BALLADEN VAN DE BERG - 10 Albanese dichters vertaald naar het Engels van Dr. Robert ELSIE door Henri Thijs
GEDICHTEN
LULJETA LLESHANAKU
MET JOU
Ik wil in een hoek van je mond zitten Als een rots bij een waterval Zodat de maalstroom van woorden mij niet zal wegvoeren. Ik wil in een hoek van je oog zitten Als een lelie ontspruitend in het water aan de oever Met kelken heel klein en onopvallend. Want eigenlijk, wat ben ik ? Een bevroren golf in de ruimte Gerukt uit de oceaan van je borst, Waarnaar jij tevergeefs de handen uitstrekt?
*
ZELFVERDEDIGING
Opgesloten in deze smart Als in een tent van gevangen soldaten Waar al jouw pogingen om te ontsnappen Onvermijdelijk botsen op de borst van iemand anders Die naast jou ligt. Jij kunt nergens heen De sterren als vingernagels van een tovenares Kneden jouw lot in de rook. En jij begrijpt dat er geen andere uitweg is Dan terug te keren naar jouw plekje in het leven En de gaten te tellen in de oude deken Met de hete assen van je voorgangers. In de zware lucht hier Zuigen wij op stukjes van het onderbewuste van elkeen, Van het onderbewuste van de anderen Die als ijsbergen geen grenzen kennen. En verbazingwekkend Hoe al die tijd In onze zielen De leukocyten toenemen.
* * *
Rudolf MARKU
CALIGULA’S PAARD
Het gebeurde dat Calligula’s paard Werd benoemd tot senator. Een eerlijk paard, bijna goddelijk, Het marcheerde majestatisch in de gang, Groette iedereen, zonder onderscheid van rang of stand, Met een beleefde blik, En stapte rechtstreeks naar zijn aangeduide plaats Bescheiden, Alsof het beschaamd was hier te zijn. Het doorzag onmiddellijk iedereen rondom hem, Moordenaars, profiteurs, pluimstrijkers en sjacheraars Het stemde nooit toe In de verovering van andere landen, In de verlaging van salarissen, of het verhogen van de prijzen, Noch nam het enige notitie van hoogdravende speeches, Of applaudisseerde het ooit, maar luisterde naar de toespraken van de redenaars met complete onverschilligheid En het dacht er niet aan voordeel te halen uit zijn positie van senator om dikke boeken te publiceren. Bij gelegenheid, glurend naar de slaperige gezichten van zijn burgers, Kon het wel eens dromen over hoe het vrolijk draven was in de weiden bij klaar bronwater onder een heldere blauwe hemel . Later werd het overweldigd door zoveel verdriet Dat de senatoren het wantrouwig begonnen aan te kijken, En begonnen te fluisteren over zijn wild verleden, het dubieus gezelschap waarin het vertoefde en zijn ongedwongen levensstijl. Niettemin leefde het lang En gebruikte het zijn macht beter dan al de anderen deden, Het is te zeggen: helemaal niet!!
*
IN HERINNERING AAN MIJN MOEDER
Zonder een enkel teken of gebaar Stierf mijn moeder. Zij wou niemand storen, De wereld had al genoeg problemen en zorgen, Zodat zij verkoos op de toppen van haar tenen weg te sluipen. En sindsdien, voel ik mij meer aangetrokken tot het lot van oude mensen, geef hun mijn zitje op de trein of op de bus En voel soms zelfs de lust om hen als kinderen in mijn armen te drukken. Zelfs met volslagen onbekenden, begin ik gemakkelijk een gesprekje, en toon hun mijn idioot glimlachje, En in de winter ben ik bang dat zij een verkoudheid of griep zullen krijgen. Ik vermijd altijd de overlijdensberichten. Ik heb geen behoefte om haar ouderdom te lezen Nu dat ik weet hoe rimpels te ontcijferen En kan peilen naar de magie van grijzend haar. Ik heb de indruk dat op een dag Een brief vanuit de verte in mijn handen zal vallen Met de boodschap: ”Hoe gaat het met je? En de anderen?” Zonder haar adres na te laten Sluipt zij verder op de toppen van haar tenen Temidden van de drukte, de pijnen en klachten van de wereld.
*
REKENKUNDE
Eén plus één Is zelfs niet twee. Welk getal bekom je Als je mij optelt bij jou?
*
OGENBLIK
Op een dag klom ik naar de bergen, de bergen van Tropoja, Naar de duizelingwekkende hoogten die ik nooit had gezien. Beeldhouwer, als je begint te kappen met je beitel, Kap niet te hard, want ik woon in de rotsen.
*
EEN MAN UIT DE BALKAN IN LONDEN
Een man uit de Balkan in Londen is een waterval Die zich stort in de rustige wateren van de Thames. In Hyde Park is hij een berg gestapeld op de ruime weiden, In Trafalgar Square een grijze wolf Die spreekt met de vier slaperige leeuwen, En hun fantasieën opwekt bedorven door de toeristen, En hen opnieuw leert te brullen zoals zij vroeger deden. Een man uit de Balkan in Londen weet goed Dat hij geschaduwd wordt door Scotland Yard (En nog meer geschaduwd wordt in zijn eigen land). Hij is degene die lesbiennes de genoegens Leert van seks in bed met een man. Alfred Hitchcock verbleekt. Sherlock Holmes Denkt aan vroegtijdig pensioen als zij geconfronteerd Worden met de smerige misdaden die de man uit de Balkan opbiecht. Wanneer hij verlangt naar de cafés van Mamurras Luistert hij naar de BBC. Noch het monument van Wellington Noch dat van Nelson interesseren hem, Over de koningin zegt hij: hoe kan zij koningin zijn Als zij elke nacht wordt beslapen door haar echtgenoot? Een man uit de Balkan in Londen is een waterval Die zich stort in de rustige wateren van de Thames.
* * *
Ali PODRIMJA
NEEM DEZE STEEN
Neem deze steen en werp hem Waar je maar wil Als je wil Voorbij mijn draad en stam Voorbij de negen wonden van Gjergi Elez Alia Nagel hem als je wil Metsel hem in Neem deze steen Doop hem of laat hem naamloos Ik heb de tijd en het klimaat veranderd Laat hem zonder land, zonder hemel Neem deze steen en werp hem waar je maar wil Zijn kracht maakt ons onsterfelijk
*
WIE ZAL DE WOLF DODEN (voor F. Altimari)
En de gentleman zei Kom je toevallig Een Albanees en een wolf tegen Dood dan de Albanees En de Albanees die deze uitspraak hoorde Begon te glimlachen Terwijl hij rustig een sigaret rolde Als je mij doodt mijn arme vriend Wie zal dan De wolf doden?
*
OP WEG MET WOLVEN
Zwerven met wolven kan zeer boeiend zijn Als je vertrekt naar het Woud Ontdek je je werkelijk gelaat De uitstap kan langer duren dan de jaren van je leven het kan gebeuren dat je er recht doorheen galoppeert Hij die de uitstap met hen niet gedaan heeft Weet niet wat vrijheid is Of het hemd van de sterren Je moet je ervan bewust zijn Dat je niet gemakkelijk de deur kunt openen Zonder een arm of een oog te verliezen Niets Valt Uit de hemel
* * *
Dhori QIRIAZI
IK HEB GEZIEN…
Ik heb gezien hoe de arme kleine vogels Ineenkrimpen en bibberen als een storm opsteekt. Enkel de arenden spreiden hun vleugels naar de wind…
* * *
Azem SHKRELI
MASSA
Laat mijn gras groeien over mijn hoofd Over mijn hoofd laat mijn gras groeien Mijn gras over mijn hoofd laat het groeien Laat het groeien Laat mijn gras groeien over mijn hoofd
*
BOVEN EUROPA
Avond. Wij vliegen en plukken aan de wol Van de wolken. Beneden ons een wit koninkrijk Azuren triomf. Wij snellen voort en wenden onze aandacht af Grenzen legers kudden Als op de top van de eeuw duwen wij de meeldauw Van de geschiedenis terzijde en de oorlogen alsof zij niet hadden bestaan Een dame schudt de zuchten uit haar zakdoek Ergens over Mauthausen Ik kijk uit het raam. Ik weet niet waarom ik lach Terwijl ik langzaam de fles ledig met mijn vriend Wie zal daar geboren worden onder ons vannacht Handelaars? Sartre? Generaals? Avond. Wij vliegen. Beneden ons Dommelt het denkend Europa in over ernstige aangelegenheden Slaap verder wijze Dame ik heb nooit gepiekerd Over jouw grillen die de mijne niet zijn.
* * *
Xhevahir SPAHIU
GESCHIEDENIS
Het bloed druppelde en schoot wortel in de steen, Wij veegden het bloed van onze zwaarden met onze dikke witte flanel, Als wij geen wapens hadden Plukte wij er een uit onze ribben En maakte er een zwaard van.
*
DE AREND
Op een dag daalde de arend neer Uit de azuurblauwe luchten Op de vlag. Het hart zei tegen de hand: beitel! En de hand beitelde het in steen. De arend drong vanuit zijn nest in de bergen Binnen in het firmament van een lied. Drong binnen in de borst van de held En verving het hart.
*
ZONDAGTAXI
Aan het station onder de pijnbomen wachten Zevenentwintig taxis in stilte in de regenachtige nacht. Morgen zullen zij de stad weer doorkruisen Als de regendruppels op mijn bruine jas. Welke uitstappen staan hen te wachten? En waarover dromen zij, Deze taxi’s slapend onder het neonlicht? In hun metalen dromen mengen zich de overpeinzingen Van levens die morgen elkanders pad zullen kruisen. Sommige zullen echte verliefden mogen vervoeren, In andere zullen de slachtoffers van pooiers misschien wenen. Als ik wist in welke taxi de tranen zouden rijden zou ik mijn lichaam onder de wielen gooien om hem te stoppen.
*
DE VOSSEN
Op een avond was ik de cipressen aan het bekijken: Mooi, Elegant. Plots leek het mij Dat vossen schuilden onder de grond Want ik zag de wind hun staarten bewegen… Waarom dacht ik nu aan jullie, vossen? Misschien omdat cipressen altijd geplant worden Kortbij idolen, Kortbij tempels.
* * *
Agim VINCA
EEN DICHTER WORDEN
Een oasis zijn in de wildernis, Vergeet niet dat er vele dorstigen zijn in deze wereld. Een lantaarn zijn in de duisternis, Vergeet niet dat er vele blinden zijn in deze wereld. Een schip zijn in de golven, Vergeet niet dat er vergeten massa’s wachten op de oevers. Varken zeggen tegen een varken en Socrates tegen Socrates En jouw deel van het gif drinken. Een open brief schrijven naar de Heer en al de zonden vermelden. Je eigen graf delven op de hoogste bergpiek En veranderen in een lichtende stok.
*
BIOGRAFIE VAN DE WORTEL
Wie weet wanneer je werd geboren, In welke eeuw, op welke plaats? Wie weet wanneer je opgroeide, Op welke heuvel, in welk dal? Niemand kan jouw leeftijd meten, In jaren, in seizoenen. Teams, Experten zoeken tevergeefs. Je bent zoals het leven zelf. Jouw takken, Twijgen, Knoppen groeien. Jouw stam verdikt als een saus, Jij verfijnt de smaak Zonder je te bekommeren om theorieën, oorsprongen, Expertises, diagnoses … Een sterke wortel. Koppig. Oud. Jong. Vaderland.
*
BALLADE VAN DE DROGE BERG
Er is een berg in het Zuiden Tussen twee meren Die men de Droge Berg noemt. En niemand weet hoe het komt Dat deze berg Kan droog blijven omringd door het water Vlakbij is een weide Met de angstwekkende naam De Weide van de Tranen En niemand weet hoe het komt Dat deze berg Kan droog blijven temidden van de tranen Er is een berg in het Zuiden Tussen twee meren die men de Droge Berg noemt En niemand weet hoe het komt Dat deze berg Altijd dorst lijdt temidden van het water Droge Berg Geen gras, geen bomen, geen vogels Dood voor de levenden. Zoals een menselijk wezen Verdord van verlangen.
*
DE NAMEN
Voor onze kinderen Hebben wij mooie namen uitgekozen, Goede namen: Drilon, Shkumbin, Gramoz, Korab, Valbona... Moge zij vloeien achter ons Zoals onze rivieren, Moge zij rijzen boven ons Zoals onze bergen.
*
MIJN DODEN
Eerst stierf mijn moeder, Daarna mijn zuster, Nu onlangs mijn vader. Ik word moederloos Zusterloos, Vaderloos achtergelaten. Maar we zijn terug samengekomen. Ik kan niet leven Zonder mijn doden, Ik wil dat niet, En zou ook niet weten hoe.
* * *
Mimoza AHMETI (°1963)
LIED
Moest jij openbarsten Als een vulkaan Maar niet als een bloem Moest jij rijzen Als de zon, Maar niet als een vogel Moest jij vallen Als een weerlicht Maar niet als een blad Dan wou ik De bloem, de vogel en het blad zijn.
*
BINNEN EN BUITEN (MIJ)
Buiten mij Duizelt de hele wereld van oorlog en droom. Maar in mij Weerklinkt zijn stem. Buiten mij Wordt er gevreeën, gedood en bevallen Voor miljoenen. Maar in mij Zijn Liefde Moord Geboorte Even actief
*
MENTAAL ASIEL MET OPEN DEUREN
Jij gaat, jij verlaat ons, Denkend het is "voorgoed" voorbij. Vluhtend uit dit dat het jouwe is, het onze Dat ons mentaal asiel is, Ons geliefd, mobiel asiel Met uiteengereten schedels. O, mijn edele gek, Ik hou zo zeer van jou, Ofschoon ik nooit met je praat, Ofschoon jij ook nooit tegen mij iets zegt En ik je niet kan uitstaan En jij mij niet kunt uitstaan. Maar zo zijn nu eenmaal de rituelen: Wij kijken mekaar nooit in de ogen, En delen zo het motief Om elkaar waanzinnig lief te hebben, Terwijl we lachen van opwinding, En terzelfdertijd De tranen laten lopen over onze wangen. Tranen. Gelijkgestemde lijders Van onze unieke waanzin, Jij die op het punt staat te vertrekken Met de ogen gericht Op een enkel idee O, alleen op een enkel idee, Dat nog nooit is geuit, nooit werd ontdekt En naar mijn gevoel ook nooit zal worden gevonden. Ga weg, vertrek, verdwijn. Van plaats naar plaats, van land naar land... O, wat voor gillende echo's weerklinken er Uit ons asiel Als de zon laat ondergaat in het westen, En het verlangen snakt naar zijn kinderen in het westen... Wat een pijn! Naakte muren... Muren die altijd De horizon belemmeren En boven een oneindige hemel achterlaten. Daar, na middernacht, bedaart het snikken, Iemand praat tegen zichzelf: Niettemin, de Albanezen Waar ze ook mogen zijn, Laat ze doen met hun eigen waanzin.
* * *
Ismail KADARE (°1936)
POEZIE
Poëzie, Hoe vond jij de weg naar mij? Mijn moeder beheerst het Albanees niet goed, Zij schrijft brieven zoals Aragon, zonder komma’s en punten, Mijn vader schuimde de zeeën af in zijn jeugd, Maar jij kwam Aangewandeld op de stoep van mijn stille stad van steen, En klopte bedeesd op de deur van mijn driehoog huis met Het nummer 16. Vele dingen heb ik geliefd en gehaat in het leven, Voor vele problemen was ik een “open stad”, Maar Als een jonge man laat huiswaarts kerend, Uitgeput en gebroken door zijn nachtelijke omzwervingen, Kom ik nu ook naar jou, doodmoe van een nieuwe escapade. En jij, Zonder mijn ontrouw kwalijk te nemen, Streelde zacht door mijn haar, Jij, mijn laatste halte : Poëzie.
*
WAARAAN DENKEN DEZE BERGEN
1
Waaraan denken deze torenhoge bergen Als de zon in de verte ondergaat boven de snelweg? Een bergbeklimmer vertrekt bij het vallen van de nacht, Met zijn lang geweer Dat een mijlenlange schaduw werpt op de grond. De schaduw van het geweer ijlt Over bergen, vlakten, dorpen; Ook ik begaf mij op weg naar de heuvels Met ergens een gedachte In mijn hoofd. De schaduw van de gedachte en de schaduw van het geweer Kruisten elkaar en botsten op de schemering.
2
Zo ging jij altijd op weg, Albanië, Op jouw lange benen En met een lang geweer. zwierf jij rond zonder te weten waarheen, Voorwaarts naar de ochtend van wolken en mist, Grijs en moeizaam, als een gedachte geboren uit de nacht.
3
Uitbarstingen van wolken aten van jouw land En ontblootten het fundament van je kliffen. Zo hebben de eeuwen geknaagd aan je lichaam Tot je pezen en ribben zichtbaar werden. Pezen, pezen en ribben, Slechts keien, rotsen en bergen, Klein vlak land, O, zo klein vlak land Dat door de eeuwen werd verlaten! De eeuwen knaagden aan jou als honden Waar ze je ook konden te pakken krijgen. Wanneer jij ze tegenkwam Vielen ze jou aan, De tanden van de tijd Hapten in jouw heupen, Maar je gaf niet op En bezweek niet.
4
Nooit nam jij het lange geweer Van je schouders, Van je schouders bedekt met wonden, Van je schouders van vel en been. Jij at pekelbrood, Pekel en maïs elke avond, En je bewaarde een beetje vet O, dat beetje vet Voor vrienden en voor het lange geweer, Om het lange geweer te smeren. Vrouwen baarden kinderen, Maar een geweer baart kogels, En beiden zijn even heilig Voor de Albanees: De kogels en de baby’s. Het kind zal morgen achter de ploeg staan En het geweer zal het beschermen ’s nachts. De tijd vuurde kogels over de schouders van Albanië Zoals rijst geworpen over de schouders van een bruid.
5
Het galmen van de klokken In de nacht Weerklonk over de berghellingen. Wat vertelden de klokken, Wat murmelden de priesters Tegen hun hoge kerken Met hun vreemde tongval? Latijnse logica in lange zinnen Probeerde het lange geweer te buigen.
6
En er waren dichters Gezeten op met de hand gemaakte meubels Uit jouw wouden Die, geïnspireerd door jou, Schreven over verdwenen hout En over nachtegalen In de bomen, de voorouders van de meubels, Die ooit hadden gezongen. Zij vergaten Dat er in jouw wouden Waaruit de meubels kwamen Veel wolven waren En weinig nachtegalen.
7
Stormen, koorts, malaria, verwoestten jouw lichaam, De priesters en de mullahs Maakten jou doof. Zoals Saturnus, Verscheurde jij jouw kinderen uit bloedwraak, En aan deze wraak schonken de minaretten en de klokkentorens Hun zegens.
8 En moedige vijanden knaagden aan jouw boorden, Knaagden aan de bleke, blote schouders van ons geboorteland. Het land verrees wankelend, Met ogen gloeiend van honger en koorts En, zijn honger vergetend, Ijlde het voort in de nacht om zijn grenzen te meten, Met een voetmeter? Met een tuinstok? Neen, Met het lange geweer.
9
Jouw eerste contact met uitvindingen, Met de nieuwe technologie van de beschaving, Was met de types en kalibers van nieuwe wapens, Die werden getest op jouw verwelkte, met kogels doorzeefde borst. Na het gevecht Bleven alleen de eenzame graven van de bergbeklimmers over, Heuvels van melancholie, Eenlettergrepige namen, Voor een lange tijd Niets dan een hoop stenen En, in plaats van bloemen aan het hoofd, Een monotoon lied Gezongen door de stam, Een monotoon lied. En naast de lange ledematen Viel het geweer weg, het lange geweer. En achter de lange ledematen Viel de korte naam weg, De letters vielen af Als dennenknoppen in de regen, En na al het overige Stopte ten slotte ook het lied, Het monotoon lied van de stam.
10
En weer opnieuw kromp Albanië ineen in een hut In haar donkere mythologische nachten En probeerde op de snaren van een luit Iets uit te drukken van haar onbegrijpelijke ziel, Van haar innerlijke stemmen Die zachtjes echoeden vanuit de diepten van de epische aarde. Zij probeerde iets uit te drukken Maar wat kunnen drie snaren Onder vijf vingers bevend van de honger uitdrukken? Er zouden honderden mijlen snaren nodig geweest zijn En miljoenen vingers Om de ziel van Albanië uit te drukken!
11
Als een werd neergeslagen op de heuvelrug Rees er weer een ander elders, Als uit de aarde – De uitgemergelde Albanees, En bovenop zijn lichaam, Als een ijzeren lid Rees in het zwart Het lange geweer. Met het geweer in zijn hand, Zwierf hij door deze streken, Over bergen en dalen. Het geweer maakte hem groter, Ofschoon het vaak zijn leven verkortte. Kauwend op legenden in de vriesnacht, Uitgehongerd, at jij je eigen liederen, Albanië. Jij werd overmand door slaap, Gebogen over de ploeg bij valavond Onder de donkere hemel En je droomde van o zo weinig vreugde waarvan niemand ooit had gedroomd. Jij droomde Van een snede brood, Van een lepel pek. Je droomde van pek en brood En van een beetje, o een klein beetje vet Om te delen met het geweer. Jouw huwelijk lichtte op In het midden van jouw ellende, Vol van zenuwen, trommels, ruzies En een beetje plezier, Het beetje plezier waarvan je droomde achter de ploeg.
13
De nachten baarden morgens, Zwaar en grijs; De dagen vervloekten de nachten, De nachten vervloekten de dagen. Albanië in haar ruwheid Baarde mooie kinderen, En plantte in ieder kind Een droom, een hoop. Met haar verwelkte borsten Schonk Albanië leven, Werden in haar schoot soldaten geboren, Die later onder het zingen van de Brug over de Kaaba Stierven in het zand van de Sahara.
14
De zonen die jij zond naar de steden van Europa, Om vreemde geneugten te kennen, Keerden Een voor een terug, Om een verdrietig land te vinden Waar de wolken waren geladen met gele regens. De monarchie verbrijzelde als een steenhouwer hun dromen. Zij kwamen toe Met koffers vol illusies Onder de schaduw van minaretten, kloosters, En zwierven rond in herfstige waanvoorstellingen Tot de aarde hen terug drukte aan haar boezem En zij vergingen in het monotoon lied van de regen.
15
Vroege vruchten zijn duur in prijs, Maar ook vaak vernield door vorst. Albanië plaatste ze terug in haar boezem “Het is nog te vroeg” zei ze, bij het zien van het gedempte licht van de dageraad.
16
En weer opnieuw boog zij zich over de ploeg En zaaide ze haar bittere tranen in lange groeven. Onder een sombere hemel van eindeloze onwetendheid Zaaide zij haar tranen Voor de komende regenbuien en stormen.
17
Amen ! De priesters en een paar suffe dichters doemden op Om abstracte genealogische glories te verkondigen, Maar jij trapte op de traditionele wetten met Je blote voeten en kraste in hun poëtische figuren. Alsof je zo een naïeve schoonheid waart Sponnen de verraders jou in hun netten Roepend: “ Maak je geen zorgen, Het geeft niet dat je geen voedsel hebt, We zijn het door God verkozen volk,” Terwijl jij een figuur tekende onder de sterrren Jouw beeld van vuile, smerige pijnen.
18
De dichters schreven hymnen voor de feeën en de nimfen, Die zichzelf aan het ontluizen waren in de stromen. Men kon de ribben tellen van de feeën en de nimfen Die, voor een paar geldstukken, zichzelf aanboden in de struiken. Toevallig slaagden de feeën en de nimfen erin Om hun epische alpiene weiden te verlaten En een voor een af te dalen Naar de dorpen En, een voor een, kwamen zij terecht In de bordelen, In de bordelen die lagen bezaaid Op de lusteloze bergkammen Als wonden Als hoon.
19
De nimfen vertrokken En lieten de mythen achter. En de mythen begonnen De mythen leeg te halen. De mythen, De laatste graanschuren van de natie, Keerden terug naar de verlaten kerken. Want de mythen waren, zoals de mensen, hongerig, En leefden in grote armoede, Groter nog dan elke andere, In een eeuw waarin de winden van de verveling floten Over verlaten mythische vlakten.
20
In het paleis gaf Koning Zog nachtelijke bals, De prinses glimlachte, De dansers walsten. In de stille cellen van de koele kloosters Studeerden de priesters verbuigingen. Het orkest speelde lustig verder In Café Kursaal, De oudere matrones poeierden hun neuzen, Terwijl zwanger Albanië Een miskraam kreeg van dagen Op de bloedbevlekte lakens van de wolken.
21
En de bergruggen waren stil als paardenkaravanen, O, wat voor karavanen dat zij waren, Deze bergruggen! Zij wachtten urenlang, Dagenlang, Maandenlang, Op iemand die hen zou leiden naar het groot gevecht, Op iemand die hen zou leiden naar een nieuwe wereld, De bergruggen wachtten met hun hoofden in de wolken.
22
Er waren er die probeerden te rukken aan de bergen, Zoals aan de halsters van paarden En leidden hen een beetje naar beneden op de weg, Maar in de duisternis verloren zij hun weg. De formidabele bergruggen zwierven in cirkels Door de nacht en de nevel, Blind, Doodsbang. Alsof opgeschrikt door een tragisch gegil van ouderdom, Hinnikten de bergen in hun dromen.
23
En zo draaiden zij rond in cirkels zoals een karavaan in de woestijn, Tot zij weer tot rust kwamen, Tot de dageraad, de burchten, honger, de epische legenden Weer op hun ruggen sprongen, En met hen Ook de bordelen. Maar de kalmte was bedrieglijk, De lange bergkaravanen waren aan het wachten, Aan het wachten op een leider, Albanië was aan het wachten Op de Communistische Partij.
24
Waaraan denken deze torenhoge bergen, Deze mysteries van ruggen die zich uitstrekken van noord naar zuid? Ik vervolg mijn weg In de schaduw van het lange geweer, Dat lange geweer: Jouw Schroef van Archimedes, Albanië. Door het vizier van dit geweer Observeerde Albanië de horizonnen en de tijden, Het eenzaam gefluit van zijn musket Dwong de eeuwen om weg te duiken. Dit geweervat Op de rug van Albanië Is daar gegroeid als een lang scherp been Overgeplant in zijn rug door een moeilijk lot, Een verlengstuk van zijn ruggengraat, Dit ontzagwekkend ijzeren lid, Een trots atavisme van vroegere tijden. De onverschrokken Albanees heeft de eeuwen doorkruist, Met het lot op zijn rug, Heeft hij zich voortgesleept op zijn oude sandalen Doorheen het eeuwig land dat de graven van zijn voorvaders herbergt. Dit land dat meer heroïsme Heeft voortgebracht dan graan in de eeuwen, Dit land… Dat is waaraan deze torenhoge bergen denken, Als de zon in de verte ondergaat boven de snelweg. (1962-1964)
* * *
Sabri HAMITI (°1950)
DE DOOD VAN DON QUICHOTE
In de literatuur wordt ons verteld Dat Don Quichote, na veel boeken te hebben gelezen, Uit zijn bibliotheek naar buiten rende En binnentrad in zijn eigen leven. Zijn eindeloze avonturen Behoren tot de letterkunde, tot het sublieme, Niet tot het ware leven. Don Quichote heeft een huis vol boeken Het grootste in de stad. Hij heeft een stentorstem: Praat al de tijd, zonder ooit te luisteren Naar de waarheid! En de boeken op de rekken Bijten op hun tongen En blijven zwijgzaam. Meegesleurd door hun eigen gewicht Breken zij de rekken En vallen op het hoofd van de jonge Don Quichote, Die ze bedelven en verstikken. Het overlijdensbericht in de krant meldt “Dat hij stierf aan zijn schrijftafel”.