NetBook nummer 24      -      Uitgave Het Prieeltje Online
GEDICHTEN
vertaald door Henri Thijs

DANSE RUSSE

Als terwijl mijn vrouw slaapt
en de baby en Kathleen
slapen
de zon een vlammende witte schijf
in zijden nevels is
boven stralende bomen, -
als ik in mijn kille kamer
naakt dans, en bespottelijk
mijn hemd rond mijn hoofd wind
voor mijn spiegel
en zachtjes neurie voor mijzelf:
« Ik ben eenzaam, eenzaam,
ik was geboren om eenzaam te zijn
en ik voel mij best zo’ »
Als ik mijn armen, mijn gezicht,
mijn schouders, heupen, billen
bewonder tegen de strakgele schaduwen, -
Wie zal dan zeggen dat ik niet
de uitverkoren genie van mijn huishouden ben?

***

LANDSCHAP MET DE VAL VAN ICARUS

Volgens Brueghel
was het lente
toen Icarus viel
een boer ploegde
zijn veld
de hele praalvertoning
van het jaar was
druk bezig
met zichzelf
op de rand van de zee
zwetend in de zon
die de lijm van de vleugels
smolt
niet ver van de kust
was er
een plons die volledig
onopgemerkt bleef
het was Icarus
die aan het verdrinken was

***

DE RODE KRUIWAGEN

zoveel hangt
af
van een rode
kruiwagen
verglaasd met
regenwater
naast de witte
kippen

***

LENTE EN AL

Bij de weg naar het besmettelijk hospitaal
onder het golven van de blauw
gevlekte wolken verdreven uit het
noordoosten – een koude wind. Ginds, de
resten van poelen, modderige velden
bruin van gedroogd onkruid, oude en nieuwe
plassen water
een paar hoge bomen hier en daar
En overal langs de weg rossige
purperen vorken, opgroeiende twijgen
van struiken en boompjes
met dode, bruine bladeren onder hen
bladerloze wingerds –
Er levenloos uitziend, nadert
de trage, versufte lente –
Ze betreden naakt, koud en wat
onzeker de nieuwe wereld. En overal
de koude, vertrouwde wind –
Nu het gras, morgen
de stijve krul van het wortelblad
Een voor een worden de dingen nu gevormd –
Het versnelt: een silhouet, de omtrek van een blad
Na eerst de waardige aarzeling van
het verschijnen, kruipt de gedaanteverandering
over hen heen: geworteld, graven
zij zich vast en beginnen te ontwaken.


***

DIT VALT ER MAAR TE ZEGGEN

Ik heb de pruimen
opgegeten
die lagen in
de koelbox
en die
jij waarschijnlijk
had bewaard
voor het
ontbijt
Vergeef me
ze waren lekker
en zo zoet
en koud


***

AAN EEN ARME OUDE VROUW

kauwend op een pruim
op straat met de papieren zak
nog in haar hand
Ze smaken haar goed
ze smaken haar
goed. Ze smaken haar
goed
Je kan het zien aan
de manier waarop ze zichzelf
geeft aan de helft
die ze gereed houdt in haar hand
Bemoedigend
lijkt een troost van rijpe pruimen
de lucht te vullen
Zij smaken haar goed

***

TRAKTAAT

Jullie mijn stadsgenoten zal ik
leren hoe een begrafenis te organiseren—
want jullie hebben het over een troep
artiesten –
tenzij men de wereld zou doorkruisen –
hebben jullie de basisprincipes nodig.
Kijk! de lijkkoets gaat voor.
Ik begin met een ontwerp van een lijkkoets.
Om Godswil geen zwarte –
en ook geen witte - en niet gepolijst!
Laat hem er verweerd uitzien – zoals een boerenkar –
met vergulde wielen (dit kan goedkoop worden
uitgevoerd)
of helemaal geen wielen:
een ruwe sleperswagen om over de grond te slepen.
Klop het glas eruit!
Mijn God – glas, mijn stadsgenoten!
Waartoe eigenlijk? Is het nodig voor de dode
om rond te kijken of voor ons om te zien
hoe goed hij gehuisvest is of om de bloemen
te zien of het ontbreken ervanof
wat?
Om hem te behoeden voor de regen en de sneeuw?
Hij zal weldra nog meer regens gaan kennen:
grind en vuilnis en wat al niet.
Laat ons dus afzien van het glas –
en ook geen bekleding!
en geen koperen raderen
maar kleine gemakkelijke wielen op de bodem –
mijn stadsgenoten, wat denken jullie ervan?
Een ruwe gewone lijkkoets dus
met vergulde wielen en helemaal geen dak.
Daarop leggen we de lijkkist.
Geen rouwkransen a.u.b. –
en zeker geen serrebloemen.
Iets gewoontjes is beter,
iets dat hij graag zag en hem bekend maakte:
zijn oude kleren – een paar boeken misschien –
God weet wat! Jullie begrijpen
wat wij hiermee bedoelen
mijn stadsgenoten –
iets zullen wij wel vinden – om het even wat
zelfs bloemen als hij daarvan hield.
Tot zover dus de lijkkoets.
Om hemelswil pas op met de vervoerder!
Neem zijn zijden hoed af! In feite
is dat helemaal geen geschikte plaats voor hem –
om daar plechtig boven op de koets
onze vriend uit te dragen naar zijn eigen waardigheid!
Breng hem naar beneden – breng hem naar beneden!
Beneden en onopvallend! Ik had zelfs liever
dat hij helemaal niet de wagen bereed – weg met hem! –
de onderkruiper van de begrafenisondernemer!
Laat hem liever de teugels vasthouden
en onopvallend langs de koets gaan!
Dan nog kort iets voor jullie persoonlijk:
ga achteraan – zoals men doet in Frankrijk,
zevende klasse, of als jullie dan toch rijden
haal dan a.u.b. de gordijnen weg! Ga met een flair
van ongemak; stel jullie open –
zowel voor het weer als voor de smart.
Of denken jullie dat men de smart kan wegsluiten?
Voor onszelf? Wij die misschien niets te
verliezen hebben? Deel alles met ons
deel alles met ons – het zal geld opbrengen
in jullie portemonnee.
Ga nu
ik denk dat jullie er klaar voor zijn.


***

TRANSITIEF

Eerst zei hij:
Het is de vrouw in ons
die ons doet schrijven –
Laat ons dat erkennen –
Mannen zouden anders
stil zijn.
We zijn geen mannen
Daarom kunnen we spreken
En ons bewust zijn
(van de twee zijden)
Ongebonden door het sensuele
zoals het de accuratesse
betaamt.
Ik zei dan:
Durf jij dat te propageren?
En hij antwoordde:
Doe ik dat dan niet –

***

PORTRET VAN EEN DAME

Jouw dijen zijn appelbomen
wier bloesems de hemel aanraken.
Welke hemel? De hemel
waar Watteau een pantoffel
van een dame hing? Jouw knieën
zijn een zuiderbries – of een
sneeuwvlaag. Ach! Wat voor soort
mens was Fragonard?
- Alsof dat iets te betekenen
heeft – Oh, ja. Onder de knieën,
vermits de harmonie op die manier afneemt,
is het een van die witte zomerdagen
het lange gras van je enkels
flikkert op de oever –
Welke oever? –
het zand kleeft aan mijn lippen –
Welke oever?
Ach, bloembladen misschien. Hoe
kan ik dat nu weten?
Welke oever? Welke oever?
- de bloembladen van een verborgen
appelboom – Welke oever?
Ik zei bloembladen van een appelboom.

***

OM EEN OUDE VROUW TE WEKKEN

Ouderdom is
een vlucht van kleine
tjilpende vogels
scherend over
kale bomen
boven een sneeuwglans.
Winnend en verliezen
worden ze bestormd
door een donkere wind –
Maar wat?
Op ruwe onkruidstengels
is de troep gaan rusten –
de sneeuw
is bedekt met gebroken
zaadpeulen
en de wind wordt getemperd
door een schril
gefluit van overvloed.

***

HET VERLATEN VELD

Uitgestrekt en grijs, is de lucht
een simulacre voor allen
behalve voor hem wiens dagen
utgestrekt en grijs zijn en
in het lange, droge gras
beweegt een geit
speurend met de neus over de grond.
Mijn hoofd hangt in de lucht
maar wie ben ik…?
- en mijn hart stopt verbaasd
bij de gedachte van liefde
die uitgestrekt en grijs
in stilte smacht naar mij.


***

DE JAGERS IN DE SNEEUW

Het algemeen beeld is dat van winter
ijsbergen
op de achtergrond de terugkeer
van de jacht tegen de avond
links
sterke jagers brengen hun
buit binnen het uithangbord
van de herberg bengelend
aan een gebroken haak is een hertenbok een kruis
tussen zijn gewei de kouden
herbergkoer
is verlaten op een reusachtige open vuur na
dat flakkert in de wind het wordt gestookt
door een troep vrouwen
eromheen rechts achter
de heuvel is een tafereel met schaatsers
zichtbaar Brueghel de schilder
betrokken partij bij dit alles koos
een winterstruik als
voorgrond om
het schilderij af te maken.

***

DE KOUDE NACHT

Het is koud. De witte maan
komt op tussen zijn sterren
zoals de blote dijen van
de vrouw van de politiesergeant –
tussen haar vijf kinderen…
Geen antwoord. Bleke schaduwen liggen
op het bevroren gras. Een antwoord:
het is middernacht, het is stil
en het is koud…!
Witte dijen van de hemel! een
nieuw antwoord vanuit de diepte van
mijn mannelijke buik: in april …
In april zal ik ze opnieuw zien- in april!
de ronde en volmaakte dijen
van de vrouw van de politiesergeant
nog steeds perfect na vele baby’s.


***

SYMPATHIEK PORTRET VAN EEN KIND

Het dochtertje van de moordenaar
dat amper tien jaar oud is
rukt haar schouders van links
naar rechts om een glimp op
te vangen van mij
zonder zich om te draaien.
Haar broodmageren armpjes
draait zij om haar lichaam heen!
Nerveus
trekt zij haar strooien hoed
over haar ogen
en wendt zij haar hoofd diep
in de schaduw
opgewonden lachend!
Zo goed als zij kan
verbergt ze zich
in het volle zonlicht
en kronkelt haar dunne
beentjes onder het kleine bloemenkleedje
dat ze vanaf de dij tot aan de
enkel bloot laat –
Waarom heeft ze mij gekozen
voor het mes
dat priemt langs haar glimlach?

***

SNEEUWSTORM

Er valt sneeuw:
jaren van woede volgen
op uren die ijdel wegvloeien –
de sneeuwstorm
drijft zijn gewicht dieper en dieper
voor drie dagen of zestig jaren, eh?
Daarna de zon! Een zwerm
van gele en blauwe vlokken –
Harige bomen verheffen zich
in lange lanen
over een wilde eenzaamheid.
De man keert zich om en ziet –
zijn eenzaam spoor getrokken
op de wereld.


***

KLACHT

Zij roepen mij en ik ga.
Het is een bevroren weg
om middernacht, een wolk
van sneeuw zit gevangen
in de diepe wielsporen.
De deur gaat open.
Ik glimlach, ga binnen en
schud de koude van mij af.
Hier ligt een beroemde vrouw
op haar zijde in bed.
Zij is ziek,
misschien misselijk,
misschien bezig
met de baring van
een tiende kind. Hoera! Hoera!
De nacht is een kamer
verduisterd voor verliefden,
door de gordijnen
heeft de zon een gouden naald
geprikt!
Ik veeg het haar uit haar ogen
en bekijk haar ellende
met medelijden.


***


LIEFDESLIED

Ik lig hier denkend aan jou: -
de vlek van de liefde
deint uit over de wereld!
Geel, geel, geel
zij eet de bladeren,
smeert saffraan uit
over de gehoornde takken en
leunt zacht tegen een
purperen hemel!
Er is geen licht
enkel een honingdikke vlek
die druppelt van blad naar blad
en van tak naar tak
en de kleuren van de hele wereld
bezoedelt –
jij zo ver weg ginder
onder de wijnrode zelfkant van het westen!


***


TOTALE VERNIETIGING

Het was een ijskoude dag.
Wij begroeven de kat,
namen dan haar kistje
en staken het in brand
in de achtertuin.
Al die vliegen die ontsnapten
aan de aarde en het vuur
gestorven van de koude.

***

HET GEDICHT

Het zit hem allemaal
in het geluid. Een lied.
Zelden een lied. Het zou
een lied moeten zijn – gemaakt
van feiten, wespen,
een gentiaan - iets
van dadelijk, open
schaar, een vrouwenoog –
centrifugaal, centripetaal

***

Uit: AFFODIL, DIE GROENE BLOEM

Van de affodil, die groene bloem,
als een boterbloem
op haar vertakte stam –
behalve dat zij groen is en van hout –
kom ik, mijn lief,
om voor jou te zingen.
Wij leefden lang samen
een leven gevuld,
zo je wil,
met bloemen. Zodat
ik verheugd was
toen ik voor het eerst vernam
dat er ook bloemen waren in de hel.
Vandaag
ben ik vervuld van de vergane herinnering aan deze bloemen
die wij samen liefhadden,
zelfs van dit arm
kleurloos ding –
ik zag het
toen ik een kind was –
weinig geprezen door de levenden
maar dat de doden zien,
vragend onder elkaar:
Wat herinner ik mij
dat was gevormd
zoals dit ding gevormd is?
terwijl onze ogen zich vullen
met tranen.
Van liefde, trouwe liefde
spreekt het
alhoewel te week een groei van karmozijn
kleurt het
om het helemaal geloofwaardig te maken.
Er is iets
iets dringend
dat ik je te vertellen heb
aan jou alleen
maar het moet wachten
omdat ik drink
van de vreugde van jouw aanwezigheid
misschien voor de laatste keer.
En zo
met angst in mijn hart
flap ik het eruit
en blijf ik praten
want ik durf niet op te houden.
Luister terwijl ik verder spreek
tegen de tijd.
Het zal niet lang
duren.
Ik ben het vergeten
en nu zie ik helder genoeg
iets
centraal in de lucht
dat zich er rond schaart.
Een geur
kom eruit te voorschijn!
Een allerzoete geur!
Kamperfoelie! En nu
komt het gonzen van een bij!
en een hele vloed
van zusterherinneringen !
Geef mij alleen maar wat tijd,
tijd om ze terug te roepen
voor ik ze zal uitspreken.
Geef mij tijd,
tijd.
Toen ik een jongen was
bewaarde ik een boek
waarin ik, van tijd tot
tijd,
gedroogde bloemen stak
tot ik, na een tijdje,
een hele collectie bezat.
De affodil,
vanzelfsprekend
was erbij.
Ik breng je,
terug ontwaakt,
een herinnering aan deze bloemen.
Zij waren zoet
als ik er op drukte
en ik bewaarde
een beetje van hun zoetheid
gedurende een lange tijd.
Het is een eigenaardige geur,
een morele geur,
die mij nader
brengt tot jou.
De kleur
was de eerste om te gaan.
Op mij kwam er nu
een uitdaging af,
jouw eigen ik,
sterfelijk als ik was,de keel van lelie
voor de kolibrie!
Eindeloze welvaart,dacht ik,
hielde haar armen open voor mij.
Duizend keerkringen
in een appelbloesem.
De gulle aarde zelf
gaf ons haar schat.
De ganse wereld
werd mijn tuin!
Maar de zee
die niemand temt
is ook een tuin
als de zon haar aait
en de golven
wakker worden.
Ik heb het gezien
evenals jij
hoe zij alle bloemen
te schande werd.
Ook, zijn er de zeesterren
verstijfd door de zon
en ander zeewier. We wisten dat
samen met de rest ervan
want wij werden geboren door de zee,
kenden haar roze hagen
tot aan de waterrand.
Daar groeit het roze kaasjeskruid
en in hun seizoen
aardbeien
en later,
gingen we
de wilde pruimen plukken.
Ik kan niet zeggen
dat ik naar de hel ging
omwille van jouw liefde
maar vond vaak
mijzelf daar terug
op zoek naar jou.
Ik hou er niet van
en wilde liever
in de hemel zijn. Blijf luisteren.
Keer je niet af.
Ik heb veel geleerd in mijn leven
van boeken
en in die boeken veel
over liefde.
Dood
is niet het einde ervan.
Er bestaat een hiërarchie
die kan worden bereikt
denk ik,
in zijn dienst.
Zijn lijfspreuk
is een toverbloem;
een kat met twintig levens.
Als niemand kwam om het te proberen
zou de wereld
de verliezer zijn.
Voor jou en mij
was het alsof
iemand toezag hoe de storm
arriveerde op het water.
Wij stonden
van jaar tot jaar
voor het spektakel van onze levens
met de handen in elkaar.
De storm bloeit open
Een weerlicht
speelt op de hoeken van de wolken.
De lucht in het noorden
is rustig,
blauw bij de naglans
als de storm aanwakkert.
Hij is een bloem
die weldra het toppunt
van zijn bloei zal bereiken.
Wij dansten
in onze geesten,
en lazen samen een boek.
Weet jij dat nog?
Het was een ernstig boek.
En zo kwamen boeken
binnendringen in onze levens.
De zee! De zee!
Altijd
wanneer ik aan de zee denk
komt de Ilias
voor mijn geest
en de grove fout van Helena
die aan de bron ervan lag.
Was het niet daarvoor geweest
dan was er ook geen
gedicht geweest
maar de wereld
- als wij ons
die karmozijnen bloembladen
verspild tussen de stenen hadden herinnerd –
zou het eenvoudigweg
moord hebben genoemd.
De seksuele orchidee die toen bloeide
en die zo vele
ongeïnteresseerde
mannen naar het graf heeft gezonden
heeft haar stempel gedrukt
op een ras van gekken
of helden
als stilte een deugd is.
Alleen de zee
met haar verscheidenheid
geeft enige hoop.
De storm
bleek voorbarig
maar we blijven
achter het idee dat hij veroorzaakte
om
onze levens te herbouwen.Het is de geest
de geest
die moet worden genezen
bij een ontbreken
van de interventie van de dood,
en de wil wordt opnieuw
een tuin. Het gedicht
is complex en ook de plaats voorbehouden
in onze levens
voor het gedicht.
Stilte kan ook complex zijn,
maar je geraakt niet ver
met stilte.
Begin opnieuw.
Het is zoals Homerus’
inventaris van schepen:
hij vult de tijd.
Ik spreek in getallen,
al bij al zijn de kleren
die je draagt ook getallen,
wij zouden anders
elkaar niet kunnen ontmoeten.
Als ik spreek van bloemen
is dat om ons eraan te herinneren
dat we eens jong
waren.
Alle vrouwen zijn Helena niet,
dat weet ik,
maar dragen Helena in hun harten.
Mijn lief,
jij hebt haar ook in jouw hart,
daarom
hou ik van je
en zou je anders niet kunnen liefhebben.
Beeld je eens in dat je
een veld zag gemaakt van vrouwen
allen zilverwit.
Wat zou je anders doen
dan van ze houden?
De storm barst los
of gaat liggen! Dat is niet
het einde van de wereld.
Liefde is iets anders,
of zo dacht ik toch,
een tuin die zich uitbreidt,
ofschoon ik je kende als een vrouw
en er nooit anders over dacht,
tot de hele zee
werd opgenomen
en al zijn tuinen.
Het was de liefde van de liefde,
de liefde die al het overige opslokt,
een dankbare liefde,
een liefde van de natuur, van mensen
van dieren,
een liefde die vriendschap
en goedheid tot stand brengt
die mij ontroerde
en die ik in jou zag.
Ik had moeten weten
al wist ik het niet
dat het lelietje-van-dalen
een bloem is dat velen ziek maakt
die het ruiken.
Wij hadden onze kinderen,
rivalen in de algemene aanval.
Ik zette hen opzij
alhoewel ik om hen gaf.
zoals iedere man
zou zorg dragen voor zijn kinderen
volgens mijn inzichten.
Jij begrijpt
dat ik je moest ontmoeten
na de gebeurtenis
en je nog altijd moet zien.
Liefde
waarvoor jij ook zult buigen
samen met mij –
een bloem
een verzwakte bloem
zal onze plicht zijn
en niet omdat
wij te zwak zijn
om anders te handelen
maar omdat
ik binnen de grenzen van mijn
vermogen ondernam wat ik had te doen.
Daarom om te bewijzen
dat we van elkaar houden
terwijl mijn beenderen zweten
omdat ik niet voor jou kon wenen
in de act
Van de affodil, die groene bloem,
kom ik, mijn lief,
om voor jou te zingen!
Mijn hart klopt opgewonden
bij de gedachte aan het nieuws
dat ik je breng over iets
dat ook jou aanbelangt
en vele mensen aangaat. Kijk naar wat
voorbijgaat als nieuw.
Je zult het daar niet vinden maar in
verachte gedichten.
Het is moeilijk
om nieuws te rapen uit gedichten
toch sterven dagelijks mensen van ellende
bij gebrek eraan.
Laat mij uitspreken
want ook mij belangt dat aan
evenals iedereen
die wenst in vrede te sterven in zijn bed.



terug naar boven
Copyright © 2004 't Prieeltje Online. All rights reserved.
PORTRETTEN
van William Carlos Williams