GEDICHTEN
TE KWAAD

Een ochtend vreet zich door het duister
populieren rillen dauw
van hun veel te dun gewaad

je schopt de kauwen van de stoep
een zwart gefladder hun gescheld
gaat kaatsend door de dageraad

slechts je eigen voetstap hamert
in cadans met jouw gedachten
op de klinkers van de straat

als je weer op rooftocht gaat
voortgedreven door de demon
die zich niet bezweren laat.

*

ZONNEBLOEMEN

Het ijle orgel zuigt de zuurstof
uit de godvergeven ruimte.
Ergens in het hoge duister
snijden stemmen zielen door.

Een afspraak door het lot gemaakt
met iemand die mij beter kende:
naam en nummers, rijk verleden
waar we duizend doden stierven.

De wereld buiten wentelt zich
in leven. Bloemen juichen,
vogels zingen onbehoorlijk geil
met wijdgesperde snavels.

Ze wist dat ik vandaag beslist
geen psalmenwalm en lelies wilde,
maar een veld vol zonnebloemen.
Ik heb zojuist een uur gewaakt,

eraan gedacht omdat zij slaapt.


*

HONGERWINTER

In mei bevriest de tijd
traag versplinteren de dagen
op de dode akkers ligt nu
glazen aarde tussen opgebroken
sloten schots en
scheef in grijzig waas

bij vlagen ratelt hagel
door de straten tegen muren
klimt de kilte kruipt naar binnen
dwars door ramen in de verte
kraait een haan
driemaal verraad

in mei staan bomen als geraamten
bottenpulver te verstuiven
uitgemergeld stram te wuiven
nee de hongerwinter is
nog niet voorbij.


*

PANNELAND

Al honderd jaren staan ze daar
de beuken en kastanjes kijken op
me neer gedistingeerde dames met
hun groene parasollen

vroeger keken zij al koeltjes
als we door hun tuinen dwaalden
en na afloop in de serre appeltaart
met slagroom aten

vinkenslagen klonken trots de
bomen negen traag en statig
machtig galmde het geroffel
van de grote bonte specht

de bossen lijken stiller nu
verscholen tussen koningsvarens
liggen nog herinneringen
als geliefden op het mos.


*

TOMBE

Deze regels zijn de binnenmuren
van je kamers vijf bij vier en vijf
bij drie niet één constructiefout ik schrijf
de uitgang dicht ontsteek alvast de vuren
van illusie met mijn pen laat uren
kronkelkruipen door dit krap verblijf
als wormen enkel hoop als tijdverdrijf
voor jou ik moest dat jarenlang verduren
nee er komt geen wending nu vergis
je niet want hier stel ik de regels vast
waarmee jij leven moet de duisternis
de ramen geblindeerd en dichtgelast
zodat je slechts je weg vindt op de tast
door dit gedicht door jouw gevangenis.


*

VRIJSPRAAK

Het zal mijn noodlot zijn dat alles af-
gemeten ademt. Dat de wind verbeten
zwijgt en zelfs de hemel lijkt te zweten
van ontzag. De dood serveert karaf-
fen vol met levenswater: "Drink!" De straf
van het teveel moet worden uitgezeten
tot het knarst en knerpt in het geweten,
tot er netels groeien op mijn graf.
Een lustgodin heeft aan de binnenkant
het vuur van inspiratie weer ontstoken,
streelt met haar fluwelen linkerhand
mijn ego. Daarmee lijkt de ban gebroken
en het vonnis over mij verbrand
dat door haar rechterhand was uitgesproken.


*

VLUCHTELING

Het maanlicht lag gebroken op de straten
van mijn geboorteplaats, dat vaal gehucht.
Wij liepen doelloos rond. Jij wilde praten.
En ik? Ik snakte slechts naar frisse lucht.

De oude dorpskern leek volstrekt verlaten,
maar toen weerklonk een rusteloos gezucht
waardoor we ons gesprek op slag vergaten
en voor ons sloeg een schaduw op de vlucht.

Er was een windvlaag, dan een grauwe veeg -
daar ging een geest. Je kon hem zien verdwijnen
in t duister van een uitgestorven steeg

en waar hij langskwam wuifden de gordijnen.
Ik wilde nog iets zeggen, maar ik zweeg.
Het was te laat. Die geest, dat was de mijne.


*

DE STERREN EN DE LICHTJES VAN DE STAD

Het lichaam is onderdeel van een
machine. De machine en het lichaam
werken om te kunnen blijven werken.
Er is geen hoger doel.

Op monitoren kan men volgen hoe
het toestel functioneert.
Naar omstandigheden werkt het
goed, vertelt een specialist. Het

lichaam luistert sprakeloos, met
open mond. De ogen leven nog. Zien ze
mij? Zien ze wat ik denk? Ik kijk
op de monitor: niets.

Vanachter het raam
op negenhoog zie je de
lichtjes van de stad. De sterren.
De sterrenendelichtjes
van de stad.

Desterrenendelichtjesvandestad.

Je houdt ze soms niet uit elkaar.
Vreemd is dat.


*

HATEMAIL


Er ligt een draak te spuwen op
mijn deurmat. Wat te doen?

Ik rijt hem open, ruk
zijn hart eruit, blijf achter met
de brief in handen.

De woorden op het liefpapier
bijten zich als accuzuur
een wilde weg naar binnen.

Er sluipen leeuwenzinnen
door mijn huis, slangenregels
spannen schrikdraad rond de

kamer waar de klok bedachtzaam
tikt, de poes nog altijd spint,
de televisie zachtjes zingt.

Als ik uitgelezen ben,
ben ik voor altijd blind.

*


TWEESTRIJD


Hij zoekt zijn weg bij kaarslicht door de gangen
van haar paleis. Zij is zijn koningin,
maar wil haar trouwste dienaar niet ontvangen.
De slang die sist en kronkelt binnenin

vergiftigt hem met wrok en doodsverlangen.
Dus sluipt hij ongezien de kamer in
waarvan hij weet, dat daar de wapens hangen
die slaven maken. Zelfs van een vorstin.

Hij volgt de weke treden naar beneden,
maar aarzelt aan de deur van haar verblijf
om die geheime kamer te betreden.
Ze fluistert. Tracht ze hem te overreden?

Kom binnen, hoort hij haar. Kom binnen, drijf
je dolk maar in dit reddeloze lijf.


*

ODE AAN DE BOLLENSTREEK

De duinen draaien krullen in de horizon.
Het land is hier een jonge blonde meid
wier lokken deinen op de wind van zee.
Zo traag, zo hemeltergend traag dat enkel
God het ziet. En kijk eens hoe ze haar

gezicht heeft opgemaakt in oorlogskleuren,
paars en rose, geel en rood, en hoe het spotlacht
naar de regenboog. Haar parfum wolkt als
een slaapdronken geest over de zandgrond.
Haar huid is onverwoestbaar jong,

bestand tegen de ruwste handen.
Koude wolkenkoppen druipen mokkend af,
smijten als kwajongens wat met hagel,
met een bliksemstraal. Zij is te angstaanjagend
levend, te mooi om dood te gaan.


*

ONTWAKEN

Het lijkt een ochtend als zovele.
Zonlicht wringt zich door de ruiten.
Strak opgewonden vogels ratelen
hun liedjes af.

Beneden vind ik op de bank
een haardos in een deken.
Voor een moment ben je me vreemd,
een onbehaaglijk ding. Een dode
reiger in het prikkeldraad.

Hoe lang heb ik hierboven liggen slapen,
onbewust van alle dingen
die er dringen in jouw hoofd?

Je ademt godzijdank, maar
op een dag vind ik je dood.
Word wakker,
ik heb nog zoveel vragen.


*

GEEN


Dat na alles wat zo licht
en liederlijk geschreven is

alleen het rusteloze zwijgen
van de pen gebleven is

omdat letters nagelbeten,
woorden broze vingers braken

waarmee geen van deze handen
ooit een vuist had willen maken,
zinnen koude armen werden
waarin geen gevoel meer zat,

terwijl hetgeen er stierf alleen
't verlangen om te strelen had.


*

MORGENLIED

Zijn handen zijn als takken in de winter
waar 't leven na een storm is uit gewaaid.
Zij is vergroeid met hem, met elke splinter
van hem met wie zij samen heeft gezaaid

al wat rondom hen staat en minder sterft
dan zij die 't uitgeholde lichaam aait,
de bast waarin hun namen staan gekerfd.
Al zijn hun wortels vast ineengedraaid,

zij zal van hen het diepste scheuren;
stil, als alles slaapt, opdat geen kind
het hoort, geen mens haar barsten ziet.

Nee, nu laat zij dit alles niet gebeuren.
"Luister!", zegt ze - in de tuin begint
een vroege merel aan zijn morgenlied.


*

DE OUDE VUURTOREN

Aan het einde van de houten pier
staan oude vissers en een man,
een vrouw. Oranje dobbers blinken
op het water, een hengelsnoer
doorklieft de zomerlucht.

Een visser haalt een leefnet op
waarin een bleke kabeljauw
naar adem snakt, plukt een zeester
van het net en legt die bovenop een
meerpaal in de zon te drogen.

De vrouw, zij draagt een zonnebril
en tuurt over het water alsof zij
iets verloren is. Er plonzen sterns,
er passeren stille schepen; alles is
precies zoals het altijd was.

Alleen de man, de man die nu zijn
armen om haar schouders slaat;
ver weg, als een schim, staat nog
de oude vuurtoren van Westkapelle,
maar rustiger, veel rustiger.


terug naar boven
VRIJSPRAAK van JAN DOORNBOS
NetBook nummer 36   -   Het Prieeltje Online
Copyright © 2004 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webmaster: Henri Thijs