Sparren spelden spitse sluiers rond het gezicht van een labiele novemberzon. Gracieus leunt door mijn venster "Het Bloemenmeisje" (van J.-G. Greuze).
Ze weet wel hoe myoop november schrijdt naar herfst, naar ijzig vreemd verdriet dat vorig jaar ontdooide in de kuiltjes van haar zere handen.
Gelaten leeft ze gisteren, vandaag en morgen. Rekent voorbedacht frankskes om in euro's. Naar dit seizoen ruikt alweer het korfje in h'r handen. Gemberkoekjes bakken is voor straks. Bloemstil paraderen nu, kamerwaarts en helemaal alleen.
* * *
BEUK IN OKTOBER
Op zijn ruige rug aaide ik de beuk treurend alsmaardoor om de oudste die meedogenloos werd neergehaald.
Bomen zijn als mensen met een hart dat vaak weesachtig warse weemoed draagt. Nooit heb ik de boom van zo dichtbij gezien zo echt en mysterieus op blote voeten zwarte tenen waartussen zwammen van oktober. Demonisch hier en daar een hiprood blad dat zich aan 't vallen waagt en al vereenzaamd 't stokoud bomenhuis verlaat.
* * *
VANUIT HET DAKVENSTER
Vanuit het dakvenster ieders vage grenzen volle hagen verwilderde struiken met insecten en een verkleurde vergeten kruiwagen.
De zandbak door de adem van een ouderwetse wind uitgeveegd imitatie van strand wens van schelpjes kinderschopjes resten van plastic bekers zandstraat zonder één kind van Murillo!
Zou daarbinnen nog iets voortbestaan de noen waarin wij onder een vleugje parfum parmantig spelend met pasgeboren odes of werd het alledaagse weggeleerd of zijn het anderen?
* * *
DECEMBER SLENTERT
December slentert slomer tuinen in. Bomen leven al de winter en brosse blâren vermommen het gras. Hulst en sparren fezelen Kerstmis. Ik hoor de avond vervagen. Zoek in de donkere mantel van de tijd herders en wijzen die het verwachte Kind vredig willen vieren.
* * *
DRENTELEN
Drentelen in een zwoel bos langs overreden weggetjes weg van huis lenige wolken boven stokstijve populieren van de zon in halve glorie een roze knipoog op de hete roofing van gerijde daken.
Vlugger vast veld weer langs met het hoofd tussen de armen richting Bethlehem anoniem tussen Israëli's en Palestijnen door de avond lopen troost bedelend bij de donkere nekken van lijdzame paarden langs lauwlate straatjes bedachtzamer naar huis en binnensmonds prevelen 't Rijk kome onder ons.
* * *
GEDROOMDE AVOND
De daggeluiden kropen binnen en liggen opgestapeld in de witte hoekjes van mijn kamer neer.
Oosters mooi hoewel gesluierd is de zon die toch zichzelf verraadt achter haar roodste kleed gefronst aan zilverdraad.
Ik spreek de populieen aan met vogels als in een koude kloostergang waar nu al het groen getakt gewelf onder zijn matte hemel hangt en afgesloten van de hese stad zich overgeeft aan een fictieve stilte.
* * *
E-MAIL
Naargelang de winter verhuist, kan het voorjaar hip zijn gangetje gaan. Terwijl de wind afkomst verraadt, slurpt aan de ruwe rand van platina plassen, kruipen madeliefjes tussen de tengere tenen van een bronzen meisje.
Dichtbij scheert hulst dauw van een jeansjasje. Een buitenkind melkt nostalgisch de veel te lange uier van een verse parkfontein. Op de verbannen haan - die zich met moeite staande houdt - krult gefrustreerd zijn staart; als een donker vraagteken; als een opgewaaide sjerp over een rode kam.
Vlug. Vang de stilte. Interview deze dag ! E-mail de stad dat er lente is !
* * *
KLAAGLIED LENTE 2002
Overal krolse katten. Bezeten bezetten ze april. Er is dè hysterische gil van één meisje dat doolt in de cirkels van haar verbeelding. Ze dwalen de iemanden die vreemden verminken. Er reist water waarin doden verdrinken. Oost west verstommen elkaar. Waartoe lazen wij wijze verhalen waarin saillante signalen voor simpel geluk ? Wij die de magerste liefde lovely verrassen.
* * *
ONDER DE LAMPEN
Onder de lampen wachten wandelen onder het toeë dak van beuken in 't park als onder het pand van een klooster.
Je horen zien voelen naderen je vatten bij de rosse revers van je afgejaarde jas je dooreenschudden fors dan zacht en onbewust verlangen dat jij dat jij daar beheerst bedaard om lacht.
Met blote handen verjaag ik het licht grijp naar je lenden snak naar je hart.
Voor de vijfhonderdste keer het verleden willen verbranden maar het tocht overal.
* * *
WACHTEN
Wachten ! Doe ik al lang. Drentelen bij de achterdeur of op het trottoirtje voor ons huis dat veel te hoog zijn rode ramen opengooit.
Hier onder de berk die zilverachtig naast mij treuzelt zijn tengere twijgjes heel voorzichtig zo het lage licht induwt.
Wachten doe ik al lang terwijl ik babbel met mijn zelf ergens tussen grap en verdriet ofwel slapend tuimelend door het raam jonglerend met de lamlendige letters van jouw naam.
* * *
POSTUUM
Wanneer ik zwijg is 't om niet te schaden wanneer ik zeg is 't om je te beschermen.
Zoals je wist heb ik jouw jaren jouw geheimen zonder wind zonder licht langs het kruispunt van mijn eigen stilte onder een stolp gezet opdat men onze bescheiden waarheid niet zou verkwanselen.
Zoals nu vlij ik mij postuum in het tedere nest van elk vers.
Zó en niet anders zó zal ik je beminnen.
* * *
BEZIJDEN DE KRIB
Bezijden de krib kijkt Maria in december de sneeuw met een glimlach de hemel uit.
Achter het kleed groeien haar handen tot een witte kraag boven de Joodse hals.
Buiten kregen herders alle tijd om de Ster te zingen.
Binnen ligt van arm tot arm het Kind. Zachtjes fezelen wij voor ons uit van stallicht zuiver beddengoed kannetjes vol melk en de broze wens voor een lange vrede.
* * *
LANGS HET MARKTPLEIN
Oude mist sluiert grijze torens zet een stolp over huizen tovert vreemde lichtjes aan wagens en fietsen. Terwijl het gras nog slaapt onder geelgeherfste bomen zit schuw een man in een donkere hoek en stofferen stedelingen het marktplein met vroege oktobergeluiden.
Ik die vaak koketteerde met later treur in het steenkoud huis waar de dingen die jij gelaten achterliet genadeloos onder mijn handen verslijten.
* * *
ONHERHAALBAAR
Hier treuzelt het licht als de dood. Ik zoek jouw graf in een dode hoek. Droom je weer levend zoals vroeger: vitaal in je grijze jas. Met de afgedragen, zwartomrande hoed die ik maar zelden vond. Ik hoor hoe je nog slaapt, een tijdeke snurkt boven het laken.
Alles is novembergrijs. Het werd veel stiller tussen ons. Nooit iemand die de weg verspert. Zo onherhaalbaar trouw blijf je bij.
* * *
STAD! STAD!
Haar centrum bereik ik traag omzichtig onder de gouden lont van de middagzon. Blond bloot in een open wagen Marilyn Monroe die wulpser dan ooit naar iedereen lacht.
Kinderen bij bomen van benzine wringen straks hun lijfjes dwars door een bus met een hete buik.
In het park honden met mensen aan de leiband oudjes langs graffiti banken en een oma die getemd haar ukkepuk gehoorzaamt.
Ik val voorover op de hete snoet van een schrokkend grasmachientje.
* * *
CHRISTUS ZONDER KRUIS
Zo hang je aan de vroege wanden van mijn geest, gespreid de armen, 't lijf naar links gewrongen door een ruggelings pijn.
Mijn blik gehecht aan 't lanzig teken in Jouw zij en ruikend aan het heilig zweet, het lendedoek gefronst, geknoopt, verzadigd van een dure dood.
En tastend naar het afgedragen hoofd, het glad gelaat dat zich ontspant, vervlakt en bijna glimlacht in zijn begeerde overgave.
* * *
TUSSEN TWEE TWIJGEN
Tussen twee twijgen vlijt ze zich parmantig neer de zon vlakop mijn kamervenster slurpt ze de lange sporen van een vroege regen weg.
Met mollige duiven spreek ik september aan en tel ontelbaar rode huisjes neergekaveld in het aardse paradijs van blauw omwelfd waarin weer dunne wolken schuiven traagjes voetloos wandelen hoog en onbereikbaar naar een grijsbeslapen horizon
* * *
NU IK ONS ALLEEN
Nu ik ons alleen nog herinner erf ik een schoot vol stilte die anders vreemder is dan vroeger.
Dag na nacht draag ik het lichte rozensnoer uit gave tuinen van jouw hemelsdiep verlangen. Bewaar voltooid verleden in mijn tijd zoals een zachte peer haar herfstig klokhuis draagt.
Ofschoon ik zwerf en zwerf en zwerf aan randen van later zoek ik een eiland waar jij me als een verloren prins die sprakeloos zijn weg weer vindt nog één keer wakker kust.
* * *
IN DE "MANTEL"
De enige kus die ik je vroeg was jouw laatste. Op mijn zachtst, haalde ik je uit het klamme nest van Dashwitte lakens. Pover, blauwkes aangekleed, mijn Ezechiël van Michelangelo. Zwarthandig graaide middernacht naar het gareel van jouw adem en in het berkje, bij het venster, floot de wind sinister op het weifelen van de dood.
Vermoedde ik niet dat jij eerst zou gaan? Voorspelde jij niet dat berusting rouw zou verzachten? Morgen, overmorgen komen. Als ik thuis om 't even welke lade opentrek, verschuiven zich Toscaans, Bourgondisch en Romeins, jouw ansichtkaartjes met "Almalief" op de keerzijde. Zelfs het groeiend zilver van de maan, laat me donker en diep achter. Misschien blijf ik huilen. Ondertussen zwijmel ik je achterna. Doorheen een vreemde vallei. Kapot van verdriet.
* * *
Terwijl de zon haar gouden bedje spreidt kruipt de avond onzichtbaar op de stille schoot van mijn kleine kamer.
Het westen kamt zijn rode haren laat ze krullen op de warme schouders van de blote hemel.
Bomen worden concave dozen krimpend met gevangen vogels in hun groene buik die in zichzelf gekeerd wachten op een vrije morgen dan meesmuilen naar de zon die opnieuw als een schoothondje heel schuchter op mijn kamermat kruipt.
* * *
IK VOLG
Lief gezichtje van olijfjesogen van dat frêle fronsje tussen je wenkbrauwen lijfke van marmeren borstjes morgen gaapt in het vroege gras een op maat gedolven graf. Terwijl men je zegent met wijwater blijf ik tussen het klare koren met je dansen.
In de maïsvelden zullen we zorgeloos slapen en de vinnige nachtvlinders van vroeger kus ik van je buikje weg lief gezichtje van olijfjesogen ik volg