Aridjis, Becerra, Fraire, e.a.
HOMERO ARIDJIS (° Michoacán, 1940)

SOMS RAKEN WE EEN LICHAAM AAN

Soms raken we een lichaam aan en wij maken het wakker
en het is een weg door de nacht die voor onze zintuigen het kloppen van zijn
armen opent zoals van de zee
en wij houden ervan als de zee
als een naakt lied
als de beste zomer
wij zeggen het is licht zoals men zegt nu
wij zeggen het is gisteren en andere oorden
wij vullen het met lichamen en lichamen
met meeuwen onze eigen meeuwen
wij gaan het beklimmen van top naar top
met oren en daken en deurklinken
met hotels en sloten en herinneringen
en landschappen en tijd en planetoïden
wij vullen het boordevol met onszelf en met ziel
met boorden van eilanden en met ziel
we voelen onszelf leven en elke dag
voelen we onszelf mooi maar slechts schaduw


HET IS JOUW NAAM EN HET IS OKTOBER

Het is jouw naam en het is ook oktober
het is het bed en jouw zalven
het is zij jij de jonge vrouw wiens hoofd verkeert in een roes
en zij zijn de duiven die vliegen in het geheim
en de laatste trede van de toren
en het is de beminde spionerende liefde van de kantelen
en het is de instemming met elke beweging en de voorwerpen
en zij zijn de paviljoenen
en het niet-zijn van allen in een act
en het is het Lied van de Liederen
en het is de liefde die van je houdt
en het is een som van kijken
en waakzaamheid eenzaam op de rand van de nacht
aan de zijde van de dromer en van allen die slapeloos zijn
en het is ook april en november
en de innerlijke beroering van augustus
en het is jouw naaktheid
die het licht van de spiegels opdrinkt
en het is de manier die jij en de tarwe hebben
om jezelf te vertonen in dingen
en jij bent jij en ik ben ik
en het is een rondrraaien in een cirkel
om aan wat je doet de vorm van een boog te geven
en enkel met jouw impuls je het woord uit te leggen

* * *

JOSÉ CARLOS BECERRA (1936-1970)

DE REGELS VAN HET SPEL

Iedereen moet in zijn eigen vernietiging treden, zijn
ademhaling opnieuw aanraken, zijn uitzonderingen op de regel,
de weekdieren van zijn zon cultiveren, en zich onthouden
op de meest wrede en fijnzinnige manier
omdat het licht moet breken en de eeuwigheid een kiezelsteen
moet laten vallen in die weeklacht.
Herinner u de kinderjaren van je moeder, de kinderjaren van jouw dood;
weg van de wereld en elk verlangen,
immuun gemaakt door de hagedis en de vogel die elkaar vinden
in alle intenties van het bloed.
Je hebt het masker gevoeld en zijn vervalsing: het gelaat
in serres van kleine en nutteloze ceremonies die ons blijven
achtervolgen.
Onder het licht van een maan die gelijkt op de naaktheid van
oude woorden, luister naar dit ritme, dit rollen van de waters,
de nacht zet zijn donkere wielen in beweging, deze woorden
zijn haar kracht, en ik laat mijzelf dragen door wat ik zeggen
wil: dit is wat ik niet weet en dit is hoe het woord weegt zijn
stilte.
O vluchtige nacht van het woord,
o, noodlot waar het woord terugkeert naar zijn stilte en stilte
naar het eerste woord
de eerste slakken, de eerste zeesterren verschijnen opnieuw in
de taal, en schepsels van stemmen plaatsen hun adem in
nieuwe spiegels.
Hij die het eerste woord uitspreekt laat het eerste glas vallen,
hij die brutaal uithaalt naar zijn verbazing zal vuur zien in zijn haar,
hij die luidop lacht zal de eerste zijn om stil te blijven,
hij die wakker wordt voor zijn tijd zal zijn botten verrassen
in vlaggenspraak met de bomen;
en de zee, als een gebroken symptoom, keert eens te meer
weer om zichzelf te horen in de verte
en in haar ademhaling horen we opnieuw het geluid van de
slaande deur in de wind van de oneindigheid.
De maan wordt geboren op de zee als een oeroud beeld van de
mens.
De eerste lichten
worden ontstoken in de haven

* * *

ROSARIO CASTELLANOS (1925-1974)

DE ANDERE

Waarom namen van goden uitspreken, sterren
van schuim uit een onzichtbare oceaan,
stuifmeel van de verste tuinen,
als het leven ons pijn doet, als elke dag die komt
ons het hart verscheurt, als elke nacht ineengekrompen,
vermoord neervalt,
als het lijden van iemand, van een mens ons onbekend
maar straks aanwezig en slachtoffer,
de vijand en de liefde en alles dat ons ontbreekt
om volmaakt te zijn ons pijn doen?
Zeg nooit dat de duisternis
niet met één slok kan verslinden het geluk.
Kijk om je heen: er is de andere, er is altijd de andere.
Wat hij ademt is wat je verstikt,
wat hij eet is jouw honger.
Hij sterft met de zuiverste helft van jouw dood.

HET DAGELIJKSE BESTAAN

Voor de liefde, Liefde, bestaan er geen hemelen, dan deze dag;
dit droevig haar dat valt
wanneer je je kamt voor de spiegel.
Die lange tunnels
die zich mengen met het gehijg en verstikken,
de wanden zonder ogen,
de holte die weerklinkt
van een occulte en onverstaanbare stem.
Voor de liefde, Liefde, is er geen pauze. De nacht
wordt niet plotseling verdraagbaar.
En wanneer een ster verbreekt zijn ketens
en jij haar ziet zigzaggen, en dol verloren gaan,
is er geen wet die haar haken losmaakt.
De ontmoeting gebeurt in het donker. In de kus
mengt zich de smaak van tranen.
En in de omhelzing vervlecht jij
de herinnering van een of andere verwarring, van een of andere dood.

LOT

Wij doden wat wij liefhebben. Al de rest
heeft nooit geleefd.
Niemand is zo nabij. Een vergetelheid, een afwezigheid,
soms minder, verwonden niemand anders.
Wij doden wat wij liefhebben. Dat die verstikking
nu eens stopt van te ademhalen met de long van een ander!
Er is niet genoeg lucht voor twee.
En de aarde volstaat niet
voor de verenigde lichamen
en de dosis hoop is klein
en de pijn kan niet worden gedeeld.
De mens is een dier van eenzaamheden,
een hert gewond door een pijl in zijn flank
dat vlucht en zich ledigt met zijn bloed.
Ah, maar de haat, zijn slapeloze fixatie
van glazen pupillen, zijn houding
tegelijk rust en dreiging.
Het hert gaat zich laven en in het water verschijnt
het spiegelbeeld van een tijger.
Het hert drinkt én het water én het beeld. Het wordt -
voor men het verscheurt - (medeplichtig, gefascineerd)
de gelijke van zijn vijand.
Laat ons slechts het leven schenken aan wat wij haten.

* * *

ALI CHUMACERO (° Acaponeta, 1918)

GEDICHT OVER DE VERLIEFDE OORSPRONG

Voor de wind een verbaasde zee was geworden
en de nacht haar rouwkleren had aangetrokken
en de sterren en de maan etaleerden aan de hemel
de witheid van hun lichaam.
Voor het licht, de schaduw en de berg
toekeken hoe de zielen van hun toppen zich verhieven;
voor iets dreef in de lucht;
de tijd voor het begin.
Toen de hoop nog niet was geboren
en de engelen nog niet ronddwaalden in hun blijvende witheid;
toen het water nog niet behoorde aan de wetenschap van de God;
Voor, voor, en nog eens voor.
Toen er nog geen bloemen waren op de paden
omdat er nog geen paden waren en de bloemen niet bestonden;
toen de hemel nog niet blauw was en de mieren nog niet rood,
bestonden wij
jij en ik.

* * *

BRICEIDA CUEVAS COB (° Mexico-City, 1969)

DAME

Dame,
je borsten zijn twee kleine meisjes die elkaar verdringen in het spel terwijl jij de
was doet.
Je blik spant een regenboog in het zeepsop.
Kijkend naar jou zou men niet vermoeden dat je lijdt,
en dat je een deel van je verleden koestert op de bodem van de waskuip.
Je fluit,
jouw gefluit is een draad waaraan je je vermoeidheid hangt.
De wind
is een schalkse jongen die rukt en rukt aan je wasgoed.
Tussen de bomen in het oosten
is de zon een pasgeboren baby die zijn warme gele tranen uitstrooit.

* * *

ISABEL FRAIRE (° Mexico-City, 1934)

MIJN LIEFDE ONTHULT DINGEN

mijn liefde onthult dingen
zijden vlinders
verborgen in haar vingers
haar woorden
besprenkelen mij met sterren
de nacht schittert als een weerlicht
onder de vingers van mijn liefde
mijn liefde vindt werelden uit
waarin serpenten getooid met juwelen schitteren
werelden waar muziek is de wereld
werelden waarin huizen met open ogen
aanschouwen de dageraad
mijn liefde is een gekke zonnebloem die
fragmenten van zon vergeet in de stilte

* * *

JOSÉ COROSTIZA (1901-1973)

PAUZE I

De zee, de zee !
Ik voel haar helemaal in mij.
En enkel door aan haar te denken
zo in mij, zo in mij,
krijgt mijn gedachte een smaak van zout.


DOOD ZONDER EINDE (FRAGMENTEN)

I

Vervuld van mij, belegerd in mijn opperhuid
door een god die me verdrinkt, ongrijpbaar,
gelokt misschien
door zijn stralende sfeer van helderheden
die mijn uitgespreid bewustzijn verhullen,
mijn vleugels gebroken in splinters lucht,
mijn stappen die, onhandig, rondtasten in de modder;
vervuld van mij, verzadigd, vind ik mijn wezen terug
in het verwonderd beeld van het water
dat enkel een vloeiende cascade is,
ondergang van engelen gevallen
in de totale vreugde van zijn gewicht,
die niets anders heeft
dan een gezicht in het wit
voor de helft al ingedrukt zoals een glimlach die sterft
in de fijne zijde van een wolk
en in de droevige lofzangen van de zee
- meer nasmaak van zout of wit van de cumulus
dan een eenvoudige rush van opgejaagd schuim.
Nochtans - o paradox - gedwongen
door de hardheid van het glas die het zuivert,
krijgt het water vorm.
Er zijn fundamenten gravend, bouwt het,
neemt het een tijdperk aan van bittere stilten,
een zachte rust van een jonge afgestorvene,
glimlachtend, die bederft
een hiernamaals van een losgeslagen
troep vogels.
In het net van kristal, ringen die het wurgen,
hier, als in het water van een spiegel,
herkent het zich;
losgebroken nu, druppel na druppel,
wat een naaktheid van water zo intens,
wat een water en nog eens water
droomt in zijn zonnekring,
zingend van koude dorst !
Maar welk glas - ook - voorzichtiger
nog dan wat zich draait tot
een ster van kralen,
dan wat zich voor een heroïsche belofte, ontsteekt
als een borst bewoond door het geluk
en stipt aan het water schenkt
een schitterende bloem
van transparantie,
een oog vervloeiend in de hoogte
en een raam vol verlichte kreten
dat uitgeeft op de gloeiende vrijheid
die zich uitput binnen statige gevangenissen!

IV

Intelligentie, eenzaamheid in vlammen,
die alles onderwerpt maar niets creëert !
Zij veinst de warmte van de modder,
en haar ontroering van pijnlijke substantie,
driftige liefde die haar schoonheid schenkt
en haar verheft boven de vleugels
waar enkel het ritme van de sterren
weent,
maar haar niet de adem schenkt die haar
opheft en haar eigen vreugde laat beleven,
uniek in Hem, smetteloos, enkel in Hem,
onuitspreekbare aarzeling,
liefdevolle vrees van de materie,
engelachtig egoïsme dat ontsnapt
als een juichkreet over de dood
- intelligentie, heide van spiegels ! -
glaciale emanatie van verwelkte rozen
op de top van de verlamde tijd.
Verzegelde polsslag;
zoals een net van trillende aders,
hermetisch systeem van schakels
die zich haasten of nauwelijks vertragen
volgens de intensiteit van hun genoegen;
beangstigende onthouding
die drukt de pijn maar haar niet verwekt,
die luistert al in de steppen van zijn trommelvlies
naar het stijgend klagen van de taal
maar haar niet dwingt;
die niets anders ademt dan de geuren
en zich zo handhaaft, koppige wrok,
een en thuis met zijn steriele god,
zonder tussen haar en hem
de dove droefheid van het vlees te verheffen,
zonder toe te laten in zijn perfecte eenheid de brutale
ironie van deze tweedracht
gevoed onverzoenbaar door leven en dood,
de een na de andere,
zoals de dag volgt op de nacht,
de een en de ander samen in de cel
als in een langzame avondschemering,
afgemat! een ander niets, wrang, steriel,
met Hem, met mij, met ons drieën;
zoals het glas en het water, maar een niets
dat zijn witte stilte brengt op de dodelijke
oever van de woorden
en in het naderend zelf van het bloed
ALLELUJAH! ALLELUJA


* * *

EFRAIN HUERTA (1914-1982)

STER OP DE TOP

In de smeltkroes van de ziel, worden de verlangens gesmeed,
groeit, fris en weelderig, de tederheid
die jouw schaduw imiteert,
die jouw afwezigheid
zo diep, zo verheven uitvindt.
Vandaag verdroom ik jou
tot mijn geliefde:
ster op de top, spoor
van een langzaam viooltje.
Discreet en schoon ontkiemt de eenzaamheid in mijn lichaam.
Vandaag verdroom ik jou tot mijn geliefde:
laat ons de wind en de koude spelen.
Jouw naam lijkt mij puur, koud en onnabootsbaar.
En van de hemel naar de aarde
van die ster op de top naar het zachte geluid van je borst
dalen met een onuitsprekelijke snelheid
als rood schuim
vlugge kussen
ruwe kussen van ijs in mijn herinnering.
Een doodsschreeuw, een vloek
maken uw borsten grijs,
evenals mijn droom
en het nobel parfum van jouw geslacht.
Wat verwachten wij nog, mijn zuster,
van deze ontluikende dageraad
die ons zo vermoeit?
Kijk naar de ster,
zij is wit en niet blauw.
Bekijk haar en dat jouw ogen perfecte rozen worden.

MINI POEZIETJES

HOOGTE

Ik bevind mij
exact
op
een meter
en 74 centimeter
boven
het
niveau
van het kwaad.

TWEE

Waardig
Drinken
In gezelschap
Bevalt
Me
D.w.z.
Alleen
Met
Mijn Ziel

TOTEM

Altijd
Heb ik lief gehad
Met het
Stille
Geweld
Van
Een
Opgeschrikte

PETIT LAROUSSE

"Geboren
Te Silao
1914
Auteur
Van verzen
Met sociale
Inhoud."
Leugenaar
Larousse.
Ik schrijf
Enkel
Verzen
Met
Sexuele
Inhoud.

* * *

RENATO LEDUC (1898-1991)

HET GAAT HIER OM DE VERLOREN TIJD, DEZE
WAARVAN MEN ZEGT DAT DE HEILIGEN HEM
BEWENEN

Wat een wijze deugd de tijd te kennen.
Op tijd liefhebben en zich op tijd bevrijden van de tijd.
Zoals het gezegde het voorschrijft: tijd geven aan de tijd...
hoeveel liefde en hoeveel tijd verlicht de tijd.
Die liefde die ik gaf op het verkeerde moment
heeft mij zolang gemarteld
dat ik nooit de tijd zo bitter heb horen voorbijgaan
dan in deze tijden.
Liefhebben door lief te hebben zoals in een andere tijd
- ik wist toen nog niet dat tijd goud was -
hoeveel tijd heb ik daarmee verloren ! Ah ! Hoeveel tijd !
En voor hoeveel liefdes heb ik nu geen tijd meer,
hoe betreur ik nu, o liefde van die goeie tijden,
het onrechtvaardig feit dat ik mijn tijd verlies...


THEMA'S

Voor ons niets duurzaams. Het
ontbreekt ons aan de hardnekkige wil van de vlieg.
Zolang wij de kracht hebben
observeren wij elk meisje in ons vizier
elke velg van strengheid...
Net als Nero de keizer
martelaar van de moraliserende poseurs
gekroond met rozen
of met een andere gelegenheidsbloem
bekijken wij de zaken
achter een smaragd van illusie...
Mediteren is geen mode meer.
O, wijzen, leer een stiel.
De transcendentale thema's
zoals God, zijn uit dienst gesteld.
De wetenschap...de salarissen...
de kunst...de vrouw...
Educatieve problemen worden
het best benaderd tijdens de cocktail.
En de pijn? En de onvermijdelijke dood ?
Zaken voor de apothekers en de notarissen.
Op een nacht - de nacht leent zich daartoe het best -
zullen zij komen, lelijk kijkend als familieleden,
maar onze bibberende ouderdom
zal slinken van de schouders, en misschien
christelijk murmelen...
Toen...


* * *

SALVADOR NOVO (1904-1974)

NAAST JOUW LICHAAM

Naast jouw lichaam volledig overgeleverd aan het mijne,
naast jouw lieve schouders waar de wegen van jouw omhelzing zijn geboren,
waar jouw stem en glans zijn geboren, ver en helder,
voelde ik plots de oneindige leegte van zijn afwezigheid.
Gedurende al die jaren dat ik hem zo miste
als een klimmende wijnstok die kleeft aan de wind,
heb ik gevoeld hoe hij komt en gaat bij iedere ontmoeting,
en elke dag verscheur ik gretig een boodschap die niets dan een afspraak bevat,
en zijn naam groeit grootser en trilt dieper iedere keer
omdat zijn stem enkel daar is voor mijn oren,
omdat mijn ogen blind werden toen hij vertrok,
en mijn ziel een grote verlaten tempel werd.
Maar dit lichaam van jou is een vreemde god,
gesmeed met herinneringen, een weerspiegeling van mijzelf
zacht door mijn gratie, glorieus door mijn verlangens,
een masker
standbeeld dat ik heb opgericht in zijn herinnering.

J
IJ, IKZELF, DROOG ALS EEN VERSLAGEN WIND

Jij, ikzelf, droog als een verslagen wind
die slechts voor een ogenblik in zijn armen kon houden het blad
dat hij losrukte van de bomen,
hoe is het mogelijk dat niets je nu kan bewegen,
dat geen regen je kan verpletteren, geen zon je jouw vermoeidheid kan
teruggeven?
Een doelloze transparantie zijn
boven de glasheldere meren van je blik,
oh, storm, oh zondvloed van lang geleden!
Indien ik nu een beeld zoek van jou dat alleen van mij was,
indien in mijn steriele handen de laatste druppel van jouw bloed en
mijn tranen verstikte,
indien vanaf nu de wereld onverschillig is geworden,
en in woestenijen eindeloos elke nieuwe nacht
gegroeid is als mos op de herinnering aan jouw omhelzing,
hoe dan kan ik bij elke nieuwe dag anders ademen dan met jouw adem
en andere dan jouw ontastbare armen kruisen met de mijne?
Ik ween als een moeder die haar enige dode zoon heeft vervangen.
Ik ween als de aarde die tweemaal dezelfde perfecte fruitscheut heeft voelen
kiemen
Ik ween omdat jij waart voorbestemd om mijn verdriet te zijn
en ik je nu al in het verleden ga toebehoren.

* * *

RUBÈN BONIFAZ NUNON (° Cordoba, 1923)

VOOR HEN DIE NAAR RECEPTIES KOMEN

Voor hen die naar recepties komen
op zoek naar frivool gezelschap
en niet te benaderen koppels vinden
en mooie jonge meisjes die afschrikken
- want men kan niet dansen en men is droevig -;
voor hen die plaats nemen in een hoek met een
donker en melancholisch glas alcohol,
en met al hun krachten hun ellende verafschuwen
evenals de lusten die zij voelen en de verlangens;
voor hen die met bitterheid weten
dat van de vrouw die zij aanbidden
hun niets rest dan een nagel geplant
in het midden van de rug
en iets onbeduidends en bitter als de geur
van een vergeten handschoen;
voor hen die eens een keer uitgenodigd zijn
en het beste van hun twee pakken hebben
aangetrokken en stipt op tijd zijn toegekomen; en aan
de deur, lang nadat iedereen al binnen is,
hebben geweten dat het niet zal plaats vinden
het rendez-vous en ontgoocheld zijn weergekeerd;
voor hen die 's nachts in de verlichte huizen gluren,
en soms zouden willen binnen zijn:
om met iemand de tafel en het bed te delen
of te wonen met een gelukkige kroost;
en dan begrijpen dat ze het over een
andere boeg moeten gaan gooien, dat het beter is
af te zien dan te worden verslagen;
voor hen die de wereld willen verplaatsen
met hun eenzaam hart,
voor hen die leeg van gedachten
zich uitputten met te lopen door de straten;
voor hen die hun falen overwinnen en voortdoen;
voor hen die bewust lijden
omdat zij nooit troost zullen kennen,
voor hen die mij kunnen horen,
voor hen die gewapend zijn,
schrijf ik.

HOE GEMAKKELIJK HET WAS VOOR DIE VLIEG

Hoe gemakkelijk het was voor die vlieg,
op amper vijf centimeter van de uitvlucht
de uitgang te vinden.
Ik heb haar opgemerkt door het gebrom
van haar onhandige vlucht.
En heb ze dan gevolgd,
en alles wat ze deed was zich de ogen
te pletter vliegen tegen de harde ruit
die er niets van snapte.
Tevergeefs heb ik voor haar het raam geopend
en zelfs gepoogd haar met mijn hand te begeleiden:
maar ze begreep het niet en ging door met het
gevecht tegen de onbeweeglijke lucht die ze
onmogelijk kon doorkruisen.
Het is bijna met plezier dat ik gevoeld heb
dat ik ga sterven; dat mijn zaken niet
zo goed vlotten, maar toch verder gaan;
om ze dan uiteindelijk te vergeten.
Maar daarna heb ik weer gepoogd om alles te ontvluchten,
om mij terug te trekken uit alles, mij te zien, mij te
leren kennen, en ik ben er niet in geslaagd; en
houd het voorhoofd gedrukt tegen de ruit
van mijn vensterraam.

* * *

JOSE EMILIO PACHECO (° Ciud, 1939)

EEUWIGE ZEE

Men zegt altijd dat de zee geen begin heeft.
Zij begint daar waar jij haar voor de eerste keer ontmoet
En komt van alle kanten naar jou toe.

ELEMENTEN VAN DE NACHT

Onder het kleinste keizerrijk dat de zomer heeft uitgeknaagd
storten de dagen ineen, het geloof, de verwachtingen.
In de eerste vallei
lest zich de vernieling
in de overwonnen steden waarop de as stuit.
De regen dooft het bos verlicht door de glans.
De nacht lost zijn gif.
De woorden breken af tegen de lucht.
Niets herstelt zich,
niets geeft
het groen terug aan de verkoolde velden.
Noch het water in zijn verbanningsoord
keert terug naar de fontein
noch de botten van de arend
keren terug naar zijn vleugels.

* * *

OCTAVIA PAZ (1914-1998)

AANRAKING

Mijn handen
openen de gordijnen van je zijn
bekleden je met een andere naaktheid
ontdekken de lichamen van je lichaam
Mijn handen
vinden in jouw lichaam een ander lichaam uit

ZONNESTEEN (FRAGMENTEN)

een wilg van kristal, een populier van water,
een hoge waterstraal omgebogen door de wind,
een goed geplante boom, ofschoon dansend,
een rivierloop die zich kromt,
vooruit-, achteruitgaat, wendt
en altijd aankomt:
een vredige loop van
een ster of van de lente zonder haast,
water met de oogleden gesloten
waaruit heel de nacht voorspellingen opborrelen,
eenstemmige tegenwoordigheid van deining,
golf na golf tot alles wordt ontdekt,
groene soevereinitiet zonder schemerlicht
zoals de betovering van de vleugels
als zij zich openen in volle vlucht, (...)
ik ga door jouw lichaam als door de wereld,
jouw buik is een zonovergoten plaats,
jouw borsten twee kerken waar het bloed
zijn parallelle mysteries viert,
mijn blikken bedekken je als klimop,
jij bent een stad die de zee belegert,
een muur die het licht verdeelt
in twee helften abrikozenkleur,
een plaats van zout, van rotsen en van vogels
zoals mijn gedachten ga jij naakt,
ik ga door je ogen als door het water,
de tijgers drinken een droom uit die ogen,
de collibrie verbrandt zich aan deze vlammen
ik ga door je voorhoofd als door de maan,
zoals de wolk door jouw gedachten,
ik ga langs jouw buik als in jouw dromen,
jouw kleed van maïs golft en zingt,
jouw kleed van kristal, jouw kleed van water,
je lippen, je haren, je blikken,
jij bent regen gans de nacht, gans de dag
opent jij mijn ogen met je watermond,
op mijn botten laat je het regenen, in mijn borst
plant een vloeibare boom zijn waterwortels,
ik ga door je midden als door een rivier
ik ga door je lichaam als in een bos,
als in de berg, op een pad
dat plots leidt naar een afgrond,
ik ga door je uitgerafelde gedachten
en bij de uitgang van je blank voorhoofd
breekt mijn ingestorte schaduw,
ik vang mijn fragmenten een voor een op
en ik ga verder zonder lichaam, ik zoek al tastend, (...)
want de ineengeschrompelde naaktheden
overschrijden de tijd en zijn onkwetsbaar,
niets kan hen raken, zij keren terug naar het begin
er is geen ik, geen jij, geen morgen geen gisteren, geen namen,
noch dubbele waarheid in een enkel lichaam, een enkele ziel,
het totale zijn... (...)
liefhebben is vechten, de wereld verandert
wanneer twee verliefden zich omhelzen, de verlangens worden vlees,
de gedachte wordt vlees, vleugels kruisen zich
op de schouders van de slaaf, de wereld
is reëel en voelbaar, de wijn is wijn,
het brood hervindt zijn smaak, het water is water,
liefhebben is vechten, deuren openen,
ophouden van een spook te zijn met een nummer
veroordeeld tot levenslang door een
meester zonder gezicht;
de wereld verandert
wanneer twee wezens elkaar bekijken en elkaar herkennen,
liefhebben is zich ontdoen van zijn naam (...)
ik zet mijn vervoering verder, kamers, straten,
ik zoek al tastend in de gangen
van de tijd en bestijg en daal af zijn treden
en betast zijn wanden en beweeg niet,
ik keer terug naar het begin, ik zoek zijn gelaat,
ik zoek in de straten van mijzelf
onder een zon zonder leeftijd, en jij aan mijn zijde
jij loopt voort en spreekt met mij als een rivier
jij groeit als een zwaard tussen mijn handen,
jij beeft als een eekhoorntje in mijn handen,
jij vliegt als duizend vogels, jouw glimlach
heeft mij bedekt met schuim, jouw hoofd
is een kleine ster in mijn handen,
de wereld wordt opnieuw groen als je glimlacht
en een sinaasappel eet,
de wereld verandert
wanneer twee verliefden, duizelig en omarmd,
vallen op het gras: de hemel daalt neder,
de bomen verheffen zich, de ruimte
is slechts licht en stilte, ruimte
geopend voor de arend van het oog,
geeft de witte stam van de wolken door,
het lichaam gooit zijn trossen los, de ziel licht het anker,
wij verliezen onze namen en wij drijven af tussen het blauw en het groen,
totale tijd waarin niets gebeurt
dan zijn eigen gelukkig verloop, (...)
- het leven, wanneer werd het werkelijk het onze ?
wanneer zijn wij waarlijk wat wij zijn?
Een realiteit alleen zijn we niet, zijn we nooit
tenzij duizeling en leegte,
gelaatstrek in de spiegel, afschuw en walging,
nooit is het leven het onze, het hoort toe aan de anderen,
het leven hoort toe aan niemand, wij zijn allen
het leven - zonnebrood voor de anderen,
al de anderen die we zijn -,
ik ben de andere als ik ben, mijn handelingen
zijn meer van mij als ze ook van allen zijn,
opdat ik zou kunnen zijn moet ik een ander zijn,
mij verlaten, me zoeken tussen de anderen,
de anderen zijn er niet als ik niet besta,
de anderen die me mijn bestaan verlenen,
er is niet het ik, altijd zijn we onze anderen,
de anderen zijn er niet als ik niet besta,
de anderen die me mijn bestaan verlenen,
er is niet het ik, altijd zijn wij onze anderen,
het leven is de andere, altijd ginds, ver weg,
buiten jou, mij, altijd horizon,
leven dat ons verliest en scheidt van onszelf,
dat ons een gezicht geeft en het gebruikt,
honger van het zijn, o dood, brood van allen, (...)


BROEDERLIJKHEID

Ik ben een mens: ik duur niet lang
en de nacht is enorm.
Maar ik kijk naar boven:
de sterren schrijven.
Zonder te begrijpen, begrijp ik:
ik ben ook geschrift
en op dit eigenste ogenblik
is iemand mij aan het spellen.

TUSSEN WEGGAAN EN BLIJVEN

Tussen het weggaan en het blijven aarzelt de dag,
verliefd op zijn transparantie.
De cirkelvormige avond is al een baai:
in zijn kalm komen en gaan wordt de wereld geboren.
Alles is zichtbaar en alles is illusie,
alles is nabij en alles is onaanraakbaar.
De papieren, het boek, het glas, het potlood
rusten in de schaduw van hun namen.
Het kloppen dat in mijn slaap herhaalt
dezelfde koppige lettergreep van het bloed.
Het licht maakt van de onverschillige muur
een spookachtig toneel van weerkaatsingen.
In het centrum van een oog ontdek ik mezelf;
het bekijkt me niet, ik bekijk mezelf in zijn blik.
Het ogenlbik lost zichzelf op. Zonder te verroeren
blijf ik en ga ik weg: ik ben een pauze.

* * *

JAIMES SABINES (1926-1999)

IK BEN ER NIET HELEMAAL ZEKER VAN

Ik ben er niet helemaal zeker van,
maar ik veronderstel dat een man en een vrouw
op een dag van elkaar gaan houden,
daarna blijven ze langzamerhand alleen,
iets in hun hart zegt hun dat ze alleen zijn,
alleen op de aarde dringen ze in elkaar,
en ze doden elkaar langzamerhand.
Dat alles in stilte.
Zoals het licht verschijnt in het oog.
De liefde verenigt de lichamen.
Ze vullen elkaar met stilte.
Een dezer dagen ontwaken ze arm in arm;
ze denken dan alles te weten.
Ze zien dat ze naakt zijn en ze weten alles.
(Ik ben er niet helemaal zeker van. Ik veronderstel het.)

DE VERLIEFDEN

De verliefden zeggen niets.
Liefde is de mooiste van alle stiltes,
deze die het meest beeft en het moeilijkst te dragen is.
De verliefden zoeken naar iets.
De verliefden zijn zij die weggaan,
zij die veranderen, die vergeten.
Hun harten zeggen hun dat ze het nooit vinden.
Zij vinden het niet, ze blijven zoeken.
De verliefden zwerven rond als gekken
omdat zij alleen zijn, alleen,
zich overgevend, zichzelf weggevend aan elk ogenblik,
huilend omdat zij de liefde niet bewaren.
Zij maken zich zorgen over de liefde. De verliefden
leven van dag tot dag, het is het beste wat zij kunnen doen, het is
alles wat ze weten.
Zij gaan heel de tijd weg,
heel de tijd, gaan ze ergens anders heen.
Ze hopen,
niet op iets speciaals, zij hopen alleen maar.
Zij weten wat het ook is, dat ze het niet zullen vinden.
Liefde is de eeuwigdurende ontferming,
altijd de volgende stap, de volgende, de volgende.
De verliefden zijn de onverzadigbaren,
degenen die gelukkig maar altijd alleen moeten zijn.
De verliefden zijn het serpent in het verhaal.
Ze hebben slangen in plaats van armen.
De aders in hun nek zwellen op
zoals bij slangen, om hen te wurgen.
De verliefden kunnen niet slapen
omdat anders de wormen hen horen.
Ze openen hun ogen in de duisternis
en de terreur overvalt hen.
Ze vinden schorpioenen onder de lakens
en hun bed drijft als op een meer.
De verliefden zijn zot, alleen maar zot
met geen God en geen duivel.
De verliefden komen uit hun holen
bevend, verhongerend,
jagend op spoken.
Zij lachen naar degenen die er alles van weten,
die voor altijd liefhebben, waarachtig,
naar degenen die geloven in de liefde als een onuitblusbare lamp.
De verliefden spelen met het dragen van water,
het tatoeëren van nevel, met te blijven waar ze zijn.
Ze spelen het lange droevige verhaal van de liefde.
Geen van hen zal opgeven.
De verliefden zijn beschaamd om tot een akkoord te komen.
Leeg, enkel maar leeg van een rib naar de andere,
doet de dood hen fermenteren achter de ogen,
en verder gaan zij, ze huilen tot de ochtend
als treinen en hanen nemen pijnlijk afscheid .
Soms bereikt hun een geur van nieuw geboren aarde,
van vrouwen die slapen met een hand op hun geslachtsdeel,
tevreden,
van lieflijke stromen, en keukens.
De verliefden beginnen te zingen tussen hun lippen
een lied dat niet werd aangeleerd.
En huilend gaan zij weg en betreuren
het mooie leven.


* * *


JULIO TORRI (1889-1971)

CIRCE

Circe, aanbiddelijke godin! Ik heb jouw advies getrouw gevolgd . Bind mij niet
aan de mast wanneer we het eiland van de sirenen naderen, het zou mijn
ondergang zijn.
In het midden van de stille oceaan zag ik de fatale oorden. Zij geleken op een
lading viooltjes drijvend op de wateren.
Circe met het golvend haar, nobele godin! Mijn lot is wreed. Hoe kon het mijn
ondergang worden, als de sirenen niet eens gezongen hebben voor mij?


* * *


XAVIER VILLAURRUTIA (1903-1951)

NOCTURNE MET ENGELEN

Men zou zeggen dat de straten leeglopen in de nacht.
De lichten zijn niet meer zo hel dat ze nog kunnen het geheim onthullen,
het geheim dat de mensen kennen die komen en gaan;
want allen bevinden zij zich in het geheim
en men heeft er niets aan van het in duizend stukken te vermorzelen waar het
daarentegen veel aangenamer is het voor
zich te houden
en slechts te delen met het uitverkoren wezen.
Indien iedereen op een bepaald moment zou zeggen
in een woord wat hij denkt,
zouden de negen letters van verlangen een geweldige verlichte
wonde vormen, een oudere constellatie nog levendiger dan de
andere.
En deze constellatie zou als een vurig geslacht zijn
in het diepe lichaam van de nacht,
of beter, als de Tweelingen die voor de eerste keer in hun leven
elkaar in het gezicht zouden kijken, in de ogen, en dan voor
altijd zouden uitdoven.
Plots wordt de stroom van de straat bevolkt met lege wezens,
zij marcheren, houden halt, marcheren verder.
Zij wisselen blikken uit, durven al eens glimlachen,
vormen toevallige paartjes...
Er zijn uithoeken en schaduwbanken,
oevers met diepe en ondefinieerbare vormen,
plotse gaten van verblindend licht
en deuren die openen bij de minste druk.
De stroom van de straat blijft een ogenblik verlaten.
Dan schijnt hij weer uit zichzelf tot leven te komen
ernaar verlangend terug te beginnen.
Hij blijft een tijdje verlamd, stom, buiten adem,
zoals het hart tussen twee spasmen.
Maar een nieuwe polsslag, een nieuwe klopping
werpt in de stroom van de straat nieuwe lege wezens.
Zij komen elkaar tegen, mengen zich onder elkaar en komen boven.
Zij vliegen boven de grond.
Zij zwemmen rechtop, zo miraculeus
dat niemand zou durven beweren dat ze niet marcheren.
Het zijn engelen!
Zij zijn neergedaald op aarde
langs onzichtbare ladders.
Zij komen van de zee die de spiegel is van de hemel,
in schepen van rook en schaduw,
om te smelten en te versmelten met de sterfelijken,
om hun voorhoofd te leggen op de dijen van de vrouwen,
om andere handen te laten kloppen op hun bevende lichamen,
en andere lichamen de hunne te laten zoeken en vinden
zoals de lippen van eenzelfde mond elkaar zoeken en vinden,
om hun lange inactieve mond te bewerken,
om hun tongen van vuur los te laten,
om hun liederen te zingen, hun toespraken, hun vulgaire woorden
los te laten waar de mensen vereren het antieke mysterie
van het vlees, van het bloed en het verlangen.
Zij hebben ingebeelde namen, verrassend eenvoudig.
Zij noemen zich Dick, John, Marvin of Louis.
En niets buiten hun schoonheid onderscheidt hen van de
sterfelijken. Zij gaan, staan stil, gaan opnieuw.
Zij wisselen blikken uit, durven te glimlachen.
Zij vormen toevallige paartjes.
Zij glimlachen schalks bij het nemen van de hotelliften
waar de langzame en verticale vluchten nog steeds in gebruik
zijn.
Hun naakte lichamen dragen hemelse sporen;
tekens, sterren en blauwe brieven.
Zij laten zich vallen op de bedden, duiken in de oorkussens die
hen nog even herinneren aan de wolken.
Maar zij sluiten de ogen om beter te kunnen genieten van hun
mysterieuze incarnatie,
en, wanneer zij inslapen, dromen zij niet van de engelen maar
van de sterfelijken.
Los Angeles, California.

* * *

GABRIEL ZAID (°1934)

GEBOORTE VAN VENUS

Zo rijst je uit het water,
het witst van allen
en je lang haar nog van de zee,
en je wordt voortgestuwd door de wind, geleid door de golven
als de dageraad, in golvingen, heel sereen.
Zo kom je aan, bevroren als de dageraad.
Zo beschut geluk als een mantel.

DE OFFERGAVE

Mijn geliefde is een dankbare aarde.
Wat gezaaid is in haar gaat nooit verloren.
Geplaatst in haar, groeit elk vertrouwen rijkelijk.
Zelfs het minste woord van haar draagt vruchten.
Alles is vervuld in haar, alles wordt zomer.
Geladen met geschenken is zij, kwistig en rijp.
De gratie op haar lippen voelt dankbaar aan.
In haar ogen, haar borsten, haar daden, haar stilte.
Aan haar heb ik terug gegeven wat van haar is.
Daarom geeft ze het terug aan mij.
Zij is het altaar, de godin, het lichaam van de offergave.

DODELIJKE PRAKTIJK

Trek aan de riemen, laat je meevoeren
met gesloten ogen.
Open je ogen, vind jezelf
levend: het mirakel herhaalt zich.
Ga, sta op, vergeet
deze verraderlijke oever
waar je bent geland.

ZONNEWIJZER

Rare klok. Het is niet
het einde van de wereld,
maar het is de schemering.
Realiteit,
de toren van Pisa
zegt het uur
op de rand van het vallen.


terug naar boven
OP DE OEVER VAN DE
WOORDEN