DE HUIVER VAN
DE STILTE
GEDICHTEN
BO CARPELAN
Copyright © 2004 't Prieeltje Online. All rights reserved.
LYRISCHE SEQUENTIE


1

Deze eindeloze lijn:
wang, keel, weg, horizon;
een slaper, zwevend tussen dood
en leven, zachte gesloten ogen
Vreugde in lichte treden,
zon, natte bladeren en ruimte
en een lied van de tijd uit een oude, onuitputtelijke bron,
de schoonheid van de zomer, tedere paden
en kleine bittere kruiden.
Schaduwen spelend op een rustende hand
en een dag van hitte, bomen en zwaluwen.
Deze eindeloze lijn:
wang, keel, weg, horizon.

2

Nu sterven de snelle schaduwen
in een peinzende hunkering.  Een afscheid
vult de lucht vroeg met ouderdom.
Het onzichtbare pad is veel te kortbij,
de rustplaats van de hand gebroken.
Een lied zwelt aan in het vacuüm van de zon,
spreekt over de zwijgende loop van de laatste schaduw.


3

Achter de eenzaamheid van de velden, donkere oevers
achter het vuur van de velden, heuvels en wind.
Duisternis ontspringt uit diepe bronnen
koel als alles dat het dierbaarst is in het uur
en achter plantenrekken slaat een deur
opgeschrikt hoefgetrappel dicht –
Bij donkere wateren, uitgebrand,
hoor, deze storm uit de mantel van de kathedraal,
dit lied en een spleet van stilte.

4

Nu vervagen alle herinneringen
De hand grijpt geen sterren-
Pijnen, wiegeliederen en vroege dageraad:
een ruimte van verlies
een ruimte van het lege spel van schaduwen.

ALS EEN DONKERE WARMTE


In de vacht van de avond
passeert iemand met een lantaarn,
de geheime hoop van de slinger
als een donkere warmte
bij dageraad.


OCHTEND


Oever, hemel geen schaduw die beweegt
Hier ontbloeit de afstand van de hand
Gras zilver-helder –
O kalme stilte
           Alles dat gaat dromen.

STILLE TIJD


Een houtsnip scharrelt voorbij.
Zongebakken klei ruimt baan voor verborgen bronnen,
het zonlicht bereikt zijn eigen betekenis.
Ik sta blootsvoets in eeuwig zacht en waterdronken mos,
zie het licht en de schaduw van het bladspel in mijn hart,
de rustige huiver van stilte in mijn bloed.


LIEDEREN VAN DE SCHADUW


De schaduwen zijn verborgen
in de blik van de geliefde;
de uren bloeien, sluiten
hun kelken.
Wanneer alle oevers stil liggen
drinkt de schaduw de laatste
droom van het hart.

In de vluchtige schemering
waar nu de takken liggen
als zwakke borstelstrepen
verbaast de schaduw zich
over de slaap van de zwaluw;
als de eenzame man voorbijgaat
besluipt de schaduw zijn achtergelaten
voetstappen.


ZEE

Hier is het waar ik ben beland.  Hier scheidt een grens
aarde en zee: golf tegen golf,
storm tegen een stilte rood als een kwal.
Een maanweg loopt door het donker.  Langzaam
vervagen sporen van pijn en verveling in het zand.
Hier heeft een zwaluw een avondnest uitgesneden.
Hier brandt het vuur het hevigst, geblust door golven
tot kilte.  Een spiegelende stilte,
een film van waterdromen, lied
voor een vreemdeling, sap voor een bejaarde eik.
Hier is het waar ik ben beland.  Een zee, een afscheid nemen
voor de duisternis.  Een grens tussen stilte
en mysterie.  Bossen van golven, ogen en oogholten
gericht naar zwervende sterren.


GEBOREN


Toen ik werd geboren keerde ik terug naar een wereld die ik dacht beter te
kennen dan mijn vader en moeder.  Hun eerste conversatie met mij leek
buitenaards; leunend over mij dompelden ze mijn blik in de schaduw;  ik
sliep dromend dat ik een klein kind was. Was ik veranderd in de droom?  
Ik ontwaakte al huilend.


NACHT IN DE OPERA


Zodra de voorstelling begon kwam mijn moeder op de proppen om mijn
zuster te steunen die dan maar een bijrolletje had in het massaspel.  
Gewapend met alleen maar veel lef, en na een heuse worsteling, baande zij
zich een weg op het toneel, om tijdens een kleine pauze van het orkest, een
liedje te zingen, terwijl mijn zuster, uitgelaten van vreugde, snikte in de
donkere vleugels.  Het publiek scandeerde onmiddellijk mee en zong met
toewijding het lied van mijn moeder.  Het hele operagebouw galmde van de
muziek, en van de familie was het alleen ik die zijn tegenwoordigheid van
geest behield.  Op het einde begon de sfeer mij te overweldigen en ik
haastte mij naar de uitgang.  Toen ik voorzichtig neerkeek vanuit de deuren
naar de wereld onder mij, merkte ik hoe het hele operagebouw stond heen
en weer te swingen als een dronken glazen bal hangend aan een draad
gevormd door het gesnik van mijn zuster, dat het enige geluid was dat ik
kon horen.  Ik moest vechten om mijn tranen te bedwingen.


DE CONTINUE REUNIE


Jij stopt.  Op hetzelfde ogenblik verdwijnt een vogel in een boom.
Onze paden zijn weinig veranderd zelfs na jouw dood.  Dezelfde wind,
dezelfde vogel, dezelfde boom.  En nu duwt plots de herinnering mij neer
met scherpe pijn.


DE WATERKLEUR


Nadat ik over de boom gestreken had met een borstel, eventjes gedompeld
in water, begon hij zacht te vervagen.  Omdat er nog genoeg tijd over was,
schermde ik de lucht af met een donkerblauw dat mijn kamer bedekte, en
overstroomde met een zacht opkomende duisternis; hoog in de lucht trok ik
een zwarte streep; nadien baadde mijn kamer in nachtelijke stilte, en zag
mijn hand de waterkleur niet meer die mij omringde met zijn geur van water
en bomen.  De volgende ochtend was het landschap gedroogd; toen ik uit
het raam keek, zag ik ruimte en gebladerte, koel en stil.


DE GEUR VAN SNEEUW

De geur van sneeuw, zoals proper glas, is zo zwak dat enkel een
geschreven reflectie erover een idee kan geven van zijn bijna niet bestaande
natuur.


ZONDAG

Ik heb mij omgedraaid in mijn stoel om mijn ogen te observeren.  De kamer
is veranderd; wiens gezicht ben ik aan het draaien?  Het regent en regent;
wind en de geur van water snuif ik op door het open raam.  Nu begrijp ik
het: het was de hemel waarnaar ik keek.  De hemelen!  De regen
vermindert, het raam sluit zich, ik leg mijn hoofd in mijn handen en wordt
afgevoerd door de zwevende duisternis.  


LAAT DE WERELD INEENKRIMPEN


Op de berg, onze berg
staat een boom
in de schaduw, uitgekapt door een vliegend zonlicht.
Een made ziet de boom als een duisternis
en geen wolken.  Op dat niveau
komen we niet verder dan donker en licht.
Laat de wereld ineenkrimpen!
Ik wil de duisternis zien op de berg,
                      de duisternis van de berg,
de duisternis van heel de ruimte en in die duisternis
het gewone licht, als een flits
en de omtrek van jouw ziel.


RUSTIGE AVOND


Niemand komt nader.
De kamer bloeit
als een bloesem,
een verstilde mond;

het slapend kind
in de slapende moeder
keert zich
naar zijn beeld in de nacht;

het sneeuwt, de wind
wist de aarzelende sporen
van mijn jeugd uit.

Woorden bewegen
naar het stille centrum,
licht als bergen
gedragen door winden.


HERFSTWANDELING


Een man wandelt door de wouden
op een dag van wisselend licht.
Ontmoet weinig mensen,
houdt halt, bekijkt de herfsthemel.
Hij gaat naar het kerkhof
en niemand die hem volgt.


MORGEN, AVOND


Koel, het gras rust,
het is ochtend, avond
in jouw leven.
Naast jouw paden
gaat de laatste dag
verborgen misschien in de bladeren van de boom
of in stille steden
waar jouw kreet niet wordt gehoord.


DE VROEGE MORGEN


Vroege morgen en vroeg gras,
stille straten, grote boerderijen en weiden,
vertrouwde schaduwen, gedeelten van het licht
en wij delen de stilte, de dralende geest.


JOUW BEELD BIJ DE TAFEL


Jouw beeld bij de tafel,
de schaduw van het hoofd van het kind op jouw hand, fruit,
jouw blik door het raam gevestigd op de bewegingen van de
bomen,
de beweging weerkaatst in een mes dat het brood snijdt,
het nut en de helderheid van dingen.


DE BINNENKOER


Het bruine tafelkleed hing bijna op de grond.
Ik zat ongezien eronder in de geur van
                              kool en warmte.

De hemel hing aan roestige haken,
                            de vrouwen van de binnenkoer huiverden.
Zij waren de enige bloemen van de zomer.
Zij droegen emmers naar het binnenhof
                          waar geen zon scheen.

Vader las het dagblad, in de middelste lade van de kast
lagen rekeningen, pandbewijzen, kwitanties, mooi op orde.

Ergens achter huis op huis deinde de zee als
                                      een olievlek,
je kon ze zien door het zoldervenster.
Maar het is de keukentafel die ik mij het best herinner,
ze was niet vaak opgeruimd.

Leven, dat was een mysterie, je moest opletten,
Binnen- en buitengaan met je huid als een kneuzing
                            die je niet kon aanraken.
De lucht was heel helder boven het balkon

Waar het op aan kwam was wat geld verdienen, aan de kost komen.
Waar het op aan kwam was een kamer, een bed achter de keuken
en sparen voor iets ruimer.

Het water in de bron van de binnenkoer was helder als elke lente.


DE DROOM


Toen keek je naar mij in de droom.  
Anderen waren daar, wij dronken koffie.
Vanuit een nabije kamer scheen er licht
in het vage gevoel: ik droom.
Daar zat je met je achterover gekamd donker haar.
Kalme mond, bewogen ogen, gerimpeld: toe.
Alsof ik je voorheen niet had gezien
richtte ik mij tot mijn oom die
aan het praten was met iemand aan mijn linkerzijde.
“Maar ik dacht dat zij gestorven was”, zei ik.
Hij hield op met praten en keerde zich naar mij:
“Wist jij dat niet?”.


ZIJ ZIJN IN LEVEN


Zij zijn in leven,
hier
zolang jij hen herinnert,

op een afstand,
verhuld,
iets zeggend –

zij wandelen achter de haag,
jij raakt hen bijna aan
of de wind

bleek als linnen.


IN DE BLINDE STEEG


Ze zei dat ik hier moest wachten.
Lang ben ik blijven wachten en dacht
Dat er iets met haar gebeurd was.
Als je staat in het donker met de blik naar
Binnen gekeerd,
Geen sterren, geen licht,
En je enkel hoort hoe je eigen bloed je nagelt in de aarde
alsof je een kreupele waart –
dan misschien is er een langere wake, een soort koelte
die je staande houdt zodat je niet helemaal uiteenvalt.
Diep genoeg vanbinnen
leer je dan de muur te zien die voor je staat.
En de duisternis die slechts wind is en het niets.
Zoals rommel weggeblazen in de straat.


MET DAGEN


Met dagen heb ik mijn leven
overspoeld, met dagen,
met dagen,

Met zware dagen
Weggedragen,
ongezien,

Met steden heb ik elk uur gevuld,
met steden,
met hun echo’s,

En gerust zonder rust,
ja, zonder rust.


DE LENTE


Ver over de velden
klinkt, zwak maar duidelijk
de voorjaarslente,
ik luister,
probeer naderbij te komen.

Het water echoot, kabbelend
door de verse
zonnegeur van zomerwouden.
Ik ga op weg,
om te zoeken.

Al duidelijk zichtbaar
tussen de bomentoppen van de herfst
ligt de lange vallei
waarin een verborgen
stroom murmelt.  Ik moet rusten.

Alsof sneeuwvlokken hingen in de lucht,
ontelbaar als onze voetstappen,
luister ik, hij is nabij.
De stem van de lente, zwakker,
maar nog altijd daar,
onzichtbaar.


KAMER ZONDER MUREN


Voor de slaap oplicht
komt het landschap naderbij door de vallende sneeuw,
je droomt dat je wakker bent
het is donker in een kamer zonder muren,

voor je ouder wordt
en in de herinnering het woud ziet
en de wegen die eindigen.
Over de duisternis dromen is water,

dat stil rond je beweegt
als een aanraking, en dat spreekt
met stemmen – zovele stemmen
in de eenzame winternacht.

Je ontwaakt en het is rustig.
Je hoort geluiden maar de wereld is doof
als de duisternis, en de straten zijn leeg,
begaanbaar.


EEN BOOM

Ik zie een boom
buiten de boom,

hij stond in zijn schaduw
met een donkere kroon,

Beeld gelegd op beeld,
de stam ruw

als een geur, eigenlijk
een frisheid.


EEN STAD


Ik ben geen lamp die schijnt in een duistere gang:
ik ben de duistere gang.

Jij bent geen raam geopend voor lopers door doorgangen:
je bent de doorgangen.

We zijn niet het huis dat drijft in de lucht onder bruggen,
we zijn huis, lucht en bruggen,

We zijn de kamer, de doorgangen, het huis
die nu een stad zijn.


HET IS DE TIJD …


Het is niet de tijd die ons verandert,
het is de ruimte: het woud laag als een donker lint
rond de avond toen we kinderen waren.
En het water dat reikte tot aan onze voeten.

Het is de weg die recht getrokken is,
dezelfde bomen, huizen, mensen
kijkend uit de ramen
die ramen zijn in de ruimte, niet in de tijd.

Een kamer voor kinderen, een kamer voor de verliefden
waar vogels in en uit vliegen,
een kamer voor degene die zo licht slaapt
dat zelfs de adem van de dood niet wordt gehoord.

Het meubilair in de kamer is hetzelfde,
dezelfde takken aan de voorzijde
alsof de kamer was
jouw blik die nooit eindigt.


DE OUDEN

We liepen hen tegen het lijf op onze weg
de ouden

moe ondanks de koelte en de schaduw
alsof zij wilden vergiffenis vragen
of dat niet durfden

ogen naar de grond gericht
uit schrik te vallen
in de hemelen.


CYCLUS


Dan stonden zij van tafel op
en gingen door ons heen buiten en weg

en lieten ons de kandelaar op de tafel
uitblazen

tot nog alleen bleek licht van sneeuw
overbleef achter de lege ramen.


HERINNERING


In de deuropening hangen
verscheurde prenten – een herinnering
van iets dat overtollig was,

een donker negatief, eindelijk ontwikkeld
op de dag dat ik vertrek-

de herinnering is dat deel van het heden
dat de toekomst toont.


terug naar boven