KRALEN VAN DE TIJD
alma moens
NetBook nummer 34 van Het Prieeltje Online
ANNOO 2001

Sparren spelden spitse sluiers rond het
gezicht van een labiele novemberzon.
Gracieus leunt door mijn venster
"Het Bloemenmeisje" (van J.-G. Greuze).

Ze weet wel hoe myoop november schrijdt naar herfst,
naar ijzig vreemd verdriet dat vorig jaar
ontdooide in de kuiltjes van haar zere handen.

Gelaten leeft ze gisteren, vandaag en morgen.
Rekent voorbedacht frankskes om in euro's.
Naar dit seizoen ruikt alweer het korfje in h'r handen.
Gemberkoekjes bakken is voor straks.
Bloemstil paraderen
nu,
kamerwaarts
en helemaal alleen.

* * *

BEUK IN OKTOBER

Op zijn ruige rug aaide ik de beuk
treurend alsmaardoor om de oudste
die meedogenloos werd neergehaald.

Bomen zijn als mensen met een hart
dat vaak weesachtig warse weemoed draagt.
Nooit heb ik de boom van zo dichtbij gezien
zo echt en mysterieus op blote voeten
zwarte tenen waartussen zwammen van oktober.
Demonisch hier en daar een hiprood blad
dat zich aan 't vallen waagt en al
vereenzaamd 't stokoud bomenhuis verlaat.

* * *

VANUIT HET DAKVENSTER

Vanuit het dakvenster ieders vage grenzen
volle hagen verwilderde struiken met insecten
en een verkleurde vergeten kruiwagen.

De zandbak door de adem van een
ouderwetse wind uitgeveegd
imitatie van strand wens van schelpjes
kinderschopjes resten van plastic bekers
zandstraat zonder één kind van Murillo!

Zou daarbinnen nog iets voortbestaan
de noen waarin wij onder een vleugje parfum
parmantig spelend met pasgeboren odes
of werd het alledaagse weggeleerd
of zijn het anderen?

* * *

DECEMBER SLENTERT

December slentert slomer
tuinen in.  Bomen leven al de
winter en brosse blâren
vermommen het gras.  Hulst
en sparren fezelen Kerstmis.
Ik hoor de avond vervagen.
Zoek in de donkere mantel van
de tijd herders en wijzen die
het verwachte Kind vredig
willen vieren.

* * *

DRENTELEN

Drentelen in een zwoel bos
langs overreden weggetjes weg van huis
lenige wolken boven stokstijve populieren
van de zon in halve glorie een roze
knipoog op de hete roofing van gerijde daken.

Vlugger vast veld weer langs
met het hoofd tussen de armen richting Bethlehem
anoniem tussen Israëli's en Palestijnen
door de avond lopen
troost bedelend bij de donkere nekken
van lijdzame paarden
langs lauwlate straatjes bedachtzamer
naar huis en binnensmonds prevelen
't Rijk kome onder ons.

* * *

GEDROOMDE AVOND

De daggeluiden kropen binnen
en liggen opgestapeld in de witte
hoekjes van mijn kamer neer.

Oosters mooi hoewel gesluierd
is de zon die toch zichzelf verraadt
achter haar roodste kleed
gefronst aan zilverdraad.

Ik spreek de populieen aan met vogels
als in een koude kloostergang
waar nu al het groen getakt gewelf
onder zijn matte hemel hangt
en afgesloten van de hese stad
zich overgeeft aan een fictieve stilte.

* * *

E-MAIL

Naargelang de winter verhuist, kan
het  voorjaar hip zijn gangetje gaan.
Terwijl de wind afkomst verraadt,
slurpt aan de ruwe rand van platina
plassen, kruipen madeliefjes tussen de
tengere tenen van een bronzen meisje.

Dichtbij scheert hulst dauw van een jeansjasje.
Een buitenkind melkt nostalgisch de veel te
lange uier van een verse parkfontein.
Op de verbannen haan - die zich met moeite
staande houdt - krult gefrustreerd zijn staart;
als een donker vraagteken; als een opgewaaide
sjerp over een rode kam.

Vlug.  Vang de stilte.  Interview deze dag !
E-mail de stad dat er lente is !

* * *

KLAAGLIED LENTE 2002

Overal krolse katten.  Bezeten bezetten ze april.
Er is dè hysterische gil van één meisje
dat doolt in de cirkels van haar verbeelding.
Ze dwalen de iemanden die vreemden verminken.
Er reist water waarin doden verdrinken.
Oost west verstommen elkaar.
Waartoe lazen wij wijze verhalen waarin
saillante signalen voor simpel geluk ?
Wij die de magerste liefde lovely verrassen.

* * *

ONDER DE LAMPEN

Onder de lampen wachten wandelen
onder het toeë dak van beuken in 't park
als onder het pand van een klooster.  

Je horen zien voelen naderen
je vatten bij de rosse revers
van je afgejaarde jas
je dooreenschudden fors dan zacht
en onbewust verlangen dat jij dat jij
daar beheerst bedaard om lacht.

Met blote handen verjaag ik het licht
grijp naar je lenden snak naar je hart.

Voor de vijfhonderdste keer het verleden
willen verbranden maar het tocht overal.

* * *

WACHTEN

Wachten ! Doe ik al lang.
Drentelen bij de achterdeur
of op het trottoirtje voor ons huis
dat veel te hoog
zijn rode ramen opengooit.

Hier onder de berk die zilverachtig
naast mij treuzelt
zijn tengere twijgjes
heel voorzichtig
zo het lage licht induwt.

Wachten doe ik al lang
terwijl ik babbel met mijn zelf
ergens tussen grap en verdriet
ofwel slapend tuimelend door het raam
jonglerend met de lamlendige
letters van jouw naam.

* * *

POSTUUM

Wanneer ik zwijg
is 't om niet te schaden
wanneer ik zeg
is 't om je te beschermen.

Zoals je wist heb ik jouw jaren jouw geheimen
zonder wind zonder licht
langs het kruispunt van mijn eigen stilte
onder een stolp gezet
opdat men onze bescheiden waarheid
niet zou verkwanselen.

Zoals nu vlij ik mij postuum
in het tedere nest van elk vers.

Zó en niet anders
zó zal ik je beminnen.

* * *

BEZIJDEN DE KRIB

Bezijden de krib kijkt Maria
in december de sneeuw met
een glimlach de hemel uit.

Achter het kleed groeien
haar handen tot een witte
kraag boven de Joodse hals.

Buiten kregen herders alle
tijd om de Ster te zingen.

Binnen ligt van arm tot arm het Kind.
Zachtjes fezelen wij voor ons uit
van stallicht
zuiver beddengoed
kannetjes vol melk en de
broze wens voor een lange vrede.

* * *

LANGS HET MARKTPLEIN

Oude mist sluiert grijze torens
zet een stolp over huizen
tovert vreemde lichtjes
aan wagens en fietsen.
Terwijl het gras nog slaapt onder
geelgeherfste bomen zit schuw een
man in een donkere hoek en stofferen
stedelingen het marktplein met
vroege oktobergeluiden.

Ik die vaak koketteerde met later
treur in het steenkoud huis waar
de dingen die jij gelaten achterliet
genadeloos onder mijn handen verslijten.

* * *

ONHERHAALBAAR

Hier treuzelt het licht als de dood.
Ik zoek jouw graf in een dode hoek.
Droom je weer levend zoals vroeger:
vitaal in je grijze jas.  Met de
afgedragen, zwartomrande hoed
die ik maar zelden vond.
Ik hoor hoe je nog slaapt,
een tijdeke snurkt boven het laken.

Alles is novembergrijs.
Het werd veel stiller tussen ons.
Nooit iemand die de weg verspert.
Zo onherhaalbaar trouw blijf je bij.

* * *

STAD! STAD!

Haar centrum bereik ik traag omzichtig
onder de gouden lont van de middagzon.
Blond bloot in een open wagen Marilyn Monroe
die wulpser dan ooit naar iedereen lacht.

Kinderen bij bomen van benzine
wringen straks hun lijfjes dwars
door een bus met een hete buik.

In het park honden met mensen aan de leiband
oudjes langs graffiti banken en een oma
die getemd haar ukkepuk gehoorzaamt.

Ik val voorover op de hete snoet
van een schrokkend grasmachientje.

* * *

CHRISTUS ZONDER KRUIS

Zo hang je aan de vroege wanden
van mijn geest, gespreid de armen,
't lijf naar links gewrongen
door een ruggelings pijn.

Mijn blik gehecht aan 't lanzig
teken in Jouw zij en ruikend
aan het heilig zweet, het
lendedoek gefronst, geknoopt,
verzadigd van een dure dood.

En tastend naar het afgedragen hoofd,
het glad gelaat dat zich ontspant,
vervlakt en bijna glimlacht
in zijn begeerde overgave.

* * *

TUSSEN TWEE TWIJGEN

Tussen twee twijgen vlijt ze
zich parmantig neer de zon
vlakop mijn kamervenster
slurpt ze de lange sporen
van een vroege regen weg.

Met mollige duiven spreek ik
september aan en tel ontelbaar
rode huisjes neergekaveld in
het aardse paradijs
van blauw omwelfd waarin
weer dunne wolken schuiven
traagjes voetloos wandelen
hoog en onbereikbaar naar
een grijsbeslapen horizon

* * *

NU IK ONS ALLEEN

Nu ik ons alleen nog herinner
erf ik een schoot vol stilte die
anders vreemder is dan vroeger.

Dag na nacht draag ik het lichte
rozensnoer uit gave tuinen
van jouw hemelsdiep verlangen.
Bewaar voltooid verleden in
mijn tijd zoals een zachte peer
haar herfstig klokhuis draagt.

Ofschoon ik zwerf en zwerf
en zwerf aan randen van later
zoek ik een eiland waar jij me
als een verloren prins die
sprakeloos zijn weg weer vindt
nog één keer wakker kust.

* * *


IN DE "MANTEL"

De enige kus die ik je vroeg was jouw laatste.
Op mijn zachtst, haalde ik je uit het klamme
nest van Dashwitte lakens.  Pover, blauwkes
aangekleed, mijn Ezechiël van Michelangelo.
Zwarthandig graaide middernacht naar het gareel
van jouw adem en in het berkje, bij het venster,
floot de wind sinister op het weifelen van de dood.

Vermoedde ik niet dat jij eerst zou gaan?
Voorspelde jij niet dat berusting rouw zou
verzachten?
Morgen, overmorgen komen.  Als ik thuis om 't even
welke lade opentrek, verschuiven zich Toscaans,
Bourgondisch en Romeins, jouw ansichtkaartjes met
"Almalief" op de keerzijde.
Zelfs het groeiend zilver van de maan, laat
me donker en diep achter.  Misschien blijf ik huilen.
Ondertussen zwijmel ik je achterna.  Doorheen een
vreemde vallei.  Kapot van verdriet.

* * *

Terwijl de zon haar gouden bedje spreidt
kruipt de avond onzichtbaar op de
stille schoot van mijn kleine kamer.

Het westen kamt zijn rode haren
laat ze krullen op de warme
schouders van de blote hemel.

Bomen worden concave dozen krimpend met
gevangen vogels in hun groene buik
die in zichzelf gekeerd
wachten op een vrije morgen
dan meesmuilen naar de zon
die opnieuw als een schoothondje
heel schuchter op mijn kamermat kruipt.

* * *

IK VOLG

Lief gezichtje van olijfjesogen
van dat frêle fronsje tussen je wenkbrauwen
lijfke van marmeren borstjes
morgen gaapt in het vroege gras
een op maat gedolven graf.
Terwijl men je zegent met wijwater
blijf ik tussen het klare koren
met je dansen.

In de maïsvelden zullen we
zorgeloos slapen
en de vinnige nachtvlinders van vroeger
kus ik van je buikje weg
lief gezichtje van olijfjesogen
ik volg

* * *

terug naar boven