GEDICHTEN

Ana Rosetti ( °1950)

MEI

“Terribilis iste locus est...”

Angst was geen doodsbang vogeltje
tussen duistere muren,
ook niet het nachtelijk kraken van het hout,
en niet de maan, die ineens in de kast wegzonk,
of de wind, in de gordijnen gedoken.
Angst was een verrukkelijke duizeling
voor het allerreinste altaar van Mei
en rook naar kamperfoelie en violieren.
Het was een tafelkleed van gesteven linnen
met tokkelende engelen in de zoom.
Het was mijn moeder die het boek der martelaren
vurig en vastberaden opensloeg.
Haar stem, helder als een spiegelscherf,
spijkerde zich in de middag.
“Alfonsus Maria van Liguri verhaalt ons...”
Met geschokt gemoed, in de ban van het verhaal,
hielden we zelfs onze adem in.
De knieën kregen strepen van de harde vloermat.
Onder stilzwijgende goedkeuring
van de hemelse verschijning - met haar loshangende tuniek
van verschoten blauw, het haar golvend
en hard als de zee
en die mooie ogen van een uiterste zachtaardigheid -
overweldigde de lectuur ons,
ontvouwde zijn troebele verwikkelingen.
Nooit konden Poe, noch Bécquer, zelfs Lovecraft niet,
zich meten met de stem van mijn moeder
die vroom en minutieus voorbeeldige straffen
en verrukkelijke verschrikkingen uit de doeken deed.

* * *

Carlos BARRAL (1928-1991)

SILVA VAN SIRACUSE OF BOS VAN PALERMO

Met gefronste wenkbrauwen tegen een mooie naakte vrouw schaken
Je de manoeuvres van de marineopleiding herinneren en je je
verbeelden hoe het strijdtoneel in vlammen opgaat
Verspilde wijn langs de oevers afruimen en als een vogel laten
rondzweven
De sterrenkaart van het zuidelijk halfrond hebben bestudeerd
door de ramen van een lijkenhuis
Je laten bedotten door de Yankee vrouw van een Braziliaans
psychoanalist
Je laten opjagen. Je vergissen bij het schaak van toren en
loper en een nieuw partijtje beginnen.
Zware sigaretten eisen, hoesten en levendig converseren
over de
terugkeer
En zonder heimwee, misschien, veel van een dreigend verleden
houden.

* * *

Louis Alberto de la CUENCA ( °1950 )

Waarin de dichter zijn overvalster
verzoekt schaars in het zwart gekleed
terug te keren

SONNET

Een avond, na de inzameling van de fiches,
vond je mij aan mijn gebruikelijke tafel
en zonder een woord te verspillen ontnam je me
ik weet niet mijn beurs of mijn leven.
Ik herinner me de opwinding van je komst
en, daarna, niets meer. Lieflijk kontrast,
me wel de aangevlamde liefde te herinneren
en de grootte van de wond te vergeten !
Dood of levend, als jij meer geld wilt,
loop dan even binnen bij een lingeriewinkel
en besprenkel je huid met donkere zijde.
Ik ga je namelijk de hele wereld geven
als je mij in het zwart overvalt, mijn liefste,
en me overweldigt met je nacht en zinnentuimel.

* * *

Luis Alberto de la CUENCA ( °1950 )

OP EEN THEMA VAN J.M.M.

Ik wil niet gelukkig zijn. Ziek ben ik
van al het geluk dat ik kreeg. Het verveelt me
dat de mensen van me houden en de goden me
beschermen. Ik wil van feesten geen middelpunt
meer zijn en zie af van al de macht
die geld en afkomst bieden.
Ik wil je niet naast me zien, in de cabine
van mijn auto, vergulde en glimlachende
waarzegster van mijn geheimste wensen.
Het amuseert me niet meer dat mijn vrienden
de blankheid van je handen uitbundig prijzen.
Ik walg van overwinningen, de reizen
naar het hiernamaals, de dolk van het vernuft,
de liefde, de tuin der lusten.
Ik wil de matte troosteloosheid
die pijn met zich meebrengt, en wanhoop.
Al dat geluk bij elkaar maakt me doodziek.

* * *

Leopoldo Maria PANERO (°1948 )

DAGBOEK VAN EEN VERLEIDER

Het is niet je schede die ik in jouw kunnen zoek
maar de vervuiling van je ziel:
wat nog niet heeft geleefd
met alle modder van het leven
ontmaagden.

* * *

Jenaro TALENS ( ° 1946 )

GRAFSCHRIFT

tondel hebben ze van me gemaakt uit onzichtbaar vuur
Francisco de la Torre
Ik was een oude troubadour, en vertelde verhalen.
Mijn naam zegt jullie niets.
Ik vertel alleen wat ik deed
omdat dat mijn verzen uitvaardigde
niet mijn kleingeestige leven,
met zijn verdriet, en nietigheid.
Dat stierf met mij, en hier ligt het,
naakt als ik, onder deze steen.

* * *

Anibal NUNEZ (1944-1987)

DE TIJGERJACHT IS NIET ZO ALLEDAAGS IN INDOCHINA

De tijger richt niet zoveel schade aan
als voorheen: op het geweervuur
van onze karabijnen trekt hij zich geschrokken terug;
en trouwens biedt het grote aantal wilde
buffels dat er in de jungle loopt
de katachtigen overvloed aan voedsel
Hoewel ook de honden van de jagers
hen af en toe als prooi dienen...
en een enkele Annamiet op een te riskante wandeling
Daarom heerst er in de kolonie
de mening - min of meer juist - dat als
men op jacht gaat het gezelschap
van een inboorling raadzaam is:
want als er een tijger verschijnt
prefereert hij de inboorling als aas.

*

VEILIGHEID IN VERSCHILLENDE HAVENS

Langs de zee die onze strandhut overspoelde
en op de zeekaart die in je kamer hangt
bakent een stippellijn de zone af
waar het verboden is je anker
uit te werpen zolang er mijnen zijn
en het postuum gevaar bestaat dat de liefde ontploft.

* * *

RAMON IRIGOYEN (° 1942 )

DICHTKUNST

Every poem an epitaph (T.S. Eliot)

Is een gedicht geen steen naar je hoofd
- en dat tegen de slaap -
dan is het een lijk van dode woorden
als het geen steen is
die zich uit trefzekere slinger
in de slaap boort
en er al een dode gevallen is.

* * *

JEAN LUIS PANERO (° 1942 ) : TWEE GEDICHTEN

VOOR HET STANDBEELD VAN DE DICHTER LEOPOLDO PANERO

Dichtende zuipschuit als Darfo,
zo omschrijft Oreste Macri je
in de laatste druk van zijn bloemlezing.
Natuurlijk onthult hij niets nieuws,
de kwestie van je drankgebruik zette tongen eerder in beweging
en bovendien is de vergelijking met Darfo nogal eervol.
Ook werden je heldendaden in bordelen bekommentarieerd
en plegen enkele vrienden ze aan te halen
opgesmukt met schilderachtige details
( maar dat had je best wel geamuseerd).
Wat de heftige uitbarstingen van je opvliegende aard betreft,
waartoe melding gemaakt van wat we allemaal wel weten.
Niettemin, voor de geschiedenis ben jij reeds:
een oude Christen, ridder van Astorga,
onvergetelijk echtgenoot, verdediger der rechtvaardigen.
En ook in dat alles steekt een element van waarheid.
Ongetwijfeld was je een zeldzaam mens en gesoigneerd persoon.
Rood voor de een, vriend van Vallejo, veroordeeld in San Marcos,
en fascist voor de ander, vriend van Foxa, Franco-gezind. "De trouweloze horde
der Panero's,
de nachtegaalmoordenaars",
zoals Neruda toornig schreef.
En je laatste jaren - korpulent en skeptisch -
met je Engelse pakken waar je zo op gesteld was
en je whiskey in de hand, werkend voor een Nooramerikaanse firma.
En jaren later heilig verklaard in tijdschriften en boeken
(behalve Macri's vermelding), tal van huldeblijken
en de Leopoldo Panero-straten
en de Leopoldo Panero-gedenkstenen
en de Leopoldo Paneroprijs
en de Leopoldo Panero-school
en je beeltenis te midden van andere roemruchtigen
aan de plechtige muren van het gebouw van Het Genootschap van
Letterkundigen
en tenslotte dit standbeeld van Leopoldo Panero
dat ik op een ijzige namiddag sta te aanschouwen
terwijl het in de verte op de Teleno regent.
Werkelijk, ik zou wel eens willen weten,
staande tegenover jouw nobele kop van Romeins patriciër,
of de doden enigermate hun gevoel voor humor bewaren
en of jij, "geworteld dichter" "dichter van de hoop"
" gentleman uit Léon" "mens met een mysterie"
"vooraanstaande bard" "glorie van onze letteren"
etc., etc., etc....
(wat elke stommeling kan schrijven)
met je stenen boek op de knieën
en je verzonken ogen - ongemeen figuur -
of jij ironisch en afstandelijk kunt glimlachen
met jouw op voorhand verloren strijd in je achterhoofd.
Dat wens ik je niet zonder zweem van afgunst toe
- in Spanje is doodzijn een benijdenswaardige luxe -
op deze avond in je huis terwijl ik me een whiskey inschenk
waar in het zware glas van veelbekrast kristal
de hooggeschatte alcohol en jouw eerstgeboren zoon
( uiteraard minder hooggeschat ) op jou
- ik maak geen gebbetje - hun welgezinde toast uitbrengen

*

UN ETRANGER

Het geeft je een zekere melancholie,
een decadente treurnis - een literaire natuurlijk -
net als sommige liedjes uit het interbellum
of bepaalde verloren bladzijden van Drieu La Rochelle,
zo'n man alleen te zien, afgezonderd en ongenaakbaar,
aan de toog van een internationaal opgetutte kroeg.
Op die wat onbestemde leeftijd, vaag als het licht om hem heen,
wanneer iemand niet meer jong is en ook nog niet oud
en zijn nederlaag toch al in de ogen getekend staat
als hij met een bestudeerd gebaar zijn sigaret aansteekt.
De vele grijze haren en vele bedden,
'n nadrukkelijk buikje door het Engelse overhemd nauwelijks verdoezeld,
het beven, nauwelijks zichtbaar, van zijn hand om het glas,
maken deel uit van de schipbreuk, eb van het leven.
Een man die wacht, wie zal zeggen op wat ?
en die al inhalerend, met uitgedragen onverschilligheid
kijkt naar de flessen voor hem, naar de in een spiegel weerkaatste gezichten,
alles met de specifieke onwerkelijkheid van een foto.
En het is zelfs iets treuriger nog, diepe onderdrukte zucht,
in de bodem van het glas - magische kaleidoscoop - te zien
dat jij, onontkoombaar, die man bent.
Dan blijft je niets dan een skeptische, afstandelijke glimlach,
- al vroeg aangeleerd en na jaren nog bruikbaar -
dan je glaasje met flinke teug te ledigen
de rekening te betalen terwijl je een taxi belt
en met banale woorden afscheid van jezelf te nemen..

terug naar boven
Copyright © 2004 't Prieeltje Online. All rights reserved.
Webmaster:
Henri Thijs
Dagboek van een verleider