Deze eindeloze lijn: wang, keel, weg, horizon; een slaper, zwevend tussen dood en leven, zachte gesloten ogen Vreugde in lichte treden, zon, natte bladeren en ruimte en een lied van de tijd uit een oude, onuitputtelijke bron, de schoonheid van de zomer, tedere paden en kleine bittere kruiden. Schaduwen spelend op een rustende hand en een dag van hitte, bomen en zwaluwen. Deze eindeloze lijn: wang, keel, weg, horizon.
2
Nu sterven de snelle schaduwen in een peinzende hunkering. Een afscheid vult de lucht vroeg met ouderdom. Het onzichtbare pad is veel te kortbij, de rustplaats van de hand gebroken. Een lied zwelt aan in het vacuüm van de zon, spreekt over de zwijgende loop van de laatste schaduw.
3
Achter de eenzaamheid van de velden, donkere oevers achter het vuur van de velden, heuvels en wind. Duisternis ontspringt uit diepe bronnen koel als alles dat het dierbaarst is in het uur en achter plantenrekken slaat een deur opgeschrikt hoefgetrappel dicht – Bij donkere wateren, uitgebrand, hoor, deze storm uit de mantel van de kathedraal, dit lied en een spleet van stilte.
4
Nu vervagen alle herinneringen De hand grijpt geen sterren- Pijnen, wiegeliederen en vroege dageraad: een ruimte van verlies een ruimte van het lege spel van schaduwen.
ALS EEN DONKERE WARMTE
In de vacht van de avond passeert iemand met een lantaarn, de geheime hoop van de slinger als een donkere warmte bij dageraad.
OCHTEND
Oever, hemel geen schaduw die beweegt Hier ontbloeit de afstand van de hand Gras zilver-helder – O kalme stilte Alles dat gaat dromen.
STILLE TIJD
Een houtsnip scharrelt voorbij. Zongebakken klei ruimt baan voor verborgen bronnen, het zonlicht bereikt zijn eigen betekenis. Ik sta blootsvoets in eeuwig zacht en waterdronken mos, zie het licht en de schaduw van het bladspel in mijn hart, de rustige huiver van stilte in mijn bloed.
LIEDEREN VAN DE SCHADUW
De schaduwen zijn verborgen in de blik van de geliefde; de uren bloeien, sluiten hun kelken. Wanneer alle oevers stil liggen drinkt de schaduw de laatste droom van het hart.
In de vluchtige schemering waar nu de takken liggen als zwakke borstelstrepen verbaast de schaduw zich over de slaap van de zwaluw; als de eenzame man voorbijgaat besluipt de schaduw zijn achtergelaten voetstappen.
ZEE
Hier is het waar ik ben beland. Hier scheidt een grens aarde en zee: golf tegen golf, storm tegen een stilte rood als een kwal. Een maanweg loopt door het donker. Langzaam vervagen sporen van pijn en verveling in het zand. Hier heeft een zwaluw een avondnest uitgesneden. Hier brandt het vuur het hevigst, geblust door golven tot kilte. Een spiegelende stilte, een film van waterdromen, lied voor een vreemdeling, sap voor een bejaarde eik. Hier is het waar ik ben beland. Een zee, een afscheid nemen voor de duisternis. Een grens tussen stilte en mysterie. Bossen van golven, ogen en oogholten gericht naar zwervende sterren.
GEBOREN
Toen ik werd geboren keerde ik terug naar een wereld die ik dacht beter te kennen dan mijn vader en moeder. Hun eerste conversatie met mij leek buitenaards; leunend over mij dompelden ze mijn blik in de schaduw; ik sliep dromend dat ik een klein kind was. Was ik veranderd in de droom? Ik ontwaakte al huilend.
NACHT IN DE OPERA
Zodra de voorstelling begon kwam mijn moeder op de proppen om mijn zuster te steunen die dan maar een bijrolletje had in het massaspel. Gewapend met alleen maar veel lef, en na een heuse worsteling, baande zij zich een weg op het toneel, om tijdens een kleine pauze van het orkest, een liedje te zingen, terwijl mijn zuster, uitgelaten van vreugde, snikte in de donkere vleugels. Het publiek scandeerde onmiddellijk mee en zong met toewijding het lied van mijn moeder. Het hele operagebouw galmde van de muziek, en van de familie was het alleen ik die zijn tegenwoordigheid van geest behield. Op het einde begon de sfeer mij te overweldigen en ik haastte mij naar de uitgang. Toen ik voorzichtig neerkeek vanuit de deuren naar de wereld onder mij, merkte ik hoe het hele operagebouw stond heen en weer te swingen als een dronken glazen bal hangend aan een draad gevormd door het gesnik van mijn zuster, dat het enige geluid was dat ik kon horen. Ik moest vechten om mijn tranen te bedwingen.
DE CONTINUE REUNIE
Jij stopt. Op hetzelfde ogenblik verdwijnt een vogel in een boom. Onze paden zijn weinig veranderd zelfs na jouw dood. Dezelfde wind, dezelfde vogel, dezelfde boom. En nu duwt plots de herinnering mij neer met scherpe pijn.
DE WATERKLEUR
Nadat ik over de boom gestreken had met een borstel, eventjes gedompeld in water, begon hij zacht te vervagen. Omdat er nog genoeg tijd over was, schermde ik de lucht af met een donkerblauw dat mijn kamer bedekte, en overstroomde met een zacht opkomende duisternis; hoog in de lucht trok ik een zwarte streep; nadien baadde mijn kamer in nachtelijke stilte, en zag mijn hand de waterkleur niet meer die mij omringde met zijn geur van water en bomen. De volgende ochtend was het landschap gedroogd; toen ik uit het raam keek, zag ik ruimte en gebladerte, koel en stil.
DE GEUR VAN SNEEUW
De geur van sneeuw, zoals proper glas, is zo zwak dat enkel een geschreven reflectie erover een idee kan geven van zijn bijna niet bestaande natuur.
ZONDAG
Ik heb mij omgedraaid in mijn stoel om mijn ogen te observeren. De kamer is veranderd; wiens gezicht ben ik aan het draaien? Het regent en regent; wind en de geur van water snuif ik op door het open raam. Nu begrijp ik het: het was de hemel waarnaar ik keek. De hemelen! De regen vermindert, het raam sluit zich, ik leg mijn hoofd in mijn handen en wordt afgevoerd door de zwevende duisternis.
LAAT DE WERELD INEENKRIMPEN
Op de berg, onze berg staat een boom in de schaduw, uitgekapt door een vliegend zonlicht. Een made ziet de boom als een duisternis en geen wolken. Op dat niveau komen we niet verder dan donker en licht. Laat de wereld ineenkrimpen! Ik wil de duisternis zien op de berg, de duisternis van de berg, de duisternis van heel de ruimte en in die duisternis het gewone licht, als een flits en de omtrek van jouw ziel.
RUSTIGE AVOND
Niemand komt nader. De kamer bloeit als een bloesem, een verstilde mond;
het slapend kind in de slapende moeder keert zich naar zijn beeld in de nacht;
het sneeuwt, de wind wist de aarzelende sporen van mijn jeugd uit.
Woorden bewegen naar het stille centrum, licht als bergen gedragen door winden.
HERFSTWANDELING
Een man wandelt door de wouden op een dag van wisselend licht. Ontmoet weinig mensen, houdt halt, bekijkt de herfsthemel. Hij gaat naar het kerkhof en niemand die hem volgt.
MORGEN, AVOND
Koel, het gras rust, het is ochtend, avond in jouw leven. Naast jouw paden gaat de laatste dag verborgen misschien in de bladeren van de boom of in stille steden waar jouw kreet niet wordt gehoord.
DE VROEGE MORGEN
Vroege morgen en vroeg gras, stille straten, grote boerderijen en weiden, vertrouwde schaduwen, gedeelten van het licht en wij delen de stilte, de dralende geest.
JOUW BEELD BIJ DE TAFEL
Jouw beeld bij de tafel, de schaduw van het hoofd van het kind op jouw hand, fruit, jouw blik door het raam gevestigd op de bewegingen van de bomen, de beweging weerkaatst in een mes dat het brood snijdt, het nut en de helderheid van dingen.
DE BINNENKOER
Het bruine tafelkleed hing bijna op de grond. Ik zat ongezien eronder in de geur van kool en warmte.
De hemel hing aan roestige haken, de vrouwen van de binnenkoer huiverden. Zij waren de enige bloemen van de zomer. Zij droegen emmers naar het binnenhof waar geen zon scheen.
Vader las het dagblad, in de middelste lade van de kast lagen rekeningen, pandbewijzen, kwitanties, mooi op orde.
Ergens achter huis op huis deinde de zee als een olievlek, je kon ze zien door het zoldervenster. Maar het is de keukentafel die ik mij het best herinner, ze was niet vaak opgeruimd.
Leven, dat was een mysterie, je moest opletten, Binnen- en buitengaan met je huid als een kneuzing die je niet kon aanraken. De lucht was heel helder boven het balkon
Waar het op aan kwam was wat geld verdienen, aan de kost komen. Waar het op aan kwam was een kamer, een bed achter de keuken en sparen voor iets ruimer.
Het water in de bron van de binnenkoer was helder als elke lente.
DE DROOM
Toen keek je naar mij in de droom. Anderen waren daar, wij dronken koffie. Vanuit een nabije kamer scheen er licht in het vage gevoel: ik droom. Daar zat je met je achterover gekamd donker haar. Kalme mond, bewogen ogen, gerimpeld: toe. Alsof ik je voorheen niet had gezien richtte ik mij tot mijn oom die aan het praten was met iemand aan mijn linkerzijde. “Maar ik dacht dat zij gestorven was”, zei ik. Hij hield op met praten en keerde zich naar mij: “Wist jij dat niet?”.
ZIJ ZIJN IN LEVEN
Zij zijn in leven, hier zolang jij hen herinnert,
op een afstand, verhuld, iets zeggend –
zij wandelen achter de haag, jij raakt hen bijna aan of de wind
bleek als linnen.
IN DE BLINDE STEEG
Ze zei dat ik hier moest wachten. Lang ben ik blijven wachten en dacht Dat er iets met haar gebeurd was. Als je staat in het donker met de blik naar Binnen gekeerd, Geen sterren, geen licht, En je enkel hoort hoe je eigen bloed je nagelt in de aarde alsof je een kreupele waart – dan misschien is er een langere wake, een soort koelte die je staande houdt zodat je niet helemaal uiteenvalt. Diep genoeg vanbinnen leer je dan de muur te zien die voor je staat. En de duisternis die slechts wind is en het niets. Zoals rommel weggeblazen in de straat.
MET DAGEN
Met dagen heb ik mijn leven overspoeld, met dagen, met dagen,
Met zware dagen Weggedragen, ongezien,
Met steden heb ik elk uur gevuld, met steden, met hun echo’s,
En gerust zonder rust, ja, zonder rust.
DE LENTE
Ver over de velden klinkt, zwak maar duidelijk de voorjaarslente, ik luister, probeer naderbij te komen.
Het water echoot, kabbelend door de verse zonnegeur van zomerwouden. Ik ga op weg, om te zoeken.
Al duidelijk zichtbaar tussen de bomentoppen van de herfst ligt de lange vallei waarin een verborgen stroom murmelt. Ik moet rusten.
Alsof sneeuwvlokken hingen in de lucht, ontelbaar als onze voetstappen, luister ik, hij is nabij. De stem van de lente, zwakker, maar nog altijd daar, onzichtbaar.
KAMER ZONDER MUREN
Voor de slaap oplicht komt het landschap naderbij door de vallende sneeuw, je droomt dat je wakker bent het is donker in een kamer zonder muren,
voor je ouder wordt en in de herinnering het woud ziet en de wegen die eindigen. Over de duisternis dromen is water,
dat stil rond je beweegt als een aanraking, en dat spreekt met stemmen – zovele stemmen in de eenzame winternacht.
Je ontwaakt en het is rustig. Je hoort geluiden maar de wereld is doof als de duisternis, en de straten zijn leeg, begaanbaar.
EEN BOOM
Ik zie een boom buiten de boom,
hij stond in zijn schaduw met een donkere kroon,
Beeld gelegd op beeld, de stam ruw
als een geur, eigenlijk een frisheid.
EEN STAD
Ik ben geen lamp die schijnt in een duistere gang: ik ben de duistere gang.
Jij bent geen raam geopend voor lopers door doorgangen: je bent de doorgangen.
We zijn niet het huis dat drijft in de lucht onder bruggen, we zijn huis, lucht en bruggen,
We zijn de kamer, de doorgangen, het huis die nu een stad zijn.
HET IS DE TIJD …
Het is niet de tijd die ons verandert, het is de ruimte: het woud laag als een donker lint rond de avond toen we kinderen waren. En het water dat reikte tot aan onze voeten.
Het is de weg die recht getrokken is, dezelfde bomen, huizen, mensen kijkend uit de ramen die ramen zijn in de ruimte, niet in de tijd.
Een kamer voor kinderen, een kamer voor de verliefden waar vogels in en uit vliegen, een kamer voor degene die zo licht slaapt dat zelfs de adem van de dood niet wordt gehoord.
Het meubilair in de kamer is hetzelfde, dezelfde takken aan de voorzijde alsof de kamer was jouw blik die nooit eindigt.
DE OUDEN
We liepen hen tegen het lijf op onze weg de ouden
moe ondanks de koelte en de schaduw alsof zij wilden vergiffenis vragen of dat niet durfden
ogen naar de grond gericht uit schrik te vallen in de hemelen.
CYCLUS
Dan stonden zij van tafel op en gingen door ons heen buiten en weg
en lieten ons de kandelaar op de tafel uitblazen
tot nog alleen bleek licht van sneeuw overbleef achter de lege ramen.
HERINNERING
In de deuropening hangen verscheurde prenten – een herinnering van iets dat overtollig was,
een donker negatief, eindelijk ontwikkeld op de dag dat ik vertrek-
de herinnering is dat deel van het heden dat de toekomst toont.