Copyright © 2004 't Prieeltje Online. All rights reserved.
BALLADEN VAN DE BERG - 10 Albanese dichters vertaald naar
het Engels van Dr. Robert ELSIE door Henri Thijs
GEDICHTEN

LULJETA LLESHANAKU

MET JOU

Ik wil in een hoek van je mond zitten
Als een rots bij een waterval
Zodat de maalstroom van woorden mij niet zal wegvoeren.
Ik wil in een hoek van je oog zitten
Als een lelie ontspruitend in het water aan de oever
Met kelken heel klein en onopvallend.
Want eigenlijk, wat ben ik ?
Een bevroren golf in de ruimte
Gerukt uit de oceaan van je borst,
Waarnaar jij tevergeefs de handen uitstrekt?


*

ZELFVERDEDIGING

Opgesloten in deze smart
Als in een tent van gevangen soldaten
Waar al jouw pogingen om te ontsnappen
Onvermijdelijk botsen op de borst van iemand anders
Die naast jou ligt.
Jij kunt nergens heen
De sterren als vingernagels van een tovenares
Kneden jouw lot in de rook.
En jij begrijpt dat er geen andere uitweg is
Dan terug te keren naar jouw plekje in het leven
En de gaten te tellen in de oude deken
Met de hete assen van je voorgangers.
In de zware lucht hier
Zuigen wij op stukjes van het onderbewuste van elkeen,
Van het onderbewuste van de anderen
Die als ijsbergen geen grenzen kennen.
En verbazingwekkend
Hoe al die tijd
In onze zielen
De leukocyten toenemen.


* * *


Rudolf MARKU

CALIGULA’S PAARD

Het gebeurde dat Calligula’s paard
Werd benoemd tot senator.
Een eerlijk paard, bijna goddelijk,
Het marcheerde majestatisch in de gang,
Groette iedereen, zonder onderscheid van rang of stand,
Met een beleefde blik,
En stapte rechtstreeks naar zijn aangeduide plaats
Bescheiden,
Alsof het beschaamd was hier te zijn.
Het doorzag onmiddellijk iedereen rondom hem,
Moordenaars, profiteurs, pluimstrijkers en sjacheraars
Het stemde nooit toe
In de verovering van andere landen,
In de verlaging van salarissen, of het verhogen van de prijzen,
Noch nam het enige notitie van hoogdravende speeches,
Of applaudisseerde het ooit,
maar luisterde naar de toespraken van de redenaars
met complete onverschilligheid
En het dacht er niet aan voordeel te halen uit zijn positie
van senator om dikke boeken te publiceren.
Bij gelegenheid, glurend naar de slaperige gezichten van zijn
burgers,
Kon het wel eens dromen over hoe het vrolijk draven was in
de weiden
bij klaar bronwater onder een heldere blauwe hemel .
Later werd het overweldigd door zoveel verdriet
Dat de senatoren het wantrouwig begonnen aan te kijken,
En begonnen te fluisteren over zijn wild verleden,
het dubieus gezelschap waarin het vertoefde en zijn
ongedwongen levensstijl.
Niettemin leefde het lang
En gebruikte het zijn macht beter dan al de anderen deden,
Het is te zeggen:
helemaal niet!!

*

IN HERINNERING AAN MIJN MOEDER

Zonder een enkel teken of gebaar
Stierf mijn moeder.
Zij wou niemand storen,
De wereld had al genoeg problemen en zorgen,
Zodat zij verkoos op de toppen van haar tenen weg te sluipen.
En sindsdien, voel ik mij meer aangetrokken tot het lot van
oude mensen,
geef hun mijn zitje op de trein of op de bus
En voel soms zelfs de lust om hen als kinderen in mijn armen
te drukken.
Zelfs met volslagen onbekenden, begin ik gemakkelijk een
gesprekje, en toon
hun mijn idioot glimlachje,
En in de winter ben ik bang dat zij een verkoudheid of griep
zullen krijgen.
Ik vermijd altijd de overlijdensberichten.
Ik heb geen behoefte om haar ouderdom te lezen
Nu dat ik weet hoe rimpels te ontcijferen
En kan peilen naar de magie van grijzend haar.
Ik heb de indruk dat op een dag
Een brief vanuit de verte in mijn handen zal vallen
Met de boodschap: ”Hoe gaat het met je? En de anderen?”
Zonder haar adres na te laten
Sluipt zij verder op de toppen van haar tenen
Temidden van de drukte, de pijnen en klachten van de wereld.

*

REKENKUNDE

Eén plus één
Is zelfs niet twee.
Welk getal bekom je
Als je mij optelt bij jou?

*

OGENBLIK

Op een dag klom ik naar de bergen, de bergen van Tropoja,
Naar de duizelingwekkende hoogten die ik nooit had gezien.
Beeldhouwer, als je begint te kappen met je beitel,
Kap niet te hard, want ik woon in de rotsen.

*

EEN MAN UIT DE BALKAN IN LONDEN

Een man uit de Balkan in Londen is een waterval
Die zich stort in de rustige wateren van de Thames.
In Hyde Park is hij een berg gestapeld op de ruime weiden,
In Trafalgar Square een grijze wolf
Die spreekt met de vier slaperige leeuwen,
En hun fantasieën opwekt bedorven door de toeristen,
En hen opnieuw leert te brullen zoals zij vroeger deden.
Een man uit de Balkan in Londen weet goed
Dat hij geschaduwd wordt door Scotland Yard
(En nog meer geschaduwd wordt in zijn eigen land).
Hij is degene die lesbiennes de genoegens
Leert van seks in bed met een man.
Alfred Hitchcock verbleekt. Sherlock Holmes
Denkt aan vroegtijdig pensioen als zij geconfronteerd
Worden met de smerige misdaden die de man uit de Balkan
opbiecht.
Wanneer hij verlangt naar de cafés van Mamurras
Luistert hij naar de BBC. Noch het monument van Wellington
Noch dat van Nelson interesseren hem,
Over de koningin zegt hij: hoe kan zij koningin zijn
Als zij elke nacht wordt beslapen door haar echtgenoot?
Een man uit de Balkan in Londen is een waterval
Die zich stort in de rustige wateren van de Thames.

* * *

Ali PODRIMJA

NEEM DEZE STEEN

Neem deze steen en werp hem
Waar je maar wil
Als je wil
Voorbij mijn draad en stam
Voorbij de negen wonden
van Gjergi Elez Alia
Nagel hem als je wil
Metsel hem in
Neem deze steen
Doop hem of laat hem naamloos
Ik heb de tijd en het klimaat veranderd
Laat hem zonder land, zonder hemel
Neem deze steen en werp hem
waar je maar wil
Zijn kracht maakt ons onsterfelijk

*

WIE ZAL DE WOLF DODEN
(voor F. Altimari)

En de gentleman zei
Kom je toevallig
Een Albanees en een wolf tegen
Dood dan de Albanees
En de Albanees die deze uitspraak hoorde
Begon te glimlachen
Terwijl hij rustig een sigaret rolde
Als je mij doodt
mijn arme vriend
Wie zal dan
De wolf doden?

*

OP WEG MET WOLVEN

Zwerven met wolven kan zeer boeiend zijn
Als je vertrekt naar het Woud
Ontdek je je werkelijk gelaat
De uitstap kan langer duren dan de jaren van je leven
het kan gebeuren
dat je er recht doorheen galoppeert
Hij die de uitstap met hen niet gedaan heeft
Weet niet wat vrijheid is
Of het hemd van de sterren
Je moet je ervan bewust zijn
Dat je niet gemakkelijk de deur kunt openen
Zonder een arm of een oog te verliezen
Niets
Valt
Uit de hemel

* * *

Dhori QIRIAZI

IK HEB GEZIEN…

Ik heb gezien hoe de arme kleine vogels
Ineenkrimpen en bibberen als een storm opsteekt.
Enkel de arenden spreiden hun vleugels naar de wind…

* * *

Azem SHKRELI

MASSA

Laat mijn gras groeien over mijn hoofd
Over mijn hoofd laat mijn gras groeien
Mijn gras over mijn hoofd laat het groeien
Laat het groeien
Laat mijn gras groeien over mijn hoofd

*

BOVEN EUROPA

Avond. Wij vliegen en plukken aan de wol
Van de wolken. Beneden ons een wit koninkrijk
Azuren triomf. Wij snellen voort en wenden onze aandacht af
Grenzen legers kudden
Als op de top van de eeuw duwen wij de meeldauw
Van de geschiedenis terzijde en de oorlogen alsof zij niet
hadden bestaan
Een dame schudt de zuchten uit haar zakdoek
Ergens over Mauthausen
Ik kijk uit het raam. Ik weet niet waarom ik lach
Terwijl ik langzaam de fles ledig met mijn vriend
Wie zal daar geboren worden onder ons vannacht
Handelaars? Sartre? Generaals?
Avond. Wij vliegen. Beneden ons
Dommelt het denkend Europa in over ernstige
aangelegenheden
Slaap verder wijze Dame ik heb nooit gepiekerd
Over jouw grillen die de mijne niet zijn.

* * *

Xhevahir SPAHIU

GESCHIEDENIS

Het bloed druppelde en schoot wortel in de steen,
Wij veegden het bloed van onze zwaarden met onze dikke
witte flanel,
Als wij geen wapens hadden
Plukte wij er een uit onze ribben
En maakte er een zwaard van.

*

DE AREND

Op een dag daalde de arend neer
Uit de azuurblauwe luchten
Op de vlag.
Het hart
zei tegen de hand: beitel!
En de hand beitelde het in steen.
De arend drong
vanuit zijn nest in de bergen
Binnen in het firmament van een lied.
Drong binnen
in de borst van de held
En verving het hart.

*

ZONDAGTAXI

Aan het station onder de pijnbomen wachten
Zevenentwintig taxis in stilte in de regenachtige nacht.
Morgen zullen zij de stad weer doorkruisen
Als de regendruppels op mijn bruine jas.
Welke uitstappen staan hen te wachten? En waarover dromen
zij,
Deze taxi’s slapend onder het neonlicht?
In hun metalen dromen mengen zich de overpeinzingen
Van levens die morgen elkanders pad zullen kruisen.
Sommige zullen echte verliefden mogen vervoeren,
In andere zullen de slachtoffers van pooiers misschien wenen.
Als ik wist in welke taxi de tranen zouden rijden
zou ik mijn lichaam onder de wielen gooien om hem te
stoppen.

*

DE VOSSEN

Op een avond was ik de cipressen aan het bekijken:
Mooi,
Elegant.
Plots leek het mij
Dat vossen schuilden onder de grond
Want ik zag de wind hun staarten bewegen…
Waarom dacht ik nu aan jullie, vossen?
Misschien omdat cipressen altijd geplant worden
Kortbij idolen,
Kortbij tempels.

* * *

Agim VINCA

EEN DICHTER WORDEN

Een oasis zijn in de wildernis,
Vergeet niet dat er vele dorstigen zijn in deze wereld.
Een lantaarn zijn in de duisternis,
Vergeet niet dat er vele blinden zijn in deze wereld.
Een schip zijn in de golven,
Vergeet niet dat er vergeten massa’s wachten op de oevers.
Varken zeggen tegen een varken en Socrates tegen Socrates
En jouw deel van het gif drinken.
Een open brief schrijven naar de Heer
en al de zonden vermelden.
Je eigen graf delven op de hoogste bergpiek
En veranderen in een lichtende stok.

*

BIOGRAFIE VAN DE WORTEL

Wie weet wanneer je werd geboren,
In welke eeuw, op welke plaats?
Wie weet wanneer je opgroeide,
Op welke heuvel, in welk dal?
Niemand kan jouw leeftijd meten,
In jaren, in seizoenen.
Teams,
Experten
zoeken tevergeefs.
Je bent zoals het leven zelf.
Jouw takken,
Twijgen,
Knoppen groeien.
Jouw stam verdikt als een saus,
Jij verfijnt de smaak
Zonder je te bekommeren om theorieën, oorsprongen,
Expertises, diagnoses …
Een sterke wortel. Koppig.
Oud. Jong.
Vaderland.

*

BALLADE VAN DE DROGE BERG

Er is een berg in het Zuiden
Tussen twee meren
Die men de Droge Berg noemt.
En niemand weet hoe het komt
Dat deze berg
Kan droog blijven omringd door het water
Vlakbij is een weide
Met de angstwekkende naam
De Weide van de Tranen
En niemand weet hoe het komt
Dat deze berg
Kan droog blijven temidden van de tranen
Er is een berg in het Zuiden
Tussen twee meren
die men de Droge Berg noemt
En niemand weet hoe het komt
Dat deze berg
Altijd dorst lijdt temidden van het water
Droge Berg
Geen gras, geen bomen, geen vogels
Dood voor de levenden.
Zoals een menselijk wezen
Verdord van verlangen.

*

DE NAMEN

Voor onze kinderen
Hebben wij mooie namen uitgekozen,
Goede namen:
Drilon,
Shkumbin,
Gramoz,
Korab,
Valbona...
Moge zij vloeien achter ons
Zoals onze rivieren,
Moge zij rijzen boven ons
Zoals onze bergen.

*

MIJN DODEN

Eerst stierf mijn moeder,
Daarna mijn zuster,
Nu onlangs mijn vader.
Ik word moederloos
Zusterloos,
Vaderloos achtergelaten.
Maar we zijn terug samengekomen.
Ik kan niet leven
Zonder mijn doden,
Ik wil dat niet,
En zou ook niet weten hoe.

* * *

Mimoza AHMETI (°1963)

LIED

Moest jij openbarsten
Als een vulkaan
Maar niet als een bloem
Moest jij rijzen
Als de zon,
Maar niet als een vogel
Moest jij vallen
Als een weerlicht
Maar niet als een blad
Dan wou ik
De bloem, de vogel en het blad zijn.

*

BINNEN EN BUITEN (MIJ)

Buiten mij
Duizelt de hele wereld van oorlog en droom.
Maar in mij
Weerklinkt zijn stem.
Buiten mij
Wordt er gevreeën, gedood en bevallen
Voor miljoenen.
Maar in mij
Zijn
Liefde
Moord
Geboorte
Even actief

*

MENTAAL ASIEL MET OPEN DEUREN

Jij gaat, jij verlaat ons,
Denkend het is "voorgoed" voorbij.
Vluhtend uit dit dat het jouwe is, het onze
Dat ons mentaal asiel is,
Ons geliefd, mobiel asiel
Met uiteengereten schedels.
O, mijn edele gek,
Ik hou zo zeer van jou,
Ofschoon ik nooit met je praat,
Ofschoon jij ook nooit tegen mij iets zegt
En ik je niet kan uitstaan
En jij mij niet kunt uitstaan.
Maar zo zijn nu eenmaal de rituelen:
Wij kijken mekaar nooit in de ogen,
En delen zo het motief
Om elkaar waanzinnig lief te hebben,
Terwijl we lachen van opwinding,
En terzelfdertijd
De tranen laten lopen over onze wangen.
Tranen.
Gelijkgestemde lijders
Van onze unieke waanzin,
Jij die op het punt staat te vertrekken
Met de ogen gericht
Op een enkel idee
O, alleen op een enkel idee,
Dat nog nooit is geuit, nooit werd ontdekt
En naar mijn gevoel ook nooit zal worden gevonden.
Ga weg, vertrek, verdwijn.
Van plaats naar plaats, van land naar land...
O, wat voor gillende echo's weerklinken er
Uit ons asiel
Als de zon laat ondergaat in het westen,
En het verlangen snakt naar zijn kinderen in het westen...
Wat een pijn!
Naakte muren... Muren die altijd
De horizon belemmeren
En boven een oneindige hemel achterlaten.
Daar, na middernacht, bedaart het snikken,
Iemand praat tegen zichzelf:
Niettemin, de Albanezen
Waar ze ook mogen zijn,
Laat ze doen met hun eigen waanzin.

* * *

Ismail KADARE (°1936)

POEZIE

Poëzie,
Hoe vond jij de weg naar mij?
Mijn moeder beheerst het Albanees niet goed,
Zij schrijft brieven zoals Aragon, zonder komma’s en punten,
Mijn vader schuimde de zeeën af in zijn jeugd,
Maar jij kwam
Aangewandeld op de stoep van mijn stille stad van steen,
En klopte bedeesd op de deur van mijn driehoog huis met
Het nummer 16.
Vele dingen heb ik geliefd en gehaat in het leven,
Voor vele problemen was ik een “open stad”,
Maar
Als een jonge man laat huiswaarts kerend,
Uitgeput en gebroken door zijn nachtelijke omzwervingen,
Kom ik nu ook naar jou,
doodmoe van een nieuwe escapade.
En jij,
Zonder mijn ontrouw kwalijk te nemen,
Streelde zacht door mijn haar,
Jij, mijn laatste halte :
Poëzie.

*

WAARAAN DENKEN DEZE BERGEN

1

Waaraan denken deze torenhoge bergen
Als de zon in de verte ondergaat boven de snelweg?
Een bergbeklimmer vertrekt bij het vallen van de nacht,
Met zijn lang geweer
Dat een mijlenlange schaduw werpt op de grond.
De schaduw van het geweer ijlt
Over bergen, vlakten, dorpen;
Ook ik begaf mij op weg naar de heuvels
Met ergens een gedachte
In mijn hoofd.
De schaduw van de gedachte en de schaduw van het geweer
Kruisten elkaar en botsten op de schemering.

2

Zo ging jij altijd op weg, Albanië,
Op jouw lange benen
En met een lang geweer.
zwierf jij rond zonder te weten waarheen,
Voorwaarts naar de ochtend van wolken en mist,
Grijs en moeizaam, als een gedachte geboren uit de nacht.

3

Uitbarstingen van wolken aten van jouw land
En ontblootten het fundament van je kliffen.
Zo hebben de eeuwen geknaagd aan je lichaam
Tot je pezen en ribben zichtbaar werden.
Pezen, pezen en ribben,
Slechts keien, rotsen en bergen,
Klein vlak land,
O, zo klein vlak land
Dat door de eeuwen werd verlaten!
De eeuwen knaagden aan jou als honden
Waar ze je ook konden te pakken krijgen.
Wanneer jij ze tegenkwam
Vielen ze jou aan,
De tanden van de tijd
Hapten in jouw heupen,
Maar je gaf niet op
En bezweek niet.

4

Nooit nam jij het lange geweer
Van je schouders,
Van je schouders bedekt met wonden,
Van je schouders van vel en been.
Jij at pekelbrood,
Pekel en maïs elke avond,
En je bewaarde een beetje vet
O, dat beetje vet
Voor vrienden en voor het lange geweer,
Om het lange geweer te smeren.
Vrouwen baarden kinderen,
Maar een geweer baart kogels,
En beiden zijn even heilig
Voor de Albanees:
De kogels en de baby’s.
Het kind zal morgen achter de ploeg staan
En het geweer zal het beschermen ’s nachts.
De tijd vuurde kogels over de schouders van Albanië
Zoals rijst geworpen over de schouders van een bruid.

5

Het galmen van de klokken
In de nacht
Weerklonk over de berghellingen.
Wat vertelden de klokken,
Wat murmelden de priesters
Tegen hun hoge kerken
Met hun vreemde tongval?
Latijnse logica in lange zinnen
Probeerde het lange geweer te buigen.

6

En er waren dichters
Gezeten op met de hand gemaakte meubels
Uit jouw wouden
Die, geïnspireerd door jou,
Schreven over verdwenen hout
En over nachtegalen
In de bomen, de voorouders van de meubels,
Die ooit hadden gezongen.
Zij vergaten
Dat er in jouw wouden
Waaruit de meubels kwamen
Veel wolven waren
En weinig nachtegalen.

7

Stormen, koorts, malaria, verwoestten jouw lichaam,
De priesters en de mullahs
Maakten jou doof.
Zoals Saturnus,
Verscheurde jij jouw kinderen uit bloedwraak,
En aan deze wraak schonken de minaretten en de
klokkentorens
Hun zegens.

8
En moedige vijanden knaagden aan jouw boorden,
Knaagden aan de bleke, blote schouders van ons
geboorteland.
Het land verrees wankelend,
Met ogen gloeiend van honger en koorts
En, zijn honger vergetend,
Ijlde het voort in de nacht om zijn grenzen te meten,
Met een voetmeter?
Met een tuinstok?
Neen,
Met het lange geweer.

9

Jouw eerste contact met uitvindingen,
Met de nieuwe technologie van de beschaving,
Was met de types en kalibers van nieuwe wapens,
Die werden getest op jouw verwelkte, met kogels doorzeefde
borst.
Na het gevecht
Bleven alleen de eenzame graven van de bergbeklimmers over,
Heuvels van melancholie,
Eenlettergrepige namen,
Voor een lange tijd
Niets dan een hoop stenen
En, in plaats van bloemen aan het hoofd,
Een monotoon lied
Gezongen door de stam,
Een monotoon lied.
En naast de lange ledematen
Viel het geweer weg, het lange geweer.
En achter de lange ledematen
Viel de korte naam weg,
De letters vielen af
Als dennenknoppen in de regen,
En na al het overige
Stopte ten slotte ook het lied,
Het monotoon lied van de stam.

10

En weer opnieuw kromp Albanië ineen in een hut
In haar donkere mythologische nachten
En probeerde op de snaren van een luit
Iets uit te drukken van haar onbegrijpelijke ziel,
Van haar innerlijke stemmen
Die zachtjes echoeden vanuit de diepten van de epische aarde.
Zij probeerde iets uit te drukken
Maar wat kunnen drie snaren
Onder vijf vingers bevend van de honger uitdrukken?
Er zouden honderden mijlen snaren nodig geweest zijn
En miljoenen vingers
Om de ziel van Albanië uit te drukken!

11

Als een werd neergeslagen op de heuvelrug
Rees er weer een ander elders,
Als uit de aarde –
De uitgemergelde Albanees,
En bovenop zijn lichaam,
Als een ijzeren lid
Rees in het zwart
Het lange geweer.
Met het geweer in zijn hand,
Zwierf hij door deze streken,
Over bergen en dalen.
Het geweer maakte hem groter,
Ofschoon het vaak zijn leven verkortte.
Kauwend op legenden in de vriesnacht,
Uitgehongerd, at jij je eigen liederen,
Albanië.
Jij werd overmand door slaap,
Gebogen over de ploeg bij valavond
Onder de donkere hemel
En je droomde van o zo weinig vreugde
waarvan niemand ooit had gedroomd.
Jij droomde
Van een snede brood,
Van een lepel pek.
Je droomde van pek en brood
En van een beetje, o een klein beetje vet
Om te delen met het geweer.
Jouw huwelijk lichtte op
In het midden van jouw ellende,
Vol van zenuwen, trommels, ruzies
En een beetje plezier,
Het beetje plezier waarvan je droomde achter de ploeg.

13

De nachten baarden morgens,
Zwaar en grijs;
De dagen vervloekten de nachten,
De nachten vervloekten de dagen.
Albanië in haar ruwheid
Baarde mooie kinderen,
En plantte in ieder kind
Een droom, een hoop.
Met haar verwelkte borsten
Schonk Albanië leven,
Werden in haar schoot soldaten geboren,
Die later onder het zingen van de Brug over de Kaaba
Stierven in het zand van de Sahara.

14

De zonen die jij zond naar de steden van Europa,
Om vreemde geneugten te kennen,
Keerden
Een voor een terug,
Om een verdrietig land te vinden
Waar de wolken waren geladen met gele regens.
De monarchie verbrijzelde als een steenhouwer hun dromen.
Zij kwamen toe
Met koffers vol illusies
Onder de schaduw van minaretten, kloosters,
En zwierven rond in herfstige waanvoorstellingen
Tot de aarde hen terug drukte aan haar boezem
En zij vergingen in het monotoon lied van de regen.

15

Vroege vruchten zijn duur in prijs,
Maar ook vaak vernield door vorst.
Albanië plaatste ze terug in haar boezem
“Het is nog te vroeg” zei ze,
bij het zien van het gedempte licht van de dageraad.

16

En weer opnieuw boog zij zich over de ploeg
En zaaide ze haar bittere tranen in lange groeven.
Onder een sombere hemel van eindeloze onwetendheid
Zaaide zij haar tranen
Voor de komende regenbuien en stormen.

17

Amen !
De priesters en een paar suffe dichters doemden op
Om abstracte genealogische glories te verkondigen,
Maar jij trapte op de traditionele wetten met
Je blote voeten en kraste in hun poëtische figuren.
Alsof je zo een naïeve schoonheid waart
Sponnen de verraders jou in hun netten
Roepend:
“ Maak je geen zorgen,
Het geeft niet dat je geen voedsel hebt,
We zijn het door God verkozen volk,”
Terwijl jij een figuur tekende onder de sterrren
Jouw beeld van vuile, smerige pijnen.

18

De dichters schreven hymnen voor de feeën en de nimfen,
Die zichzelf aan het ontluizen waren in de stromen.
Men kon de ribben tellen van de feeën en de nimfen
Die, voor een paar geldstukken, zichzelf aanboden in de
struiken.
Toevallig slaagden de feeën en de nimfen erin
Om hun epische alpiene weiden te verlaten
En een voor een af te dalen
Naar de dorpen
En, een voor een, kwamen zij terecht
In de bordelen,
In de bordelen die lagen bezaaid
Op de lusteloze bergkammen
Als wonden
Als hoon.

19

De nimfen vertrokken
En lieten de mythen achter.
En de mythen begonnen
De mythen leeg te halen.
De mythen,
De laatste graanschuren van de natie,
Keerden terug naar de verlaten kerken.
Want de mythen waren, zoals de mensen, hongerig,
En leefden in grote armoede,
Groter nog dan elke andere,
In een eeuw waarin de winden van de verveling floten
Over verlaten mythische vlakten.

20

In het paleis gaf Koning Zog nachtelijke bals,
De prinses glimlachte,
De dansers walsten.
In de stille cellen van de koele kloosters
Studeerden de priesters verbuigingen.
Het orkest speelde lustig verder
In Café Kursaal,
De oudere matrones poeierden hun neuzen,
Terwijl zwanger Albanië
Een miskraam kreeg van dagen
Op de bloedbevlekte lakens van de wolken.

21

En de bergruggen waren stil als paardenkaravanen,
O, wat voor karavanen dat zij waren,
Deze bergruggen!
Zij wachtten urenlang,
Dagenlang,
Maandenlang,
Op iemand die hen zou leiden naar het groot gevecht,
Op iemand die hen zou leiden naar een nieuwe wereld,
De bergruggen wachtten met hun hoofden in de wolken.

22

Er waren er die probeerden te rukken aan de bergen,
Zoals aan de halsters van paarden
En leidden hen een beetje naar beneden op de weg,
Maar in de duisternis verloren zij hun weg.
De formidabele bergruggen zwierven in cirkels
Door de nacht en de nevel,
Blind,
Doodsbang.
Alsof opgeschrikt door een tragisch gegil van ouderdom,
Hinnikten de bergen in hun dromen.

23

En zo draaiden zij rond in cirkels zoals een karavaan in de
woestijn,
Tot zij weer tot rust kwamen,
Tot de dageraad, de burchten, honger, de epische legenden
Weer op hun ruggen sprongen,
En met hen
Ook de bordelen.
Maar de kalmte was bedrieglijk,
De lange bergkaravanen waren aan het wachten,
Aan het wachten op een leider,
Albanië was aan het wachten
Op de Communistische Partij.

24

Waaraan denken deze torenhoge bergen,
Deze mysteries van ruggen die zich uitstrekken van noord naar
zuid?
Ik vervolg mijn weg
In de schaduw van het lange geweer,
Dat lange geweer:
Jouw Schroef van Archimedes, Albanië.
Door het vizier van dit geweer
Observeerde Albanië de horizonnen en de tijden,
Het eenzaam gefluit van zijn musket
Dwong de eeuwen om weg te duiken.
Dit geweervat
Op de rug van Albanië
Is daar gegroeid als een lang scherp been
Overgeplant in zijn rug door een moeilijk lot,
Een verlengstuk van zijn ruggengraat,
Dit ontzagwekkend ijzeren lid,
Een trots atavisme van vroegere tijden.
De onverschrokken Albanees heeft de eeuwen doorkruist,
Met het lot op zijn rug,
Heeft hij zich voortgesleept op zijn oude sandalen
Doorheen het eeuwig land dat de graven van zijn voorvaders
herbergt.
Dit land dat meer heroïsme
Heeft voortgebracht dan graan in de eeuwen,
Dit land…
Dat is waaraan deze torenhoge bergen denken,
Als de zon in de verte ondergaat boven de snelweg.
(1962-1964)

* * *

Sabri HAMITI (°1950)

DE DOOD VAN DON QUICHOTE

In de literatuur wordt ons verteld
Dat Don Quichote, na veel boeken te hebben gelezen,
Uit zijn bibliotheek naar buiten rende
En binnentrad in zijn eigen leven.
Zijn eindeloze avonturen
Behoren tot de letterkunde, tot het sublieme,
Niet tot het ware leven.
Don Quichote heeft een huis vol boeken
Het grootste in de stad.
Hij heeft een stentorstem:
Praat al de tijd, zonder ooit te luisteren
Naar de waarheid!
En de boeken op de rekken
Bijten op hun tongen
En blijven zwijgzaam.
Meegesleurd door hun eigen gewicht
Breken zij de rekken
En vallen op het hoofd van de jonge Don Quichote,
Die ze bedelven en verstikken.
Het overlijdensbericht in de krant meldt
“Dat hij stierf aan zijn schrijftafel”.


terug naar boven