een maand geleden, hieven de Japanse kerselaars hun bloeiende blitse schilden krijgshaftig de hoogte in, maar het getij verliep en de kansen keerden: een barre barbaarse noorden- wind sloeg moordend toe, striemende regenbuien spreidden het strooisel op de stoepen uit; schoenen droegen de opgehoopte derrie overal rond
(09/10 juni 2001)
* * *
IN DE TOEKOMST
Open ligt het boek der toekomst. De begroeting van de morgen en het afscheid van de avond ontplooien vrede in het huis.
Leven en werken in vertrouwen, weten: het einde onvermijdelijk; vuur en licht, haard van veiligheid, de deur der binnenkamer gesloten.
* * *
ALS ZWERFVUIL
Hij komt en keert en stapt de straten op en neer centraal in de gemeente.
Sjofel gekleed, het hoofd gebogen, wandelend in de waan, droomt hij wellicht van een woestijn overzees verleden.
De goegemeente schuwt de man, angstvallig. De roddelmolen maalt zijn leven stuk.
* * *
DE HEMEL SLAAT
de hemel slaat een groezelig schort om het hele revier waar armoe woekert woedend als giftig gras en kwalsterende stegelingen genesteld in enge huisjes huiverend hokken bestendig overtallig
grauwe vrouwen uiten haar ongenoegen bulderend tegen het kroost, snauwen de mannen, drentelend in verveling, af: een stadsgids leidt vreemdelingen rond in de wijk en waarschuwt in vreze: hier huist de heffe des volks - we gaan
* * *
DOORGRONDEND
Het weegt je niet er nog te zijn. Maar in je trots ligt droefenis besloten. Zo liet je de tijd zijn tijd, berustend in je lot. Je fijnzinnigheid berg je weg in stilte. Je weet eeuwigheid zal liefde zijn.
* * *
HOE IK MIJ VOEL
hoe ik me voel?
in de ogen van de oude twinkelt spot dwaallichtjes op een kerkhof
gewoon, jongen ja gewoon
opgeruimd
* * *
EENS IN DE MORGEN
Als bejaarde werk je liefst 's morgens alle boodschappen af. Maar soms moet je toch 's namiddags de straat op. Nauwelijks in de lei zie je in een voortuintje versleten platen liggen, blijkbaar afkomstig van een zinken dakbedekking. De werklieden kan je niet zien, die staan vast achteraan op het dak. Maar je moet die namiddag nog naar de bakker aan het pleintje, op het einde van de lei. Tot bij het pleintje hoor je het gejoel, het schril gefluit snijdt door de lei. Een portabel storend zendertje boort de stilte stuk. In de bakkerswinkel, een besje, gehaakt mutsje op het kopje, allebei verkleurd. Al het lekkers in de koeltoog keurt het oudje, besluiteloos. Geduldig prijs de winkeljuffrouw de waren aan. Een marsepeinen sinterklaas ? Of een in speculaas ? Je verstout je taartjes aan te bevelen. Hier, een met abrikozenjam. Het vrouwtje keert zich om. In haar doffe ogen lees je de vraag: man, waar bemoei jij je mee ?... Ze wil een jong koppel plezieren en weet niet eens of het hen wel zou smaken! Uiteindelijk volgt het oudje de wenk van de winkeljuffrouw en koopt een peperhuisje pralines, die geteld worden of het krenten zijn. Als je terug huiswaarts keert, vind je de lei rustig en leeg als een toneelzaal op maandagmorgen voor de kuisbeurt.
* * *
ONTEIGEND
niets kouder kan je bedenken dan leeg een huis de voordeur op dubbel slot en alle luiken neergelaten
* * *
Ik teken herteken en tracht met schuchtere schaduwwoorden een kleine wereld te toetsen en laat uiteindelijk mijn zwarte sporen in het sneeuwveld dit blad
* * *
UITNODIGING
keer weer naar de tafel en de bank hard blank hout eeuwenoude eenvoud het brood kruimig bruin de landwijn mild
verkwikking in de stilte
* * *
UITVAART
keer weer naar de tafel en de bank hard blank hout eeuwenoude eenvoud het brood kruimig bruin de landwijn mild
verkwikking in de stilte
* * *
DE VREEMDELING
In het volkscafé komt hij op vrijdag elke week opnieuw want vrijdag is zijn feestdag
op een kruk aan de toog helemaal alleen slurpt hij talmachtig krachtige koffie
in het westen verlangzaamt zijn bestaan, de dagen gaan hun karavaan der traagheid
eens wordt hij opzij gelegd een jutezak uitgeschud