ik mijn vrouwelijke opening zou lenen aan deze bruut ?
Dat
ik hem na de liefde te hebben bedreven op de keukenvloer
de schedel zou inslagen met een bakpan
en in de oven zou hebben geplaatst en geserveerd
om je
het bewijs van mijn
ontrouw
te laten opeten… ?

Ik zeg alleen maar dat ik verdomd ziek ben van aap elke avond,
gromde vader.

(APE)

*

ENGELEN

Ze zijn van weinig nut.  Ze functioneren het best als voorwerpen
van kwelling.
Geen regering geeft om wat je doet met hen.

Zoals vogels, en toch zo menselijk…
Zij paren door kort naar elkander te kijken.
Hun eieren zijn net witte snoepjes.

Soms worden zij geacht een mens te inspireren
om meer met zijn leven te doen dan normaal het geval is.
Maar wat kan een mens nu met zijn leven doen ?

…Zij branden mooi met een blauwe vlam.

Hun roepen is als het geknars van een klein scharnier ;
het gekrijs van een vleermuis.  Niemand hoort het…

(ANGELS)

*

EEN VOORSTELLING IN HET VARKENSTHEATER

Er was eens een varkenstheater waar varkens acteerden
als mensen, moesten mensen varkens zijn geweest.

Een varken zei, ik zou een varken willen zijn op een veld dat een
muis gevonden heeft die de muis is die wordt gegeten door hetzelfde
varken op het veld dat de muis heeft gevonden, en die ik nu speel als
mijn bijdrage tot het talent van de acteur.

O, laat ons maar varkens zijn, riep een oud varken.

En zo stroomden de varkens uit het theater roepend,
enkel varkens, enkel

varkens…

(A PERFORMANCE AT HOG THEATER)


*

GRAS

De woonkamer is overwoekerd door gras.  Het is
gegroeid rond de meubels.  Het groeit uit tot
in de eetkamer, voorbij de klapdeur naar de
keuken.  Het spreidt zich mijlen en mijlen ver uit
in de muren…

Er liggen schatten in het gras, dingen die erin zijn
neergelegd of gevallen ; een staafje roest dat vroeger
een pennenmes was, een grafmarkeerder..  Alle verborgen
in het gras op de scalp van het raam…

In een kelder onder het gras zit een oude man in een
schommelstoel, schommelend heen en weer.  In zijn armen
houdt hij een kind, het kindlichaam van hemzelf.  En hij
schommelt heen en weer onder het gras in de
duisternis…

(GRASS)


*

HET GOMMEN VAN AMYLOO

Een vader met een gigantische gom, gomt zijn dochter weg.  Als
hij
gedaan heeft blijft er enkel een rode vlek op de muur.
Zijn vrouw vraagt : waar is Amyloo ?
Zij is een vergissing, ik heb ze weggegomd.
En wat gebeurt er met al haar mooie zaken ? vraagt zijn vrouw.
Ik zal ze ook weggommen.
En al haar mooie kleren ?…
Ik gom haar kast, haar dressoir – zwijg over
Amylo !
Breng je hoofd maar naar hier en ik zal Amyloo eruit
gommen.
De echtgenoot wrijft zijn gom over het voorhoofd van zijn vrouw,
en als
zij begint te vergeten zegt ze, hummm, ik vraag mij af
wat
er kan gebeurd zijn met Amyloo ?…
Nooit van haar gehoord, zegt haar man.
En jij, zegt ze, wie ben jij ? Jij bent niet Amyloo,
nietwaar ?  Ik kan mij niet herinneren dat jij Amyloo waart.  Ben jij mijn

Amyloo die ik mij niet meer kan herinneren ?…
Natuurlijk niet, Amyloo was een meisje.  Zie ik eruit als een meisje ?
…Ik weet het niet, ik weet niet meer hoe iets er nog uitziet ?…

(ERASING AMYLOO)


*

DWANG

Een oude man met een pruik gemaakt van geel garen eet
pap terwijl hij wacht op de thuiskomst van de drie beren.  Hij
weet dat zij hem zullen straffen.  En waarom ook niet ?  Heeft
hij het niet verdiend ?
Hij vraagt zich af of vader beer hem niet een goed pak voor
de broek zal geven ?  Hij heeft het zeker verdiend.
Misschien bereiden zij ook een maaltijd van hem.  Beren zijn alleseters.
Wat zij ook beslissen voor hem is het oké.
Misschien zullen zij hem houden als een liefdesslaaf.  Ook dat is oké.
Het is hun goed recht.  Goeie God, als hij niets anders is, dan is hij toch
zeker een rechtvaardige oude man.
En zo wacht hij op de drie beren met een bijna
ondraaglijke opwinding.

(THE GOLDILOCKS COMPULSION)


*

AAP EN KOFFIE


Een beetje koffie viel op de aap van een man.  De man zei, beest ging jij op mijn koffie zitten?
Neen, neen fluisterde de aap, de koffie viel op mij.
Ben je zeker dat je niet op mijn koffie viel? zei de man.
Zie ik eruit als een vloeistof? piepte de aap.
Wel, je ziet er zeker niet menselijk uit, zei de man.
Maar dat maakt van mij nog geen vloeistof, kwetterde de aap.
Wel, eigenlijk weet ik niet zo goed wat je bent, zo stop er maar mee, schreeuwde de man.
Ik zat hier maar de krant te lezen toen jij koffie morste op mij, riposteerde de aap.
Het kan mij niet schelen of je een vloeistof bent of niet, maar ik zou maar liever stoppen met op alles
te morsen, schreeuwde de man.
Zie ik eruit als een vloeistof voor jou?  Bekijk me eens goed, kraste de aap.
Als je niet stopt, steek ik je in een kop, krijste de man.
Ik ben geen vloeistof, gilde de aap.
Stop ermee, stop ermee, schreeuwde de man, je maakt mij bang.

(APE AND COFFEE)

*

DE SPEELGOEDMAKER

Een speelgoedmaker maakte een speelgoedvrouw en een speelgoedkind.  Hij maakte een
speelgoedhuis en enkele speelgoedjaren.
Hij maakte een bejaard speelgoed, en hij maakte een stervend speelgoed.
De speelgoedmaker maakte een speelgoedhemel en een speelgoedgod.
Maar, het liefst van alles, maakte hij speelgoedstront.

(THE TOY-MAKER)


*

DE PILOOT

Boven in een vuil vensterraam in een donkere kamer staat een ster die een oude man kan zien.  Hij
kijkt ernaar.  Hij kan ze zien.  Zij is de ster van de kamer; een elektrische sproet die uit zijn hoofd is
gevallen en vast is gaan zitten in het vuil van het vensterraam.  
Hij denkt dat hij kan sturen met die ster.  Hij denkt dat hij het achterste van een stoel kan gebruiken
als een scheepsroer om te zijn kamer te sturen door de nacht.
Hij zegt tot zichzelf: moedige Kapitein, ben je bang?
Ja, ik ben bang; ik ben niet zo moedig.
Wees moedig, mijn Kapitein.
En de ganse nacht bestuurt de oude man zijn kamer door de nacht.

(THE PILOT)

*

HET VERLICHTE RAAM

Een verlicht vensterraam drijft door de nacht als een stuk papier in de wind.
Ik wil er doorheen kijken.  IK wil erdoor kruipen naar zijn verlichte kamer.
Als ik dat probeer glipt het door de bomen.  Als ik het achterna zit rolt en tuimelt het in de lucht en
snelt weg door de nacht.

(THE LIGHTED WINDOW)


*

DE HERFST

Er was een man die twee bladeren vond en ermee binnenkwam al zeggend dat hij een boom was.
Waarop men hem zei ga dan naar de tuin en groei hier niet in de woonkamer omdat je wortels het
tapijt kunnen vernielen.
Hij zei ik gekscheerde maar ik ben geen boom en hij liet de bladeren vallen.
Maar zijn ouders zeiden kijk het is herfst.

(THE FALL)

*

DE OS

Er was eens een vrouw wier vader met de jaren een os geworden was.
Zij kon hem alleen ’s nachts horen loeien in zijn kamer.
Toen zij op een keer opkeek naar zijn gezicht merkte zij plotseling de os op.
Zij schreeuwde, jij bent een os!
En hij begon te loeien met zijn grote roze tong bengelend uit zijn mond.
Hij las zijn krant en draaide de bladzijden om met zijn tong en scheet op het tapijt.
Als men hem dat aan zijn verstand bracht begon hij te loeien van spijt, en beklom hij langzaam de
trappen naar zijn kamer, waar hij de hele nacht berouwvol bleef loeien.

(THE OX)

*

DE HEREN OP DE WEIDE

Enkele heren vloeien op de weide over het gele gras.
Zij schijnen te zweven over die wondermooie blauwe bloemen die groeien op de rotsen.
Misschien kwamen zij afgedreven van het kerkhof in de buurt?
Zij trillen een beetje als de wind waait.
Vlinders fladderen door hen heen…

(THE GENTLEMEN IN THE MEADOW)


terug naar boven