Nachtsilene

Een kalken maan sluipt in een grote
boog om het huis met de stallen heen
en de stille nacht versteent de vonken
uit de schoorsteen tot zwart marmer

Twee mensen in een ruimte vergeten
begrijpen elkaars blikken niet, zij kan zich
voor het voorjaar verstoppen, hij poogt
de nachtsilene te ruiken, anders niets

Twee hoofden bijeen, de ogen toegedaan,
zoals twee paarden in de mist staan te
smoezen in de wei, zo ademen zij om
de beurt lege spreekwolken naar elkaar

De nacht gaat als een trouwe hond
aan hun voeten liggen en strekt
de uren verlangend uit, kleuren
verbleken, dingen worden naamloos

Of is het helemaal de leegte, zichtbaar,
zoals in een aquarium vol dagelijks water
de vinnige bewegingen van de vissen
herinneringen in slow motion vertragen?

Of wordt de duisternis klappertandend,
als een glazen stolp over het landschap
heen gezet en verstommen de bewoners
met hun lege woorden van alledag?

Of stelpen bibberende handen de wonden
tot de morgenstond en zal in geen tijd
een stakerige hond zijn amechtig geblaf
afstaan aan een kraaiende haan?

In het spinsel van de donkere dagen
lijkt de dichter in de man dronken
van zijn eigen verzen en in het licht
van het eeuwige lezen valt hij in slaap

De vrouw, lezeres onder de lamp,
licht ingesponnen in een web, leest
zich bloot in zijn gedichten, met in het
verschiet zijn taal van papier en huid

Volle dagen tellen de rode manen,
rode manen drogen de strenge rozen,
strenge rozen sluiten de droeve winters,
twee droeve mensen tellen hun dagen

Buiten lijken sterren waterige ogen,
haar lichaam is een uitvergroot landschap,
gevangen in de kruipruimte van zijn
bestaan dicht de man verzen voor haar

Vlammen van fluweel flaneren op
hoge hakken over de houtblokken,
op de hijgende tonen van een saxofoon,
krassen makend op haar trommelvlies

De vrouw stopt met lezen en dwars door
de muziek heen luistert ze naar zijn
volzinnen, is ze op zoek naar
herinneringen
waarin geen hunkering bevroor

De man droomt zich een jonge vrouw,
vloeiend dansend, zacht neuriënd zwiert
ze om hem heen, hij kan haar gestalte
niet vatten in betekenissen en klanken

Ze heeft een schitterende zilveren
jurk aan, in het licht van de volle maan
lijkt ze een kronkelige rivier die door
een laaggelegen landschap loopt

Haar lichaamslijnen komen hem
niet bekend voor, hij kan ze niet
vertalen in een bekende naam, maar
hij noemt haar Vrouwe

Vrouwe noemt hij haar, haar beeld
dat zijn innerlijke rust teistert, is zo
sterk, heeft zulke scherpe contouren,
dat het een dwingend visioen wordt

Wat er precies met hem gebeurt,
weet hij niet, verwoorden kan hij het
niet, maar hij moet deze bezwerende
voorstellingen ondergaan, hij luistert

Eerst klinken uit het onderaardse
vermolmde gezangen, oeroude
morsige noten vergroeid met uit
het diepe opgegraven lettergrepen

Terwijl, trots als een koningin legt
zij haar majestueuze kledij over
een goudkleurige stoel met
krulpoten, ze stapt uit haar slipje

Dan, behept met profetische gaven,
spreekt ze hem van een onbezonnen
zon, van onschuldige stormvlagen,
van een brakende branding

Zijn hoofd hangt aan lange lokken,
hogepriester van de drank weet hij
niet wie hij is, hij waant zich
een god met een onttroste banaan

Haar oren mijden de twinkelende
liefdesliedjes van de parkieten, hij dicht
haar koude gedachten toe, ze smeulen
als houtblokken in een open haard

Onrustig wordt hij van de innerlijke
drang te willen kijken, bang wordt hij
van het idee dat hij haar bij het eerste
oogcontact voor altijd zal verliezen

Panisch van de onverzettelijke gedachte
dat ze met haar ravissante glimlach plots
voor hem staat, dat het mislukken van
een ontmoeting met haar op handen lijkt

Elke droom is leeg, niets blijft hetzelfde,
alles verandert zoals het is, de nacht
geeft geen krimp, de morgen gaat bevallen
van een gezonde dag die niet ademt

Twee levensgrote lachspiegels lijken
tegenover elkaar gezet met de beeltenissen
van beiden als levende transparante
affiches op het glas gelijmd

De vrouw en de man staan onbeweeglijk
tegenover elkaar, ogenschijnlijk
onbewogen,
zoals twee clowneske fotomodellen
zouden poseren in harkerige houdingen

Hun lichamen herhalen zich tot in het
oneindige, worden alsmaar kleiner, tot
deze in een ver punt in de spiegels
verdwijnen

De man ziet, haar blauwe ogen zijn
weg, de diepte in haar oogkassen heeft
geen bodem, de zwarte gaten in haar
hoofd
zijn spelonken waar hij in kan kijken

In zijn handen is haar hoofd een
verrekijker, hij kijkt door de donkere
openingen, zij danst in de diepte als
een zeemeermin op een bal masqué

Dan blijft ze enkele tellen bevroren
staan, zij staart ogenschijnlijk voor zich
uit en tart in haar onbeweeglijkheid
elke onafwendbare voortgang van de tijd

Hij ziet dat ze tenger is, te mager
bijna, haar kastanjebruine lange haren
hangen in een paar slierten los over
haar kleine borsten

Met zijn bibberige handen voelt hij
aan haar gloeiende gezicht, de dunne
lijnen van haar hoofd lopen uit tot
dikke zwarte verfstrepen

Hij drijft zijn kromme vingers
in haar vochtige vagijn, zij wordt
luidruchtig, grof in haar hybride
taaluitingen, dierlijk haast

Bij elke beweging wordt het beeld
in de spiegel uitgerekt, in elkaar
geperst, bij elk gebaar tot een
groteske ovale vorm geboetseerd

Haar oplichtende gestalte, haar gebinte
beweegt traag tegen zijn huid van
craquelé, zijn wig geraakt in willig
niemandsland, plankier dat kraakt

Zwijggeld geeft hij haar en een uitweg
door zijn mond, ademnood krijgt ze,
vanwege hoogtevrees in de wolken
moet ze haar grimas verlaten

Haar ogen komen uit de donkere
gaten tevoorschijn, ze worden naar
buiten gedrukt, zo ver mogelijk,
ze dreigen eruit te vallen

De vrouw wordt een poppenkastpop
met een pokdalige huid van papier
maché, de uitpuilende ogen tollen
op hun plaats blijvend rond

De man rukt weifelende woorden uit
haar hart, haar ogen gaan als mosselen
open voordat zijn uitgebluste zinnen
zwijgen in alle toonaarden

Een geur van onbekende bloemen
valt op hem neer, kleeft zich vast
aan zijn huid en dringt door de poriën
zijn lichaam binnen

Hij probeert onder haar blik weg
te kruipen, dat lukt niet, ze lacht,
schatert, vastgebonden voelt hij zich,
vastgeketend, verankerd, versteend

Haar beeld wordt door haar holle,
hikkende lach weggedrukt die als
in een bloedstollende film ingeblikter
gaat klinken tot ze wegsterft

Het is voorbij, ze verhangt zich
in het skelet van de nacht en lacht
eeuwig minzaam naar de man,
haar clown van het avondcircus

Hij maakt in zijn herinnering een
plek leeg om de droom te vergeten,
de plek wordt een lege stilte, niet
het ogenblik waarop, niet de plek

Een deur op een kier wenkt hem
binnen, in een kist ligt een gezicht,
dat een tandeloze mond naar binnen
vouwt, de vrouw, in haar stilte van goud

De vrouw, in haar stilte van goud,
haar ogen puilen steeds verder uit,
ze worden naar buiten gedrukt tot
ze als tranen over haar wangen rollen

Zijn droom verwarde zien met kijken,
hij, die nooit zei dat een bestaan wortels
heeft, krijgt hier meer dan levenslang
en haar landschap ligt er ingetogen bij

Hij is nog maar net alleen met zijn
gedachten weg van hier, hoe het zal zijn
en hoe het verder zal gaan met haar
en hoe het verder zal gaan zonder haar

Het salvo klinkt, het sterft weg, geeft
witte krassen in de blauwe lucht,
die ochtend nog was hij opgepakt, kwam
hij onberecht voor het peloton terecht

En hij dacht nog hoe hij zich redden zou
en hoe ze hem zou vergeten
en hoe hij haar vergeten zou en vergeten
in zichzelf was hij al vergeten

Doodstil trilt het licht de dag open,
over de ontbijttafel heen tinkelt
zijn groet als gif op haar schilferige
lippen, de vrouw zwijgt

Twee mensen in een ruimte vergeten,
begrijpen elkanders ogen niet, zij kan zich
voor het voorjaar verstoppen, hij poogt
de nachtsilene te ruiken, anders niets

Pluchen ijsbloemen op de ramen,
de vrouw leest met nagels gedachten,
krast rimpels in een gewolkt gelaat,
tekent een karikatuur van hem

Nog huist hij overal in huis,
controleert verzen, geld en bed,
zij, droom van een droom,
lijdt aan de stilte die haar treft

Dat liefde langer duurt en naar
bloemen geurt, weet ze niet, haar
initialen zijn in de bast van een boom
gekrast, nooit in steen gebeiteld

Kreunend vuur uit een drakenbek
dreigt dichterbij, geluk wordt slechts
mondjesmaat aangereikt, niet gegeven,
zij is al langer dan gevraagd gebleven

Het verleden lijkt een ver land, licht
schildert het spinsel in haar hoofd,
het heden is spoorloos verdwenen,
diffuus zijn de grenzen van verlangen

Twee droeve mensen vertellen hun dagen,
de strenge rozen sluiten de droeve
winters,
de rode manen drogen de strenge rozen,
de volle dagen tellen de rode manen

Het beest in hem treedt in de sporen
van haar aanwezig zijn, zoekt kruimels
van haar kinderstem, snippers van haar
kinderspel, ritmes van haar hinkelspringen

Het monster, in mooie woorden verpakt,
komt in vlammen met haar adem binnen,
zij kan slechts zinnebeeld en kleur, geen
nieuwe taal van papier en huid verzinnen

Een windhoos van melancholie bedekt
bij vlagen de ontbijttafel, de penetrante
geur van pickwickthee wekt herinneringen
aan de nacht tevoor, de vrouw vertrekt

Kiezels worden al langer in de aarde
gedrukt, maar nu slaan haar voetstappen
kraters, sinds de man een mombakkes
draagt
spreken haar loden gebaren boekdelen

Droomuitleg wordt niet met gepaste
munt betaald, niet met woorden zonder
handschoenen, niet met de kaarten bloot
op tafel, maar met een nieuw gedicht:

De zon schroeit na twaalven
een zorgeloze middag dicht,
een jonge tomeloze zwaan vliegt
op, vouwt zijn vleugels open

Zijn slagschaduw schiet
schielijk van hem weg,
speelt met hem een spel,
onnavolgbaar, in het licht

Een jonge vogel blijft onder
dit vuur ongeblakerd wit,
ouder vermomt hij zich als Icarus,
vliegt hij hoger, wiekelt, bidt


terug naar boven
NACHTSILENE van Herbert MOUWEN
Netbook nummer 31 -  Het Prieeltje Online
Copyright © 2004 't Prieeltje Online. All rights reserved. Webmaster: Henri Thijs