

GEDICHTEN
Mairym CRUZ-BERNAL
HET KNIPPEN VAN PABLO’S HAAR
Wat moet ik doen ? Ik zie niets dan obscuriteiten
aan elke zijde. Zal ik geloven dat ik niets ben ?
Zal ik geloven dat ik God ben ?
Pascal
Pablo’s lang haar lijkt op de stukken van een koord.
Hij heeft maanden niet gedoucht, en heeft een jaar
lang rotzooi opgehoopt. Zegt dat God praat met hem,
dat hij de uitverkoren zoon is die de wereld zal redden.
Maar Pablo wil niet de uitverkoren zoon zijn
als hij God zelf kan zijn. Hij weet dat priesters niet
uitsluitend preken willen. Ze willen de ziel van hun mensen bezitten.
Daarom spreken ze ook anders.
Pablo spreekt met een gesofistikeerd accent.
Ik vraag mij af wat voor een taaltje God spreekt. Pablo zegt :
« Als de Geest daalt in een lichaam, wordt dat lichaam
iemand en spreekt het andere talen
die niemand kan verstaan, zoals God. » Ik kan de mensen
ook niet verstaan. Pablo is rustig geweest.
Mensen ignoreren rustige confraters.
Pablo heeft de helft van zijn leven al slapende doorgebracht.
Toen hij wakker werd gingen de mensen die hij graag mocht dood.
Hij was zes jaar oud toen zijn jongere en enige zus stierf. Een cocktail
van droefheid en woede waart in hem rond. Hij huilt.
Hij werd achtergelaten zonder zijn andere persoon. Van dan af
begon zijn vader te drinken en zijn moeder te slaan.
Pablo wilde zijn vader doden.
Toen Pablo amper 10 was, werd zijn vader gedood door een auto.
Pablo’s vader was zesentwintig toen, zijn eigen leeftijd nu.
Hij was verdrietig maar weende niet. Een vader verandert in
een dronkaard door de onmenselijke droefheid van het verlies
van zijn enige dochter. En hij een zoon die denkt dat degene
die zijn vader liefhad de zuster was. “En wat met mij?”
Waarom ben ik hier? Zo verbeeld ik mij Pablo’s gedachten.
Maar hij herinnert zich nog dat hij zijn vader wou ombrengen.
Pablo is een persoon die geen persoon is.
Hij moet een persoon uitvinden om iemand te zijn, God.
Hij wil zich afzonderen van de mensen,
en mediteren zoals Jezus in de woestijn en zoals Jezus
in de woestijn worden bekoord. Een stem
beveelt hem zich in een afgrond te gooien.
Een andere stem zegt hem dat hij is verkozen door God
om de wereld te redden. Maar Pablo gelooft dat hij God is.
Hij bewaart zijn kak in zijn broek. Alles dat uit
het lichaam van Pablo komt is heilig. Hij wil zijn zweet niet opdrogen.
Hij wil zijn sperma niet afkuisen. Zoals Christus,
wil hij blijven zonder een vrouw. Hij scheert zich niet,
hij wil zijn nagels niet knippen. Pablo wil zijn haar niet kammen,
noch correct spreken. Maar wanneer ik hem vraag welke elementen
belangrijk zijn voor de vegetatie, zegt hij:” Zonlicht, water en
zuurstof.” Wanneer ik hem vraag waarom het koeler wordt ’s nachts,
antwoordt hij:” Omdat de zon dan ondergegaan is.”
Ik wou het onmogelijke doen voor Pablo,
maar het onmogelijk kan niet worden gedaan.
Ik wou Pablo’s leven vertellen in de verleden tijd,
om van deze gebeurtenissen geschiedenis te maken.
“Kun jij deze stemmen wegsnijden die mij vragen om een
innerlijk iemand te hebben”, vraagt Pablo mij. “Ik wil dat
mijn gedachten mij toebehoren. Kun jij mijn haar knippen?”
Ik kan je haar knippen, Pablo. Laat mij nu je haar knippen.
Afwezigheid
Terwijl ik schetsen teken van je ogen, stel ik mij ze voor
in de oogholten van de visgraten die ik zag in de soep
die ik gisterenmiddag bereidde. De holtes waren zo perfect
rond en leeg dat ik mij verbeeldde dat je ogen ze opvulden –
en zo plots ontwaakten in de holten van je oogkassen.
Jouw gezicht zo vol graten. Toen we op de meest westelijke
kant van het eiland waren, was jij het die vis wou op het menu
en ik was zwanger en de wensen van zwangere vrouwen
worden streng gerespecteerd in dit land. Zo zei ik
dat ik vis wou aan de mensen die reeds hadden gezegd
dat ze die niet hadden. Zij wezen mij naar de
boten van de vissers die aanlegden op de oever.
Zij hadden ontelbare verse vissen uit een zee gevuld met
dode dominicanen, die weggelopen waren uit hun land,
blootsvoets, in dezelfde kleurrijke kleine
boten om te verdrinken in deze wateren.
Wij kochten er een half dozijn en zij waren roze.
We aten ze allemaal op. Ik nam een foto van je met een
van je ogen kijkend door de holte van een visoog.
Oh! Jouw ogen, altijd wijdopen, wijder, jouw ogen
die teveel zien, zelfs op plaatsen waar weinig te zien is,
Jouw ogen die horen, zelfs meer dan de verhalen die
overbodig lijken, jouw ogen die mij hebben
gematerialiseerd en van mij een vrouw gemaakt.
Ik schrijf sketches over jouw huid, die de kleur
heeft van het hout waarmee we ons huis bouwden.
Jij bent zo zeer een deel van de natuur die ik bewonder,
altijd op zoek, in beweging, rusteloos, rond de vierkante
sectie van jouw aarde. Wij slapen met elkander, wij praten
aan de telefoon ’s ochtends en ’s middags – etenstijden gewijd
aan conversaties - maar ik mis je.
Bij het diner vanavond, met mijn zoon aan de linker-,
onze slapende dochter aan de rechterkant en jij,
aan het andere uiteinde van de lange ronde tafel,
ik kon je nauwelijks horen. Ik zei dat ik opnieuw
ging trouwen. Jij rondde je ogen, verschrikt denk ik,
en bang voor onze zogenaamde stabiliteit. En ik zei ja,
ik trouw met jou om nog eens tijd te hebben voor ons alleen.
Werk, kinderen, afspraken, scheuren me in stukken.
Wij slapen samen maar ik mis je.
DE ZILVEREN VROUW
Ik moet eraan denken dat ik in de stad ben waar de beschaving begon,
dat ik een vrouw ben en dat ik een naam heb. Ik herinner mij
mijn naam. Herinneren stopt mijn dans niet.
Ik richt mijn hoofd op en rondt mijn lippen
en open alle monden van het lichaam van de zilveren vrouw
tot zij niet langer voor mij staat maar ik haar opslok in mijn lichaam.
De spiegel is gebroken. Ik weet nu dat ik een vrouw draag in mij,
iemand die werd geworpen in een spiegel.
Ik weet niet of ik zou doen dat ik gek was.
Swingen, misschien. Ik grijp mijn knieën, beweeg mijn lichaam
voor- en achterwaarts. Ik voel de duizeling van een wilde dans.
Ik duw mijn hoofd op mijn knieën en ruik zelfs de intieme
geuren van mijn lichaam. De vrouw is mooi.
Hoe kan een mooie vrouw zo lang opgesloten in een spiegel lijden?
Zij bekijkt mij terwijl ik dans, raakt de hoeken van de spiegel aan
om mij te voelen. Ik moet bang zijn geweest, maar ik kan het mij
niet herinneren.
Ik bespeelde al de zintuigen van mijn logica om kalm te blijven
tegenover haar. Ik wil haar de ruimte geven om te bestaan.
In de duisternis van de gang, in het midden van een vreemde wolk
van stof, zit ik als een student op een tapijt op te kijken naar de
lange vrouw voor mij. Maar zij buigt haar lichaam voorover
om op mijn hoogte te komen. Ik ben bewegingloos,
met gekruiste benen, handen gevouwen op mijn knieën, kijk ik
naar haar ogen en denk
hoe zou ik mij gedragen als ik gek was.
Langzaam ga ik verder. Met niets om handen vind ik toch geen rust.
Mijn eigen stem komende van buiten zegt Mira.
Voor mij spiegels. Terwijl mijn lichaam tot rust komt
vormt een vrouw haar lichaam uit de rook: haar omtrekken,
haar brede heupen, haar lange reikende armen
alsof zij voor eeuwen gebogen zat. Een zilveren vrouw
die haar versteende geluidloze lippen verroert.
Ik begeef mij in de enge gang van dit goedkoop hotel
en voel hoe mijn hoofd zich buigt en mijn ogen staren
naar het marineblauwe tapijt. Ik begin de knopen vuil
te tellen als vetpuisten op een open huid.
Ik denk hoe zou ik mij gedragen als ik gek was.
DE PIJN VAN HET GENOT
Ik nam geen nota’s om alles te onthouden.
Ik vergeet nota’s te nemen. Ik vergeet
mijn bandrecorder. Ik bewaar geen herinneringen.
Alles gaat verloren, elke herinnering verborgen
in het diepste van mijn dromen. Maar mijn dromen
zijn altijd te ver, en ik vergeet hen.
Vorige nacht nog werd mijn dochter wakker
met een vreemd soort hoest
en toen ik terug naar bed ging
en mijn ogen sloot zag ik dat ik probeerde
een deur te sluiten waarvan het slot vast zat.
Ik riep iemand, een man, om me te helpen
het ding te repareren. Onze handen
raakten elkander bij toeval, niet bewust.
Ik voelde mijzelf vuil, alsof iets kleverigs
was blijven plakken op mijn hand,
iets kleverigs in mijn handen dat ik
niet gewild had. En dan die deur die ik niet
kan sluiten om mijn zoon niet te laten
weten wat er gebeurt in mijn bed, en
angstvallig mijn ambivalentie te bewaren,
mijn ja ik wil wel en mijn ja ik wil het niet.
Ik wil hem niet laten weten
dat ik mijn liefde geef aan een andere man.
Op een nacht hoorde hij mijn geluiden.
Hij dacht dat het pijn was en niet het genot.
Ik dacht dat hij sliep en niet luisterde.
En misschien voel ik mij wel schuldig
omdat ik dit genot niet kan delen met hem,
de persoon waarvan ik het meest hou.
* * *
ELIZABETH ALEXANDER
RAS
Soms moet ik denken aan Groot-Oom Paul die
Tuskegee,
Alabama verliet om een houtvester te worden in Oregon en zodoende
fundamenteel blank werd voor de rest van zijn leven, behalve
wanneer hij reisde zonder zijn blanke vrouw om zijn familie te bezoeken.
---
nu in New York, dan in Harlem, USA – met een even bleke huid,
even strakke haren, even blauwe ogen als Paul, en zwart. Paul
vertelde
nooit iemand dat hij blank was, hij zei gewoon niet dat hij zwart
was,
en wie kon zich in 1930 een houtvester uit Oregon voorstellen
die geen blanke was? De broers in Harlem zorgden
er elke morgen voor dat niemand hen voor iets anders kon houden
dan voor wat ze waren, nl. zwart. Ze waren zwart! Bruinhuidige
echtgenoten namen elke twijfel daarover weg.
Vele anderen hebben dit verhaal verteld en niet verteld.
Toen Paul op zijn eentje oostwaarts trok was hij wat zij waren, nl.
hun broeder.
De dichter vindt heroïsche ogenblikken uit waarop de bleke zwarte
voorouder opstaat namens het ras. De dichter verbeeldt zich Groot-Oom
Paul in koele bossen waar hij de ringen telt van de sequoiastammen,
verbeeldt potloodtekeningen in een register, classificaties,
verbeeldt een slinkse blik van een ivoren echtgenote
die haar man’s ceasuras leert. Zij kan de stille intervallen zien,
maar niet hun betekenis, grafiettekens in een houtvesters code.
Vele anderen hebben dit verhaal verteld en niet verteld.
Die ene keer dat Groot-Oom Paul zijn vrouw bracht naar
New York,
vroeg hij zijn broers hun echtgenoten niet mee te brengen,
en dat is waar het verhaal eindigt
Wat een geheimzinnige zaak is “ras” toch, en familie, nog geheimzinniger.
Hier vertelt een gedicht een verhaal, een verhaal over rassen.
* * *
RAE ARMANTROUT
ALS EEN
1
Na een maandenlange scheiding, nodigt mijn vriendin mij uit haar
te ontmoeten in een gekende plaats in de stad, waar we beiden
vroeger gewoond hebben. Wij nemen plaats aan een tafel in de zon,
achter een mariachiband, en spreken vlug als om de verloren
gesprekken “in te halen”. Zij beweert dat wat wetenschappers
ons leren over de tijd doet veronderstellen dat het mogelijk is
te kijken in de toekomst. Ik stem daarmee in door citaten van
Gödel en Hawkin te mengen in het gesprek: “Als het universum
ronddraait – en waarom zou het dat niet? – is het mogelijk dat de tijd
rond is.” Wij onderbreken elkaar vaak van opwinding alhoewel we
deze conversatie al verschillende keren in het verleden hebben
gevoerd.
2
Harde woorden treden in de geest,
“breken in onuitgenodigd”
Misschien verwijzen ze naar mij,
maar ik spreek ze luid uit
voor mijzelf, door mijzelf,
wat hen minder overtuigend doet klinken.
3
“Er bestaan in feite maar twee
principes.”
A) Wij kunnen worden vertegenwoordigd,
iemand kan onze plaats innemen of lijden
in onze plaats.
B) Dit is al gebeurd, in het nabije verleden,
en alles wat we moeten doen, is het niet
vergeten.
* * *
MARK CONWAY
VOOR ALEXANDRIA
Er is altijd de rivier en dan een stijgen
uit een wit bed. Bomen wenden zich tot ouderen
die mank lopen ’s nachts, zingend door ontsmette
straten, de nachtgeur van naalden. Voorrijders
spelen als schaduwen op de balustrade
een schouwspel met de regen. Hiermee bedoel ik
geheugen. Ik vroeg, “Zal ik mij dit herinneren?”
terwijl ik bedoelde, Wanneer zal het eindigen?
Troje brandt eeuwig in de bibliotheek
daarom blijven de schilderijen hetzelfde, altijd
brandend. Niets anders blijft hetzelfde. God
en al zijn brandweermannen, met rode gezichten, hernemen
het kaartspel. Varens branden in Turkije,
boten worden neergelaten voor nieuwe boeken. De ouderen
zoeken mij. Ik zit verscholen in de slaapkamer,
pagina’s als rook in mijn handen.
DE WEG TERUG
Ik had meer te kijk gestaan als ik
had geweten dat jij stond te loeren
en te gluren, bijna naakt, elegant
en rustig.
Jij hebt het mis voor als je denkt
dat ik uiterlijk wil bekend worden
jij met je engelachtige vilthoed
gehuld in terughoudendheid.
Ik spreek met mijzelf in onze eigen speciale stem.
Jij hoort, dat weet ik, door de kwaliteit
van je onverschilligheid.
Ik dweep met anderen, halt gehouden op de weg,
dring ik erop aan dat jij en ik nooit een item zouden zijn.
Jij rijdt alleen
Ik weet wat je wenst door de wijze waarop je
mij verlaat. We zullen nooit meer
teruggaan, nietwaar? Fluister tegen mij
nog een keer over onze thuis.
Met de bloem van de waanzin,
kreeg de stoffelijke aarde
een menselijke gedaante:
Ik ben de zoon, de vader, de moeder,
het lijden en de kracht
Ik ben het gebulder van de vuurtoren,
het fabriek, het langzaam
verstrijken van de tijd.
Ik ben de geur van de kalme zee,
de storm
het feest van de ouderen.
Op mij vond ik de dagen
van darren en hommels,
de huwelijken van mensen en van dieren,
de gedachte aan demonen met levendige ogen
die gulhartig dansen en praten
en ons enkel een echo laten.
De aarde, met een schorre stem,
sust het weiland van zijn huid.
De bejaarde aarde. De verse aarde.
Het was zinloos zijn ogen te sluiten,
om te getuigen op de pleinen:
“Van zee tot zee, tussen de twee: oorlog.”
de schreeuw van een matroos,
het lichaam van een zwaard.
Ginds,
naïef en onderworpen,
de dochter, de zuster,
de enkele afwezigheid van de zee;
de aarde met een schorre stem.
Wij, knielend voor de dromen van de Koningin,
kenden de wet van de cyclonen,
het seizoen van de fabels
en het ronddraaien van deze meeuwenhemelen.
In de rol van Ambassadeurs
spraken we over hommages aan lagunes en rivieren,
colloquia, vreemde sloepen,
rijen van jeneverbessen en verstrikte palmen.
Wij spraken over het geslacht van Tempels,
de huid van dassen en de kleren van hyacinten,
over ceremonies grenzend aan corrupties.
Wij, vogels van het Noorden, ketenden
de verbonden van Hemel en Aarde.
(Vertel me de waarheid, jij maker van leugens – beveelt de Koningin
met een goed gevoede mond.)
Maar de nacht is binnengedrongen in dat deel van de herinnering
en vrouwen verheffen hun gebeden
in de saaiheid van zo vele offerandes.
Geprezen zijnde kalme namiddagen
toen schepen
als blinde geiten, terugkeerden
naar de herinnering van hun thuislanden!
Geprezen zij de familie van de gehoornde adder,
de koning van de kudde,
de verhalen verteld tegen elkaar!
Geprezen zijn de baaien, open
voor de spelen van de maan
en de invasies van moorddadige nachten!
Geprezen zij de maker van pieren
en kisten
waar gratie en wonder worden bewaard!
(Wij ademen de vreugde van oregano
en wilde marjolein; we zijn bereid meedogenloos
te sterven.)
Gezegend de nacht die zoveel slaap beschut!
En boven de zaligheid en de glorie,
bidden wij U Heer,
laat ons de loop van de winden kennen,
de route van het eerste geritsel,
de wetten die de irissen doen bloeien.
Heer, wij zullen ons lichaam
openen
voor bergketens, suikerrietplantages
en alle dorre heuvels.
We zullen volgzaam zijn
voor het zweet van de jungle,
innemend
voor de stemmen van de steen,
trouw aan de kusten
waar zijde
en malaria worden verhandeld.
En van de lippen van een zoet orakel
glijdt dit deel van een droom:
onder het spoor van de wind
en de bittere smaak van kruiden
reizen mensen naar een oud land
gezonden naar bergtoppen
en zaaivelden
om een spoor in boeken na te laten.
De Gevorderde
die de geheime dingen, de afgronden
en de vormen van de rotsen noemt,
kauwt een blad geteeld onder de maan
en zijn gedachten
dalen af naar de wortels van dat keizerrijk.
Geladen met het verleden
ga ik naar de oorsprong van elke glans,
en met de gave van de Almachtige
bevoorrecht ik takken en bergen.
Hij maakte een groot fortuin
nadat de schepen waren weggevaren.
Meer dan zes verbonden verder werd het strand van
zijn verlangen geboren.
Jij bent er, grenzeloos tussen de palmbladeren.
Gevuld met allerlei vissoorten,
beladen met makereelgelach.
Jij bent het lichaam van een maagd,
de tuniek van hoop.
Boven jou zal ik de eer en de kaste aanwijzen.
O, Aarde met de mond van een vrouw,
laat mijn kracht los,
de gratie die nestelt als fruit
in de palm van mijn lichaam!
Ik ben alleen en ik ben bang.
Ver is de andere oever van mijn droom,
de haven waar vrouwen van zout
schilderen de gezichten van verlangen.
Gasten van mijn dierbare herinnering,
eet van mij,
van mijn herinneringen,
ik wil je horen knagen aan het brood en de kaas,
ik wil mijzelf offeren, van plaats verwisselen
met de doden!
De aarde klopt in mijn aderen,
ik voel de kalksteen, de fosfor,
het respijt van een nooit eindigende wortel.
Het speeksel van de aarde vindt mij,
een man alleen,
als een blad van een lenticus
in het gesis dat uit de zee stijgt.
Groen was het blad dat de reizigers zich herinnerden.
Zittend op de versleten balustrade,
vierden zij het pad waar de spotvogel
leven aankondigde.
Geschonken aan het genot van de meeldauw
en de sluiers,
kijk ik naar de grappige en bewegingloze dingen
terwijl ik denk aan monkelende vrouwen.
Jouw geur was de traagheid van de morgen;
de warmte van jouw borsten,
de oorzaak van een dralende stilte.
Ik heb gedroomd van enorme firmamenten
van frisheid,
van schaduwen die beven
onder dijken,
en van grote bomen gegroeid
onder de onverschilligheid van de maan.
Ik heb gedroomd van jou levend,
in mijn handen,
met jouw geluid van knetterende
species
met de heilige teksten
geschreven in jouw binnenste,
met de fragmenten
van alles dat vreemd is voor jou,
met de wilde bloemen die de
tempels en maskers geringschatten.
Ik heb gedroomd van jou die
het verleden van mijn woorden
opnieuw beklimt
als een gevlekte mare,
rustig en harmonieus.
Dame van een Azteeks ras,
van golf tot golf, werd jij doordrongen
door een wit leger van zeemeeuwen.
Wie gelijkt er op jou ?
“Gekweld door de zee
ben jij nu
begraven in de diepten van de wateren.”
Aarde
van alle dingen en alle wezens,
begerig naar territoriums
en titels voor provinciën.
Jouw aanwezigheid is mijn wet,
jouw tijdvak
de heiligste koord.
Aarde,
geef mij mijn stem terug,
laat mijn dromen worden bezocht door de waarheid,
open de nacht voor de pracht van water.
Bevrijd me
van elke verleden en leid me,
als een school inktvissen
of als de hongerige hydra
op zoek naar een watervlo,
naar de herinnering van de heilige zee.
God, de nacht heeft zijn koorden afgeworpen.
* * *
CHRISTINA DAVIS
DE DICHTER SCHENKT HAAR LICHAAM AAN DE
WETENSCHAP
Kom binnen, deze huid is voor jou.
Niets wordt nog ooit verpakt
in zijn vouwen. Breek een rib, maak er een
man van, plaats hem in het paradijs.
Zie hoe hij het doet zonder verbeelding.
Maak mijn geest op
als een bed. Snijd de tumor van een droom open.
Kun je in het hart geraken? Kun je het reanimeren,
beeldhouwen, of bedekken ? De bonzende impuls.
Wees niet bang
van het donker. Kom binnen met je hard
en innerlijk antwoord. Kom binnen,
ik ben alles van het bovengenoemde. Beëindig
deze vruchteloze muiterij. Doe je handschoenen uit.
Raak mij aan. Ik ben de puzzel
waarvan jij altijd de grenzen aftast.
Voel de feiten van mij. Lippen, handen, ogen
die zich nooit hebben toegelegd
op een enkele liefde. De brede mond
van mij smelt nu met geen lichaam samen,
maar met het bloed dat gelooft in mij.
Hier is het geschenk van de huid. Hier is de achterdeur
naar de vergetelheid. Laat de totale duisternis
nu maar buiten.
* * *
SUSAN DAVIS
LA MUSICA NUOVA
Inderdaad, zij werd verliefd op die vrouw
wegens de manier waarop zij een kleed draagt.
Wegens de manier waarop zij de nacht draagt
op haar kleed en het kleed op haar schouders.
Omdat de pijpen van haar vingers bij het gladstrijken
van de mouwen van haar kleed een orgel wordt van
nieuwe muziek.: de fijne, dikke knop van een parel
die zij van plan is te dragen als een lang, nieuw leven.
* * *
STUART DISCHELL
AVOND III
In een ander land bij een zee veel kalmer
dan de onze, zag ik hoe de avond begon
op de berg, zachtjes neerstreek over de
heuvels van lavendel, om dan voluit te
gaan rusten op het water.
Voor mij gebeurde dat nogal vlug, maar het was
de avond die rustig zijn tijd nam. Voor de avond
zijn alle zware inspanningen vruchteloos, ze zijn
een smoes op mensenmaat. De avond weet wat werkelijk
belangrijk is.
De avond houdt van wijn en van baders die hun
kleren uitdoen en hangen over de balustrade.
De avond houdt van kaas en olijven en dingen die
hem weinig moeite kosten. De avond houdt van
trage seks, verkiest te spelen met de tenen, knieën en heupen
van de verliefden. Klimt graag op hun torsos
en onthult aan elk van hen de nog niet gekuste plekjes. Om
hen tenslotte te verbazen met hun verlichte gezichten.
* * *
CLAIRE HERO
VOORLOPIGE TUINEN
1.
De kleinste tuin in de geschiedenis groeide in de hand
van een zekere Mevr. A uit Ohio.
Hij had de afmetingen en de vorm van een kiezelsteen.
Iedereen riep luid Ooooh, en het was duidelijk
dat Mijnheer B. jaloers was. “Hij is gejat”, zei hij.
Maar we kunnen niet zeker zijn. Zij had een zeer groene vinger.
2.
Mevr. H plantte alleen vijfvingerbloemen,
ofwel deze die de zinnen verzachtten:
mos, flox, Robertkruid, gouden alexander.
Sommigen noemde het een aardigheid, anderen luiheid:
haar ongelijke rijen bedreigden het gazon,
gaven molshopen, wespennesten en zandkastelen vrij spel.
Op haar linker pols droeg zij een armband van kinderen.
Zij klingelden als kleine klokjes als zij zwaaide met haar spade.
In haar rechterhand droeg zij een bijl.
3.
Het was moeilijk de namen en de kruisingen bij te houden.
En onder welke omstandigheden! Mevr. H’s gezicht sloeg rood
aan van de grote hitte, en de handen van Mijnheer B
waren verbrand door de chemicaliën. Hooligans
braken herhaaldelijk het dak van de serre
en wij moesten het telkens weer vervangen.
Natuurlijk werden wij daar moe van, en lieten
de kinderen achter in de bossen aan de rand van de stad.
We bleven maar hekken bouwen, maar zij slaagden erin
er door te geraken. Weldra schoten er roze bloemen
in al de barsten, die de uren uitklokten.
Tenslotte moesten we de winkel sluiten. De
weerkaatsingen in de ramen waren er teveel aangezichten
bloeiden op elke open plaats.
’s Morgens bleef er niets over dan de parade.
Maar we kunnen er nooit zeker van zijn. Lange en smalle fragmenten
spanden samen zoals de maan rijst boven het hek.
Mijnheer B. stond er met open mond bij. Iemand zei: “het is een gardenia” ,
en iedereen zei: “ja zeker, ja zeker”.
Maar dan merkte Mevr. H op:” Zijn we al zover gekomen?”
en sloot zich op in een boek met schetsen van bloemen.
Het was duidelijk dat de picknick afgelopen was en wij
raapten onze spullen en onze knapzak samen toen Mevr. A
opmerkte: “In de lente zal er wel iets uitkomen” en iedereen
knikte instemmend.
* * *
CAL BEDIENT
JE KUNT HET VOORWERP VAN WILDE BEWONDERING
ZIJN IN TIEN DAGEN
Jij bent wonderwel in mekaar gezet.
Het land heeft een oog voor jou. Je bent de ware ziel van de aardrijkskunde.
Word niet onrustig. Stap niet over mij, luchtspin.
Ga zitten en babbel de verveling van de avond weg. Het is zo heet. Als jij je
kleed uitspreidt
wordt het zo heet.
Je bent de ware ziel van gebeurtenissen, rolschaats om mij heen.
Uitstekend. Intens begeerlijk. Luister je ?
Jouw lipstick splijt de rots open als een watermeloen.
Word niet onrustig. Zeg wat je voelt. Je zult er van houden.
Volgehouden tonen zijn nochtans uit de mode: hun leeftijd, afmeting, jagende
honden en codelocaties alle neergehaald
zoals de gehangenen wier talrijke vrienden
rennen om hun benen weg te slepen, zo van dat soort. Vertrek
met pluimen in de mond zoals de kat. Dit noemt men
de dialectiek van het aanzien.
Zoals ik ging zeggen, ben jij de ondergewaardeerde lieveling van afstanden.
Schemering. Avond. Suggestief. Kom hier zitten met de emmer in jouw
schoot,
hoest als het moet, maar bedaar jouw gesnik;
Jouw vlees bonst als een vibrator.
Als mijn adem stinkt naar een gehuurd geweer, wees blij ermee
want ik kan de prairie zuiveren van vijandigheden.
Jij trekt weg? Na al dat werk dat ik heb gedaan?
Ik heb jouw soort al vaker ontmoet. Ik trek ze zelfs aan.
In elk geval aardkleuren passen niet goed op jou,
weet je dat? En het land, die fetisj, graaft een gat
zo groot als jouw verraderlijke voet.
Net nu ik jou had waar je zo goed rook.
* * *
ANDREW ZAWACKI
CREDO
Jij zegt wind is maar wind
die draagt geen energie
in zijn tanden. Ik geloof dat niet.
Ik heb bladeren zien ophouden met waaien
ofschoon de takken bewogen,
en ik geloof dat een cycloon geheimen heeft
die het weer niet kent. Ik geloof
in het geweld van het niet-weten.
Ik heb gezien hoe een rivier uit koers ging
en zichzelf weer terugvond, en ik heb rivieren gezien
niet anders dan jij, die hun terugweg
niet meer vonden. Ik geloof in de betrekking
tussen water en zand, de toenadering tussen
spiegel en gezicht; Ik geloof in de regen
die toedekt wat rouwt, in hagel die herleeft
en sneeuw die wegspoelt, geloof
dat elke val een figuur is van de regen,
en nu geloof ik in watervallen die alles
met zich meesleuren.
De hemel verklaart quitte te zijn, zo geloof ik toch
als lucht, of aarde, of lucht genoeg gehad hebben.
Ik geloof in ongerustheid,
de druk die zij uitoefent, geloof dat een wolk
de grenzen van de nacht kan beheersen. Ik zeg ik,
maar weinig blijft over om het te zeggen, eigenlijk
nog minder – en toch doe ik het. Maar een
ding is zeker. Ik geloof niet
dat dingen herboren worden in het vuur.
Ik geloof dat ze worden geconsumeerd door het vuur,
en dat het vuur een eigen leven leidt.
terug naar boven


EPISTEL VAN DE SCHIPBREUK Elf Amerikaanse dichters van nu
|
Netbook nummer 21 van Het Prieeltje Online
Copyright © 2004 't Prieeltje Online. All rights reserved.
|