HOE SCHRIJFT MEN POEZIE ? Lexicon voor een
"eeuwig" beginnend dichter (5)
door Henri Thijs











HOE KLEURT MEN LIEFDE MET TAAL IN EEN GEDICHT ?

Probeer ze te bewaren, dichter,
hoe weinige het er ook zijn,
die even duren:
de visioenen van je liefdesleven.
(K.P.Kaváfis)

Algemeen kan men stellen dat vanuit het louter formalistisch standpunt de
verpoëtisering van het liefdesthema in de letterkunde van aard is te lijden aan
welhaast klassiek voorkomende trauma’s zoals daar zijn:
de anekdotiek, het
pathos of sentiment en de epische directheid
.  Deze ziektesymptomen, die het
poëtisch werkstuk aldus de koortsen bezorgen van een tweederangsontroering
qua inhoud en stijl, zijn a.h.w. inherent verborgen in de behandeling van het
gegeven zelf.  Liefde en erotiek in de kunst zijn zo universeel benaderd
geweest dat persoonlijke betrokkenheid bij en de clichématige of pastiche-
achtige verwoording van een cultureel gemeengoed als dit praktisch nooit
volledig uit te sluiten zijn, tenzij ja, tenzij het gaat om werkelijk grote
kunstenaars en zelfs dan nog blijft totale originaliteit steeds een (gekend)
probleem.  Artistieke ervaring en metierbeheersing als woordkunstenaar
kunnen er natuurlijk voor zorgen dat aangewende stijlfiguren en alliteraties
vaak treffen door de picturale precisie waarmee men het geheel transcendaal
kleuren en geuren geeft, een sfeer of een stemming oproept of verzwijgt.  
Daardoor kan het pathos, dat steeds herkenbaar blijft, op een zachte soms
opdringerige manier gekleurd worden, waardoor het sentiment het gepaste
dekvernis meekrijgt of een weggeborgen tint verwerft en dus minder opvallend
te voorschijn treedt, maar schuilgaat onder een oogverblindende buitenlaag.
Ook de muziekervaring kan op haar beurt de drie genoemde
ziekteverschijnselen zalven met de pommades van de klanknabootsingen en het
ritmepatroon van de concertcontaminaties.  Muziek en lyriek zijn uiteraard en
vanzelfsprekend suppletieve begrippen en betrouwbare coördinaten wat de
poëziebeleving betreft.  Zij zijn onafscheidbaar aanwezig in elk gedicht.  De
levendige stijlen en het harverwarmend effect van de muziek kunnen in
gedichten als begeleidende katalysatoren subliem en ondergronds aanwezig
worden gebracht.  Ze geven de anders misschien eentonig zingende
klaagliederen een levendige en opwindende dissonantie mee waardoor de verzen
luider gaan klinken dan ze in de hoorn van het woord normaal bij machte zijn.
Concreet gesproken nu, in de romantiek van de levensavond als dichter dansen
op de bloemen van het hart waarin de blauwe ochtendgeur van de lente bloeit
en gloeit naar de eeuwigheid toe, het oneindige, het droombeeld van verlangen
als een blijvende ster aan de hemel, hoe noem en kleur je dat met taal?  De
levensweg, geschetst als een kleurentapijt van klanken, een partituur van licht
voor de klaagmelodie van de tijd, hoe kom je daarmee epistemologisch eerst,
filologisch daarna, in het reine?  Zeg nu zelf eens in welk dilemma de vreugde
kan openspatten, als een zaaibed van bloemen – door het lot besteld in een
vooraf bepaald ritme en tijdsbestek – je dromen komt bezetten, uitgerekend
op een moment dat je akker en veld hun meest grijze jas hebben aangetrokken
en, voor een uitgebreide winterslaap, je bomen en struiken hun oorkussens
hebben opgeklopt.  Hoe breek je de as van je tanend streven in het wiel van de
verrukking als je helemaal niet meer weet in welk seizoen van het leven je
anker ligt geworpen en steeds maar prevelen moet: “die avond wist ik helemaal
niets meer”.  Die avond?  En de avond voordien?  En elke avond wanneer de
vervoering als een loerende kat komt krabben in de huid van je gevoelloos
deinend gemoed.  Dan kun je als dagdagelijkse schilder van de eenzaamheid,
niets anders doen dan je palet neerleggen en je droomkoningin tegemoettreden
met in je handen niets dan woorden.  Kortom, dan wil je misschien wel echte
poëzie plegen en word je de zaaier van ongekende vermogens en strooi je de
zaden uit van een magie, die in de grond van je taal de ziel doen kiemen,
bloeien,.. en trillen in de lucht.  Dan hoor je ook de muziek der sferen en zou je
kunnen denken aan een Jules Massenet en zijn “scènes pittoresques” of
misschien nog eerder aan het dramatisch effect van “Manon l’Escaut”, de opera
waarnaar je luistert met de vruchten van je dromen in het knoopsgat van je
zijn.  En dat alles omdat je op de valreep van je zijn nog een onverhoopte,
innige en intense romance beleeft op de kust van je gestrand geachte
toekomst.  Dan groeien zelfs bloemen je de ogen uit en weet je op het moment
van die herrijzenis inderdaad helemaal niets meer maar... schrijf je poëzie.  
Veel poëzie.   In een ruk. Een bevlieging.  Een roes.  Je schrijft een bundel.  
En je kleeft je naam erop zomaar omdat je anders niet meer weet hoe je (h)eet.
Zulke poëzie, geschreven op een plantaardige achtergrond, kan dan ook
bezwaarlijk anders dan biologisch samenvallen met de structuur van een
plantenisotoop en in concreto een bloemenskelet in zich bergen.  De botanische
ontleding hiervan is tamelijk eenvoudig in te delen in drie belangrijke
groeidelen, die op hun beurt coïncideren met het groei- en scheppingsproces
van een bloem zelf.
Zo is er allereerst het indifferent existeren ziel- en schatgericht.  Het
ondergronds bestaan van een geleefd leven dat zijn psychosomatische
ervaringen en belevenissen heeft opgebrand en begraven in de aarde van de
twijfel, waar duisternis heerst en wanhoop, maar ook mysterieuze kiemkracht,
resulterend in het zaad, plotseling oplichtend in ogen als het biologisch
ontbolsteren van een nieuwe cel, de plotse ontmoeting van water en voedsel in
een nieuwe associatie die traditieloos misschien liefde heet, zoals later blijken
zal bij het aanschouwen van de vrucht.
Vervolgens komt in een tweede episode het kiemvrij product van deze nieuw
ontsproten hoop zichtbaar in de steeds groener en hoger wordende stengel die
geuren loslaat.  De bloem van de ontdekte liefde in opbloei krijgt nu langzaam
een vurige gestalte, en wordt een biologisch hoogtegroen uit een schelp die
scheurt terwijl een zuurstoflucht van bloemen alle steunpunten van een
vroeger wanhopig leven omver waait.  Zeer mooi kan men dat broos maar
krachtig leven van de stengel, dat het bloedend rijpen met de pastelkleuren
van een liefdeservaring schildert, in verzen gieten. Het vormt ongetwijfeld het
orgelpunt van dit soort poëzie en is ook vaktechnisch het delicaatst en
moeilijkst te verwoorden onderdeel.  Het is immers alles als een dans voor de
mooie stengel, die pirouettes van ongenuanceerde vertedering uitvoert voor de
ogen van een openflakkerende tegenspeler, die als protagonist en antagonist in
één en dezelfde identiteit, op dit toneel van de sprankelende schaterlach, de
intensiteit van een versnellende graad van groeiproces in de zin van nieuw
leven, een herboren bestaan, in zich deinen voelt.  De stengel en zijn
gelouterde omgeving, de minnaar en de minnares, worden dwarrelende vogels
die bij elkaar hun vleugels versmelten.  Dan breekt de extase open en wordt
elke aanraking van de partner in woorden een gitaarspel van Paco en elk
gesprek een clavecimbelpinkel die de glimlach in cirkels gevangen houdt en die
de stem doet parelen en filtert.  Zulk een climax in het bestaan wekt echter
angst en twijfel.  Want de dichter, hoe veel mens en animaal genotsobject hij
ook is, blijft tenslotte een metafysisch en kosmisch mysterie die zijn
woonplaats temidden van een bewoon- en bemestbaar veld van platonische,
aardse geneugten nimmer vindt.  Hij is en blijft een eiland met veel nood.  Zijn
verlangens herkennen de meteorieten die in hun supersonische vlucht door het
ijle (het onbekende) een ontmoeting plannen met de muze.  Van hun liefde en
aardse genoegens laten zij slechts brandende gaten, evenals wat rook en reuk
van verbrand vlees achter.  Dit thema van de dualiteit dichter/mens moet in
deze liefdesrelatie met ingenieuze beelden en vondsten worden veruitwendigd.  
De dichter leeft als liefhebbend mens in een soort quarantaine, waaruit hij
steeds poogt te treden als een schaduw op de vlucht voor de lichtkring van de
schemerlamp, die hem zoekt te vervlakken, veralgemenen.  Daarom blijft hem,
om in de gekozoen bloemenoptiek verder te kunnen blijven vegeteren in dat
summum van geluk, niets anders over dan zich te voeden, tot oververzadiging
toe, met het symbool dat hem met de groei en bloei van zijn liefde tooit.  En
heeft hij maar een wens: “bloemen vreten” om zijn hemelse momenten tot het
uiterste te kunnen beleven, alvorens hij mag worden weggerukt uit die climax
van uiterste beleving.  Als dichter wordt hij immers door zijn eigen specifieke
geaardheid a.h.w. ingepakt, omdat ze geen volledige aardse vereenzelviging
duldt, zoals in zijn voetnoten gedrukt staat.
Hij moet zich dus op weg begeven om zich te overladen met zijn liefdesteken,
zijn symbool van geluk.
Zo wordt dan in een volgende fase de dans muziek, de liefde een lied en de
voltooiing van een opgang naar volwassen beleving.  De stengel, om weeral terug
de botanische context op te nemen, heeft zijn bloem gekweekt en doen
ontluiken.  Haar kindjes liggen zalig in warme sprookjesdromen.  Blauwe
muzieknoten zweven haar ogen uit.  Eindelijk.  De liefde staat in haar volle
bloei te pronken als een Dorische zuil van licht op een puinhoop van de nacht.  
Maar ook van de onmacht haar te omkaderen met het magnetisch
gevoelsgeladen veld van de oneindigheid.  Een dergelijk bloemjuweel is zo
kostbaar geworden in zijn eindpunt omdat het dynamische en dus dagelijks aan
mutaties onderhevig blijft.

Dit zijn van mijn liefde de vele juwelen:
mijn talrijke handen, hun betraande vingers, mijn lippen en hun pijngevende
tanden
Ook mijn folterende tong tenslotte.
(P.Snoek)

Vermits het aan mutatie en permutatie dankt zijn ontstaan, kan ook dit
fenomeen van onstuitbaar bloeien zijn ondergang betekenen.  In het licht van
die vaststelling golft de pijn op uit een vreemde duisternis en overvalt de
angst hem.  De dichter voelt zich moe in de schaduw van dat onverdroten en
continuë worden, dit perpetuüm mobile:

zich moe voelen in de schaduw
van je zijn
zoals een schichtig bang kind
dat de zon ziet verzinken
in gestold bloed.
(Roland Cassiman)

Hij smeekt in vertwijfeling om een stuitingsproces van die ontwaakte
schoonheid die wegvlucht ’s nachts naar een oceaan.  Met aandrang formuleert
hij dan dringende smeekbeden in het gedicht.  Liefde in extreme extase draagt
in uiterste rijpheid de vrucht van haar vergaan omdat ze zoekt naar
eeuwigheid en daarom in stuifmeel wil verzanden, dat het kiemen van een
nieuwe liefde in zich draagt.

Mijn liefde  is zo hoog, zo diep en wijd
als ver in ’t duister tast mijn ziel zowel
in eigen wezen als in de eeuwigheid.
(Elizabeth Barret-Browning)

Dat besef voelt de dichter in zich opdoemen als krassen in zijn hart en hij
voelt in de liefde, in al haar rijkdom en totale bloei, een

adempauze
om met de wortels
een zinnige reden te bedenken
naar eeuwigheid
terwijl
ik
wacht
(Roland Cassiman)

In zijn wachten zit ook de angst om verlies verscholen.  Daarom hunkert hij –
als dichter geen andere uitkomst vindend – naar een vijfde seizoen want hij is
een gerijpt mens op de tweesprong van een boordevol beleefd leven en hij is
tenslotte ook en vooral de visuele woordkunstenaar in wiens ogen en handen
alles, ook de genesis van de liefde een voltooiing kan vinden.  Hij is immers de
schilder van het woord die met de kwast van de taal zijn wens bewaarheidt met
de nooit te stuiten “Sturm und Drang” van de artistieke schepper die weet:

Waar liefde woont is zwijgzaamheid een zegen
(Gerrit Komrij)

(geplaatst op 28-04-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.