LISETTE WATERSCHOOT
Lisette Waterschoot)
     " ALS IK ALLEEN ACHTERBLIJF BEN IK NOG MET TWEE"
                             door Henri Thijs

             Over het NetBook 52 "MET WOORDEN UIT EEN VREEMDE  TAAL"
                                    van LISETTE WATERSCHOOT

Taal is zeldzaam.  Niet te vinden in de spiegel van de dagelijks uitgesproken woorden
waarin we allen vertoeven en alleen onszelf zien als een ontdubbeling van een eigen wezen
dat zichzelf  herhaalt, openbaart en zijn kern bewaart en bewaakt achter glinsterend
glas.  Zo bezien neemt taal dus een aardig loopje met ons bestaan en laat ze een valse en
bedrieglijke alter ego op ons los die
"onverstaanbaar ruikt naar zwart schoensmeer voor
witte sandalen in volle zomer" (1)
.  M.a.w. taal spant een omstandig en omvangrijk
hypocriet net over de spraakgeluiden die we van oudsher hebben geërfd als
communicatief middel met elkander.  Teder en zacht als een geliefde neemt zij ons bij de
hand om onze eenzaamheid te vertroebelen en op te lossen met relationele contacten ten
einde de gemeenschap van het menszijn, waartoe we behoren, te voeden en te smeden tot
een oppervlakkig en transparant geheel.  Vanuit dat perspectief gezien stuurt taal ons
haar attributen, die als herauten de boodschap van 't menszijn weliswaar verkondigen
maar helemaal niet onthullen.  Taal is dus duidelijk een hybride, d.w.z. een fenomeen dat
uit verschillende heterogene elementen bestaat.  En met die heterogene elementen
voeren wij het spel van het leven op.  Zo zijn we nu eens goedlachs en breedsprakerig,
lyrisch en uiterst mededeelzaam, dan weer zwijgzaam als een waterspiegel, bespiegelend
en dromerig,
"warmte met vooruitzicht op verwarmen" (2) of "een streep te delen
liefde" (3)
.  Op die wijze biedt taal zich nu aan de goegemeente aan, bevredigt zij het
verlangen van 't samenzijn (-klonteren) van de massa, beantwoordt zij aan de behoefte
van 't dagdagelijks gesprek dat de man in de straat overeind houdt en bindt aan zijn
soortgenoten, m.a.w.

"spinrag is ze
uit zichzelf niet van zichzelf
met gaten om door te kijken
speldenprikken om zich vast te houden" (4)

Het is de taal die ons duidelijk op een dwaalspoor brengt en afleidt van waar het echt om
gaat in deze schouwburg van het bestaan.  Voor de weldenkende mens, de zoeker, de
verwoede verkenner van 't zijn, de speurder naar het essentiële, het specifieke van de
ziel, is er wel degelijk nog een andere variant van taal.  Een taal die niet verkondigt maar
onthult.  Een taal die niet spreekt maar zwijgt.  En die taal is, zoals reeds beklemtoond
hierboven, uitertst zeldzaam.  Om haar te ontdekken is er meer nodig dan een
oppervlakkig benaderen van haar wezen en een slaafs meehollen met de overvloed van
haar stromen.  Inzicht, meditatie, inspiratie en transpiratie leiden soms naar de
aarzelende en verrukkelijke onthulling van haar wezen.  Daartoe is een taalvirtuoos nodig,
een goochelaar met dromen die door een tot het uiterste gedreven hartstocht en passie
aanwendt om door te dringen tot in haar binnenste.  En zulk een virtuoos is de dichter die
na een uitputtende speurtocht en extase ineens, met verrassing, vaststellen moet
 "als ik
alleen achterblijf ben ik nog met twee" (5)
. Dat doet een dichter dan, zoals Lisette
Waterschoot
die wij hier wensen te introduceren, besluiten: "ik verga met woorden uit
een vreemde taal" (6)
.
Deze dichteres weet blijkbaar zeer goed waarover ze het heeft. Al haar gedichten
(tenminste deze die wij onder ogen kregen tot nu toe) ademen die vervreemding in alle
denkbare maten en nuances uit, een vervreemding die
"een zweven is dat we probeerden
te verklaren" (7)
.   Bovendien slaat die vervreemding niet alleen op haar gedichten, maar
ook op de persoon van haarzelf als dichteres.  Van haar bio- en bibliografisch curriculum
vitae weigert ze energiek ook maar een tipje van de sluier te lichten onder het
motto:"lees mij maar, dan weet je wie ik ben".  Met veel respect voor die discretie
omtrent haar persoon hebben we haar ook gelezen en zijn we tot de onthutsende
vaststelling gekomen dat zij de zeldzaamheid van taal als haar lijfspreuk heeft aanvaard
en met veel overgave timmert aan het bouwwerk van een eigenzinnige poëzie.  Zij verkent
dat raadsel van de geheime taal constant en doet haar best zichzelf daarin te
positioneren door zich te verschuilen in, wat dacht je, een gedicht:

"soms, ineens
vallen mijn dromen op mezelf terug
domino

alle komma's op de plaats
waar ik ze nodig heb
verder kan
onbewogen
blijf

alles komt op tijd
niet te voorspellen
evenwicht

je kunt me steeds bereiken
ik trek me hier terug"  (8)

Dat ze daar niet altijd goed in slaagt en zichzelf soms wel eens bezeert, kan haar zeker
niet ten kwade worden geduid, vermits ze nog maar enkele luttele jaren bezig is met haar
verkenningstocht van de taal.  Zij is dus vanuit professionele hoek bekeken nog een echte
debutante alhoewel dat op het eerste gezicht (bijna) niet merkbaar is.  Bovendien is ze
ook niet meer van de jongsten (°1941) hetgeen de verrassing bij het lezen van haar
verzen nog groter maakt.  
Zowel in thematiek als in stijl oogt zij zeer modernistisch en schrijft zij met een jeugdig
haast puberaal elan de vervreemding van zich af met een zeer originele en mooie
metaforiek en strakke strofenbouw.  Het enige nadeel van die overvloed van beeldspraak
en beeldenrijkdom is dat zij zich soms wel eens te veel laat verleiden tot het
overexpliciteren, het verklaren, het toelichten.  Het lijkt soms wel eens op dat symbolisch
opgestoken vingertje van de schooljuf (een term die zij verfoeit!) die de lezer soms te
nadrukkelijk de les wil spellen.  Dat heeft dan wel niets te maken met de geringste
zweem van aanstellerij of verwaandheid.  Integendeel.  Haar weelde van woorden vloeit
zo rijkelijk en onartificieel dat ze soms lichtjes grensoverschrijdend overkomt maar dan
duidelijk met de graadzuivere intentie te komen tot een beter begrip, daar waar een
getraind dichter altijd moet streven en leren overleven met "zijn honger naar onbegrip".  
Terugkerend naar de thematiek van haar gedichten, kunnen we stellen dat het "de
vervreemding" is die haar poëzie ten gronde kenmerkt.  Niet de zgn. "grote
vervreemding" van wereld, maatschappij en cultuur is echter aan de orde, maar wel, wat
we zouden noemen, de "kleine vervreemding" ten opzichte van de persoon van haarzelf en
in het bijzonder van haar relaties.  Bijna zouden we in dat verband kunnen stellen dat haar
werk sporen vertoont van een licht opduikend 'feminisme'.  Maar haar poezie daarom als
overwegend feministisch of vrouwelijk bestempelen zou dan weer geweld doen aan
verzen waarin ze de ware identiteit van een persoon (niet mans- of vrouwspersoon maar
de universele mens) in zijn omgeving haarfijn weet te analyseren en te positioneren.  
Haast meesterlijk weet zij bij voorbeeld op dat vlak zichzelf te analyseren en haar plek
in de maatschappij te bepalen in het prachtige gedicht

"GESCHIEDENIS

vermits het gisteren zo was
en vandaag nog
de wereld dol draait

heb ik mijn voeten op de grond genageld
om eindelijk te blijven
de juiste plaats

ik die in de wolken tolde
ronde vogel
eieren in mijn nest vergat
me opblies
ontplofte
in deeltjes viel

heb alle stukjes pijn bijeen geraapt
blijf hier aaneengeregen"

Tenslotte nog dit.  De naam Lisette Waterschoot, als dat al haar echte naam is (want met
deze dichteres weet je maar nooit) klinkt als een prachtig pseudoniem en heeft nog
andere merkwaardige connotaties.  Want toeval of niet speelt uitgerekend het thema
"water" een  grote rol in haar gedichten.  Het is a.h.w. haar geliefkoosd onderwerp dat
frequent aan de orde komt in tal van haar verzen.  Zij kan met dit begrip blijkbaar ook
handig uit de voeten om de talrijke ingrediënten van de "vervreemding" die haar zo
bezielt vakkundig te ontleden.  
Zoals bij voorbeeld bij de vervreemding t.o.v. de
partner:

"Kies maar een andere weg
zeg ik aan nachtelijke wateren
die donker en te hitsig overslaan..." (9)

Of bij de vervreemding betrokken op haarzelf:

"tranen schreven wat ik niet kan lezen
natte boezem
ik wou nergens in verdrinken
gooide haar een zwemvest toe
ijle lucht." (10)

Of nog in het gedicht BOOT:

"uiteindelijk heb ik ons aangemeerd
overtuigend vastgebonden terwijl ik zo
vaak een knoop te vlug liep
..."

Water als favoriet thema is niet zo ongewoon .   Wij vinden dit oeroud onderwerp (denk
aan Heraclitus: "alles vloeit, alles is water") vaak terug in de poëzie omdat het een
substantie is die zonder lijfelijk bestaan zo moeilijk vatbaar blijft en vele geheimen
herbergt.  Water heeft trouwens in de geschiedenis van de mensheid altijd al een grote
rol gespeeld en werd door grote wetenschappers en vorsers zoals Charles Darwin
bestempeld als de grote en ware levensbron op onze aarde.  Voor een dichter die per
definitie drijft op het mysterie van de taal is een bepaalde affiniteit met water bijna  
vanzelfsprekend.
Maar wat er ook van zij, met behulp van water of niet, heeft  Lisette Waterschoot in haar
verzen op een overtuigende manier gestalte gegeven aan het mysterie van de
vervreemding in al haar facetten.
Door haar originele woordkeuze, strofenbouw, ritmepatronen en mooie beeldspraak
bewijst zij alleszins dat ze flink op weg is naar een "eigen stem" en een "specifiek eigen
geluid" in de poëzie van vandaag.
In het gedicht dat hier in zijn geheel volgt, en dat de titel meekreeg van 't NetBook dat
ze bij Het Prieeltje Online publiceerde is duidelijk waarneembaar hoe zij zichzelf weet
te relativeren en het mysterie van de taal en van het leven tracht te doorgronden met
verzen die beklijven en in de mystiek van de poëzie hun roots hebben gevonden.

BABYLON

in het donker schreef ik een gedicht
dat deze morgen is gestorven
geen lettertje geërfd

mooi, vond ik
toen hij erover zong
over sterven bedoel ik
in mijn geheugen
dit stond vast
begin liever iets te vroeg met los te laten
lang geleden las ik dit
van wie

ik verga met woorden uit een vreemde taal
herhaal tot ik ze versta
neen, nooit, ja toch

vergissen vind ik mooi
en fout en op de verkeerde plaats en tenslotte
niets

vrolijk word ik
om het verlies
dat ik niet uit kan spreken
onverstaanbaar zoals ooit, later, dood

daarover ging wat ik nooit schreef
op een ochtend waarop alles weg was
ik een onbegrijpelijke zin


Over deze fel bevlogen dichteres met de naam van een mooi pseudoniem is beslist het
laatste woord nog niet gezegd.

Om de gedichten van Lisete Waterschoot te lezen, surf naar haar NetBook nummer 52 en klik hier.
Voor nog meer recent werk : zie op deze site onder de rubriek
POËZIE.

(1) Uit : DODENMIS
(2) Uit: PAUZE
(3) Uit: Idem
(4) Uit: EINDPUNT
(5) Uit: ERATO
(6) Uit: BABYLON
(7) Uit: DODENMIS
(8) Uit: SCHUILDICHT
(9) Uit: OPLOSSING
(10) Uit:  KWETSUUR

(geplaatst op 20-04-2006)

terug naar boven
© 2002/ 2009 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de
Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel.
0032477794783.  Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de
standaardschermresolutie van 1024 x 768.