MAURICE MAETERLINCK  (BELGIE)
STILTE IS EEN BROEIKAS VAN PIJN door Henri Thijs

Dat het rond de enige Belg die tot nog toe de Nobelprijs literatuur (1911) mocht
behalen in de Vlaamse poëziekringen tamelijk stil is gebleven, mag geen toeval
heten.  Ten eerste is het feit dat deze Gentenaar uitsluitend in het Frans
schreef en het grootste gedeelte van zijn leven ook in Frankrijk doorbracht
daar zeker niet vreemd aan.  Evenmin het fenomeen van zijn aristrocratische
status waardoor hij ging behoren tot de hoogste regionen van het
maatschappelijk bestel en letterlijk en figuurlijk als een kasteelheer leefde en
stierf (de kastelen van Médan en Orlamonde in Frankrijk). Ten derde is er het
kwantitatief en kwalitatief geringe impact van de poëzie op zijn ganse oeuvre.  
Kwantitatief doordat slechts één bundel "Serres Chaudes", achteraf
heruitgegeven met aanvullende 15 chansons - dus een pakweg 35-tal gedichten -
in zijn kritische ogen de genade kende van een publicatie, alhoewel hij er
honderden moet hebben geschreven.  Kwalitatief vervolgens omdat hij vooral als
toneelauteur en essayist met bespiegelend proza furore heeft gemaakt, waarbij
het poëtisch luik van zijn werk meer in de schaduw kwam te staan.
Tenslotte is het niet te veronachtzamen decreet van 26-01-1914, waardoor al
zijn werken (opera omnia) door de toenmalige kerkelijke overheid op de
beruchte "Indexlijst" werden geplaatst, zeker niet van aard geweest, in het
katholieke Vlaanderen van voor de tweede wereldoorlog, zijn werken populair te
maken en toegankelijk voor het grote Vlaamse publiek.  Barrières genoeg dus die
het genie van een groot kunstenaar hebben gepoogd te kapselen en te
verdoezelen in een "vermeende" stilte rond de dichter van de stilte die hij zijn
hele leven gebleven is.  Stilte als een levensvisie.  Stilte als een roeping.  Stilte
was zijn gewijd en geheiligd domein.  Gewis.  Maar ook de broeikas van zijn pijn
in eerste instantie, het hospitaal van zijn ziel op de tweede plaats, en een
symptoom van eeuwigheid tenslotte.  Duidelijk een drievoudige dimensie van een
levensobject dat voor elke kunstenaar, filosoof en wetenschapper zowel
mythische als mystieke aantrekkingspolen verwekt die culmineren in de studie en
analyse van de waarheid, verborgen achter de schermen van leven en dood.


*

Als "BROEIKAS VAN PIJN" allereerst wordt die stilte in zijn poëzie
benaderd als het bevoorrechte oord waar de geheimen van de ziel een
thuisplaats hebben gevonden en waarnaar hij als een dichter en filosoof de
routes van zijn ontdekkingstochten richt in het woord:

"O broeikas in het midden der wouden
En uw altijd gesloten deuren
En al wat er is onder uw
Koepel van glas en in mijn ziel
om te vergelijken met U"

De ziel is het die de waarheid herbergt en de essentie van het leven in haar
inerte kern bewaart voor de blikken van de wetenschapper, de denker, de
telepaat in het woord, zoals hij zich als dichter beschouwt.  En geen kennis, hoe
groot ook, is in staat haar boodschap te ontcijferen die als een groene,
verwarrende vegetatie sluimert in haar hart.  Want hoe men ook rondzoekt in de
maneschijn, "niets is er op zijn plaats" maar alles wijst op verwarring,
tegenspraak, contradicties, paradoxen:

"Het is als een gekke voor haar
rechters, een oorlogsschip met volle zeilen
op een kanaal, nachtvogels op lelies,
gelui van doodsklokken op 't middaguur
een dagreis van zieken over het grasland
een geur van ether in de zonneschijn."

En dat doet de wanhopige zoeker naar waarheid en essentie uitroepen bij het
slot van het programmatisch openingsgedicht van de bundel "SERRES
CHAUDES":

"Mijn God, Mijn God, wanneer krijgen wij
regen en sneeuw en wind in de serre van
glas."

Poëzie als richtingsaanwijzer van de waarheid en de bronnen van het leven,
wordt in die context een amalgaam van valse wegen en onbereikbare horizonten
die steeds maar samenvloeien en opeengestapeld liggen te blakeren onder
verschillende "stolpen van glas".  Het onderzoek van deze stolpen "met wassen
handen" doet, als een droeve schaduw onder de paarse bellen die zijn dromen
zijn, slechts een moede, kille maneschijn ontdekken, waardoorheen lichtend de
vergeelde lelies van morgen zijn en waaronder hij weer "niets dan zijn twee
zoekhanden" vindt als sluitstukken van de cirkel van ontoegankelijkheid.  
Zoekhanden vinden zichzelf terug in plaats van het object, het motief van hun
ontdekkingstocht. Dit feit van onbereikbaarheid, geslotenheid,
onherbergzaamheid, geeft aanleiding tot gevoelens van diepe consternatie en
verveling:

" O, die blauwe verveling in het hart
Met als beters te verwachten:
Mijn dromen blauwig van smachten
In maanlicht, wenend en hard."

De dromen die wenen om het onbereikbare ideaal worden nu eens hallucinaties:

" De paarse slangen van mijn dromen
Die zich omstrengelen in mijn slaap
Zijn met zwaarden bekroonde begeerten
Verdronken leeuwen, als de zon hoog staat."

Dan weer fantasmagorieën van een verbeten, haast waanzinnige geest die
taferelen te voorschijn roept die onwillekeurig doen denken aan afbeeldingen
van Jeroen BOSCH:

" Men heeft de indruk dat er zeerovers
Wachten op de vijver
En dat de steden gaan overrompeld
Worden door antidiluviaanse wezens
...
En ik geloof dat de zwanen raven
Hebben uitgebroed
Mijn zusters zijn ingeslapen in het
Diepst van een giftige grot."

In die omstandigheden wordt de poëzie als onwrikbare waardemeter en
thermometer van de passies van een mystiek zoeker, dat elke rechtgeaarde
dichter behoort te te zijn, een koortsachtige glazen stolp, een broeikas van pijn
over de verwilderde en aaneengegroeide vegetaties van de essenties van het zijn.
Pijn staat hier weer als het universeel aangewend lapmiddel in de kunst voor
onbegrip en spijt, voor de onmogelijkheid van het scheppend individu de bronnen
en genesis te achterhalen die de schoonheid van zijn schepping in zijn handen (de
beeldhouwer), op het doek (de schilder), in het geluid (de componist), in het
woord en de taal (de dichter en schrijver) legt en die:

"Als een bleke lelie
Uiterst kwetsbaar en alleen
In roerloos streven opstijgt
Uit de bladeren om haar heen."

Dit onbegrip, uitermate lang volgehouden in expliciete berusting, veroorzaakt
uiteraard ziektesymptomen gepaard gaande met langdurige kwellingen van een
overge-exciteerd gemoed.  Dit doet de dichter uitroepen:

"Mijn ziel !
En de droefheid om dit alles,
Mijn ziel, de droefheid
Om dit alles !"

En hij poneert dit zeer gevat:

" Mijn ziel is een zieke vandaag
Die lijdt aan afwezigheid
Die ziek is van zwijgzaamheid
En mijn blikken vervelen haar !"


*


Stilte als een oord van onbegrip voor de zoekende, tastende asceet, de mysticus
die nog niet gerijpt is tot op de juiste golflengte van begrip om de noodzakelijk
geachte communicatie te volbrengen met de verborgen geheimen van het wezen,
is aldus oorzaak en gevolg van een algemene malaise in de ziel.  Met de giftige,
oververzadigde uitwasemingen van de talloze vegetaties van de twijfel in haar
glazen stolp, stort zij koorts en verderf uit.  Zij verwekt, door de volgehouden
inteelt van haar eigen beslotenheid een algemeen ziektesyndroom dat bezit
neemt van de ganse niet-tastbare, mystieke en metafysische gevoelswereld van
het onderbewustzijn.  M.a.w. zij wordt gevoed nog door kille afstoting, glazen
koude en verblindende maneschijn, herschapen in een groot hospitaal van de ziel.  
Ziek zijn hier de passies en verlangens:

" O, de passies die ik had
Met het gelach en de snikken
Ziek, met half-geloken blikken
Tussen de struiken zonder blad."

Want zij ontwaren geen groen op de struiken van hun bewegen, maar verdorren
in hun slaafse onderwerping aan de onbeholpenheid en de onkunde.  Ziek zijn de
begeerten:

"O, mijn al te beschutte ziel
En de kudden mijner begeerten in een glazen
Serre wachtend op het onweer
Boven de weiden."

Ziek zijn de gedachten, het werk van de geest:

" Ik breng U het slechte werk van mijn geest
Het is als een droom van een dode."

Ziek zijn de woorden:

"Heer, heb medelijden met mijn woorden..."

En omwille van dat allesoverheersende klimaat van ziekte, dat symbolisch het
lijden, de prangende atmosfeer van loutering van de gedachten voorstelt, wordt
de ziel - of de vroegere grote spelonk van stilte in de taal - een algemeen
hospitaal waar vertroosting en heling wassen het geduld van het verstandelijk
streven naar begrip, dat het algemeen welzijn van de geest omsluit binnen zijn
enge glazen muren. ("Erbarm U over mijn gebeden, een breekbaar glas met
bloemen in").  In dit hospitaal wachten de chirurgen van de artistieke creatie,
de geneesheren van het scheppingsproces aan het ziekbed van de gedachten en in
de wachtzalen van het woord.  Taal fungeert dus duidelijk als kuuroord en
opvangcentrum om bewuste overlevingsmechanismen in te bouwen in het creatieve
proces van de vergeestelijkte mens, de mens herleid tot het embrio van zijn
metselend en creatief "Dasein", de bewuste mens tout court, die het kleed van
zijn aardse en slaafse zinnelijkheden heeft afgeworpen en naakt met zijn
verstand en geest kan vertoeven in de hoogste regionen van het zijn.  Broos als
hij is in die hoedanigheid moet hij wel zorgvuldig worden beschut:

"Het is beter dat de ramen gesloten blijven
dan is men beschut, bijna, tegen wat buiten
is."

Voor dat mensbeeld alleen is taal het revalidatiecentrum geworden van de
bewuste geest op weg naar de loutering in dat groot en ruim hospitaal dat:

"Van elke daad verlaten,
Van snikken bleek, ontdaan
Ziet tevergeefs haar moede handen
Langs het onontlokene gaan."

Het laatste vers draagt hier de grootste nadruk, waarin vooral het woord
"onontlokene" van belang is.  De dichter komt hiermee tot de kern van zijn
betoog.  Het onontlokene proberen te bereiken in het hospitaal van de ziel is
bewust peilen naar de derde dimensie van het stiltefenomeen, nl. de eeuwigheid.
Stilte wordt langzaam maar zeker de geduchte medicijn om dichter bij God te
geraken, na in het hospitaal van de ziel het zwijgen te hebben geleerd.  Slechts
als de lippen hun gesloten toestand van loutering hebben aanvaard en geleerd
hebben te leven met het zwijgen, zal de bron van alle leven in lelies en rozen
opengaan.  Daarom smeekt de dichter in al zijn verzen:

"Ontferm U om de pijn der lippen
Neem alle wroeging van mij aan;
Laat langs de koortsen alom lelies
In de moerassen rozen staan."

Elders in zijn essays verwoordt hij het anders maar daarom niet minder poëtisch
waar hij stelt dat de stilte het element is waarin de grote dingen ontstaan en
waaruit zij dan eindelijk kunnen oprijzen, volmaakt en majestueus, in het licht
van het leven datze beheersen gaan.  Poëzie is dat geval, samen met de taal die
haar tot leven wekt, de kunst om het "onuitsprekelijke bespreekbaar te maken".  
En het woord als essentieel onderdeel van die edele taak niet meer of niet
minder de "kunst om de gedachten te smoren en op te schorten, zodat er geen
meer te verbergen overblijven".  M.a.w. het woord is van de tijd en het zwijgen
van de eeuwigheid.
Spreken is dan verwijlen in uren die niet beleven, op ogenblikken dat we onze
broeders niet willen merken en dat we ons op grote afstand van de werkelijkheid
voelen.  Want zodra we spreken worden we door iets gewaarschuwd dat ergens
goddelijke poorten worden gesloten.  Het ware leven, het enige dat sporen
nalaat, is slechts uit stilte gevormd.  Het geheim van deze stilte is de
onschendbare schuilplaats in de ziel die nooit verloren gaat.  Want de ziel wordt
gewogen in de stilte zoals goud en zilver in zuiver water en de woorden die
worden uitgesproken hebben slechts zin dank zij de stilte waarin ze baden.
Vandaar het belang dat de dichter in zijn poëzie hecht aan het beeld van de
lippen dat hij herhaalde malen ten tonele voert, ten einde het goddelijk
verzwijgen van de dingen in een bijzonder daglicht te stellen:

"Ik ween om lippen die verslensen
Waar nooit een kus op geboren is
En om de begeerten die niets meer
Wensen onder geoogde droefenis."

*

Een laatste techniek en thema wordt hier met het beeld van verslensende lippen
aangehaald: lippen die nooit de stilte van de liefde hebben gekend, die de meest
betrouwbare en gewillige stilte is die bestaat.  Is het niet de stilte, zegt hij
voorts in zijn essay "Le Trésor des Humbles" die de geurige smaak van de liefde
bepaalt en vastlegt ?  Beroofd van de stilte bezit de liefde noch eeuwige smaak,
noch eeuwige geur.  Want de stilte van de liefde, in tegenstelling tot de andere
grote stilte van de dood, de smart of het noodlot, behoort ons alleen toe.  We
kunnen ze dus tegemoetgaan.  Dank zij haar kennen zij die veel hebben bemind
geheimen die anderen nooit hebben gekend.  Want

"In wat lippen van de diepe en ware
Vriendschap en liefde verzwijgen, liggen
Duizenden dingen die andere lippen
Nooit verzwijgen kunnen."

Stilte is dus niet zo ver van ons als wij wel verwachten.  Zij kristalliseert zich
in liefde.  En liefde in eeuwig leven, vermits zij het basisgegeven is voor de
instandhouding van de soort in de natuur.  Ook van de mens.  Stilte, ware stilte,
tekent door middel van de zuivere poëzie het watermerk van de eeuwigheid in
het hart en de ziel van de mens.  Het ontdekken van het woord - en vooral dit
verzwegen in de stem - maakt dit watermerk zichtbaar tegen het licht van ons
bestaan.
Zo is zulk een queeste naar begrip de grootste liefdesdaad die de mensheid -
met ernst bezorgd om haar eeuwig voortbestaan - kan begaan.  Of om aan de
dichter zelf het laatste woord te geven in deze materie, waar hij zo gevoelig
spreekt over de poëzie en deze vergelijkt :

"Met die enig bleke lelie
Die in haar eigen schijnen
- Als bleek maanlicht ongerept -
Naar het blauw kristal omhoogheft
Haar mystiek en wit gebed."


* * *


GEDICHTEN UIT "SERRES CHAUDES"
vert. door J.L.De Belder


BROEIKAS

O Broeikas in het midden der wouden.
En Uw altijd gesloten deuren.
En al wat er is onder Uw koepel van glas
en in mijn ziel om te vergelijken met U.

De gedachten van een prinses die honger heeft,
de verveling van een matroos in de woestijn,
een kopermuziek onder de ramen van ongeneeslijk zieken.

Ga tot in de lauwste hoeken.
Het is als een bewusteloos-geworden vrouw op een dag
van de oogst;
er zijn postillons op de koer van het armenhuis;
in de verte gaat een jager op elanden voorbij, die ziekenverpleger
is geworden.

Zoek rond in de maneschijn.
(O, Niets is er op zijn plaats.)
Het is als een gekke voor haar rechters,
een oorlogsschip met volle zeilen op een kanaal,
nachtvogels op lelies,
gelui van doodsklokken omtrent het middaguur
(Ginder onder de stolpen),
een dagreis van zieken over het grasland,
een geur van ether in de zonneschijn.

Mijn God, Mijn God, wanneer krijgen wij regen,
en sneeuw en wind in de serre van glas ?

* * *

SERRE DER VERVELING

O die blauwe verveling in het hart.
Met als beters te verwachten:
Mijn dromen blauwig van smachten
In maanlicht, wenend en hard.

Verveling, blauw als de serre,
Waarin besloten zijn -
Achter ruiten met diep-groene schijn,
Overdekt met maanlicht en glanzen

De grote vegetaties
Wier nacht'lijk vergeten-zijn
zich droom-onbeweeglijk uitspreidt
Over de kleurloze rozen der passies -

Terwijl water zich langzaam verheft
En de maan en de hemel vermengt
Tot een zeegroene, eeuwige snik
In een monotoon-langzaam gedroom.


* * *


VERVELING

De nonchalante pauwen zijn gevlucht,
De pauwen van vandaag, de witte pauwen,
Voor het komen van de dageraad beducht,
Gevlucht voor de verveling van 't ontwaken,
Ik zie de witte pauwen, in mijn slaap gevlucht,
De pauwen van vandaag, de achteloze pauwen,
Die onverschillig, onder grijze lucht,
Belanden bij de vijver zonder zon, de grauwe,
Ik hoor de witte pauwen der verveling, op de vlucht,
Gevoelloos uitzien naar de zonneloze dagen.

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.